Atte Jongstra in Ons Erfdeel

Atte Jongstra (Terwispel, 1956) beoefent de literatuur als een aanstekelijk en lichtvoetig spel van stijlen en vormen. Gedurende zijn dertigjarige schrijverschap bouwde hij een veelkleurig oeuvre op waarin de liefde voor archieven, lexica en encyclopedieën een constante is. In elk van zijn boeken treft het de lezer telkens weer hoe hij citaten, verwijzingen en fictie weet samen te brengen in een kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding.

Met die woorden heeft de jury (Erica van Boven, Jeroen Dera, Yra van Dijk, Arjen Fortuin, Jan de Roder, Carl De Strycker en Maria Vlaar) onder voorzitterschap van Aad Meinderts de Constantijn Huygens-prijs toegekend aan Atte Jongstra voor zijn hele oeuvre.

Ons Erfdeel heeft het werk van Atte Jongstra ruim besproken en de auteur publiceerde zelf ook twee artikelen in het blad. We zetten alle teksten hierna op een rijtje, met een citaat eruit en een link naar de volledige stukken.

 

SPELEND LEREN, LEREND SPELEN

Atte Jongstra schreef een uitgebreid artikel over de Nederlandse Academie voor ’Patafysica, waarvan de werkwijze nauw aansluit bij die van de schrijver zelf:

In het neowetenschappelijke denken worden humor en ernst respectievelijk ernstig genomen en met een lach beschouwd. De bâtafysicus is een homo ludens, zoals de historicus Johan Huizinga het in zijn gelijknamige essay bedoelde. In de Bâtafysica leert men spelend, en speelt men lerend, met de hele wereld als leer- en speeltoneel.

In het kader van de NAP is serieuze aandacht besteed aan theorievorming over kwesties als de oppervlakte van God, het Robinson-eiland, de zijwindgevoeligheid van de optelsom, of de oneindigheid van de hotelkamer. In het recente verleden verscheen een themanummer van het Bâtafysica-tijdschrift De Centrifuge, gewijd aan de in de Nederlandse Zuidzee gelegen eilandendubbelgroep Nieuwe Hybriden/Nieuw Liturgië. Hierin bijdragen over land en volk, volksetymologie, antropofagie, zondvloedmythe en cargocultuur, bodemgesteldheid, kunst & wetenschap, etcetera.

Lees hier het volledige artikel.

 
BETREKKINGSWAAN

Ook in zijn recensie van Marc Kregtings boek Koffie had Jongstra het over zijn eigen literaire opvattingen en methodes:

Het schrijven van een boek vereist een vorm van betrekkingswaan. Personages, gebeurtenissen, omstandigheden – ze krijgen immers pas betekenis als ze samenhangen. Zo sterk als W.F. Hermans het formuleerde – “Er mag geen mus van het dak vallen zonder dat dit betekenis heeft” – hoeft het nu ook weer niet. In meer dan één roman liet ik ze op de grond kwakken zonder oorzaak of gevolg. Hoe dan ook: als schrijver werkt men met betrekkingswaan, al was het slechts om de lezer in de waan te doen verkeren dat alles met alles te maken heeft. Men kan het echter ook anders doen. Omgekeerd eigenlijk. Tegenwoordig zou men zoiets postmodern noemen. Men vlecht een draad door volstrekt diverse verhalen en verheft die draad tot thema, tot titel zelfs. Zelf deed ik dat met mijn roman Groente (1991), een mozaïekachtige liefdesