Tuupetegoarigheid! 175ste Gentse Feesten worden gevierd met boek, website en expo

Tuupetegoarigheid! 175ste Gentse Feesten worden gevierd met boek, website en expo

Dit moet een van mijn vroegste herinneringen zijn.

Het is de eerste helft van de jaren 1980. Aan de hand van mijn ouders loop ik door de Gentse binnenstad en daar, te midden van het onrustige gedruis van de vele kleurrijke mensen, zie ik een magere vrouw staan. Enigszins onvast zingt ze:

’t Es Gensche Fieste, ’t Es Gensche Fieste

Het was een vervreemdend tafereel, zo’n vrij onopvallende vrouw die zich niets van haar omgeving leek aan te trekken en juist daardoor toch mijn aandacht ving. Een levenslange fascinatie voor dat unieke fenomeen van de Gentse Feesten, naar verluidt zowat het grootste openluchtfeest van Europa, was geboren.

Sindsdien ben ik er dan ook zowat elk jaar teruggekeerd: als kind mijn ogen uitkijkend naar het straattheater én naar de ruige types die zich anders alleen in het duister van de kroeg ophielden; als prille tiener zorgvuldig wikkend wat ik met mijn spaargeld kon kopen (snoep? strips? een rondje op de kermis?); als twintiger de concerten afschuimend en feestend de zon zien opkomen met een Irish Coffee in de hand, om dan pas rond het middaguur verbrand én aangeschoten in bed te belanden; als dertiger de cirkel rondmakend door met mijn kinderen naar het straattheater te gaan kijken.

Licht surrealistisch

Morgen, vrijdag 13 juli, is het opnieuw zover: Gent viert dan zijn tiendaagse Feesten (mét hoofdletter), en dat al voor de 175ste keer. Bij die extra feestelijke gelegenheid horen een boek, een website (http://175jaargentsefeesten.be/) en een expositie.

Bij dit alles zijn diverse partners betrokken: Stad Gent en Pandora Publishers namen het initiatief voor het boek en de bijbehorende website. Het Liberaal Archief verleende zijn actieve medewerking door vele archiefstukken ter beschikking te stellen en het museum Huis van Alijn toont nog tot en met 2 september 2018 een expositie over deze jubileumeditie van de Gentse Feesten.

Het boek, eenvoudig 175 jaar Gentse Feesten getiteld, bevat vier grote delen (naast een woord vooraf van schepen en Feestenburgemeester Christophe Peeters, en een licht surrealistische vooruitblik op de 200ste editie van de Feesten in 2043). De fotografie is van stadsfotograaf Patrick Henry.

Deel één, ‘Burgerlijk vertier. De oude Gentse Feesten 1843-1969’, blikt terug op het prille begin van de Feesten en hoe die in de 125 jaar nadien evolueerden. Deze tekst is geschreven door historicus en Ons Erfdeel-medewerker Ruben Mantels, en laat mooi zien hoe van bij het begin in 1843 “de wens om de ganse bevolking te betrekken in een groots stadsfeest” aanwezig was.

De Feesten ontstonden uit een combinatie van de drang bij de gegoede burgerij om uit te pakken met stedelijke grandeur én de bezorgdheid bij de fabrieksbazen en patrons dat de vele wijkkermissen en parochiefeesten de arbeiders al te lang van het werk hielden.

Om die reden werden eind juni 1843 de eerste “gemeentefeesten” georganiseerd. Het plein De Kouter werd het epicentrum: er vond een volksbal plaats met aan één kant de welstellende burgerij en aan de andere kant ‘het volk’. Tussen hen in stonden allerlei eetkramen en standjes, waar beide groepen elkaar ‘besnuffelden’. Daarnaast waren er paardenrennen, stoeten met ‘vliegende vaendels’, toneelvoorstellingen, concerten, schuttersfeesten en dergelijke. Naast deze jaarlijks terugkerende evenementen waren er ook éénmalige activiteiten zoals huldigingen van belangrijke Gentenaars (van Jacob van Artevelde naar Jan Frans Willems tot Joseph Guislain).

Zieltogende traditie

Tijdens de twee Wereldoorlogen werden de Feesten wel eens opgeschort, en in de loop van de twintigste eeuw verwerden ze langzamerhand meer en meer tot folklore. Pleinen liepen leeg, het publiek verouderde en de burgerlijke cultuur, die mede aan de basis van de Feesten lag, was haar elitaire status kwijtgeraakt.

Al in 1943 (!) werd gesproken van een “zieltogende” traditie”, in 1960 vroeg de krant Vooruit zich af of de Gentse Feesten nog wel het vieren waard waren, en De Gentenaar hekelde de “onbenulligheid, leegheid, kleine dorpsallure”. En het werd er nadien niet meteen beter op. Mantels schrijft in het boek over de 125ste jubileumeditie: “De feesten van het revolutionaire jaar 1968 ogen verstild, oubollig en traditioneel.”

Hoe dat alles radicaal veranderde toen Walter de Buck zich in 1969 op een bierkratje bij Sint-Jacobs hees, staat in het tweede deel van het boek ‘Een tweede adem, een frisse wind. Gentse Feesten’. Daarin beschrijft Bart D’hondt hoe uit de geest van de contestatie van de jaren 1960 de Feesten in hun huidige vorm zijn ontstaan.

VETTIGE LIEDJES

Het begon met twee wilde jaren, 1968 en 1969, waarin Walter De Buck een gevangenisstraf opliep voor het tonen van naaktschilderijen, en waarin hij met verwante geesten als Wannes Van de Velde, Dirk van Esbroeck en Roland Van Campenhout als straatmuzikant langs de terrassen van de traditionele feesten trok.

Vanaf 1970 pakten ze het professioneler aan en kregen ze een officiële vergunning voor een feestenplein bij Sint-Jacobs, met café Trefpunt als epicentrum, waar ze ‘Gentse feeste gelijk in den tijd’ organiseerden: tien dagen lang (volks)muziek, theater en dans als ode aan de Gentste volokszanger Karel Waeri (1812-1898).

Door terug te grijpen naar het verleden – “authentieke, olijke, soms een beetje vettige liedjes van de Gentse grootouders” – blies het “langharig werkschuw tuig” de Gentse Feesten nieuw leven in, kwam er een revival van de diverse pleinen, waardoor de Feesten uitgroeiden tot het massa-evenement dat ze nu zijn.

NOG GENTSER GRAAG

Sindsdien is er één constante: er wordt voortdurend gediscussieerd over en gesleuteld aan de Feesten, en dat is ook in dit boek niet anders. In het vierde deel (het derde deel gaat over het Gentse dialect, zijn plaats op de Feesten en toekomst ervan) gaat oud-stadsjournalist Karel Van Keymeulen in gesprek met een hele reeks Gentse coryfeeën, die hij allen dezelfde vragen voorlegt. Zijn de Feesten nog uniek? Zijn ze niet te braaf? Wat kan er beter? Moeten ze nog groeien? Moeten ze gratis blijven?

De antwoorden lopen uiteen, maar er zijn wel een paar constanten: het mag nog Gentser, het moet niet groter, het liefst zoveel mogelijk gratis en, zoals de titel van het hoofdstuk het al zeg: ‘Nog wat zottigheid graag.’
Of zoals zanger en acteur Wim Claeys het verwoordt: “Vrijheid! Blijheid! Tuupetegoarigheid!”

Wie dat laatste woord niet begrijpt, kan het vanaf morgen tien dagen lang aan den lijve gaan ondervinden in Gent. Of het fraai geïllustreerde boek 175 jaar Gentse Feesten lezen. 

(Pieter Coupé, eindredacteur Ons Erfdeel)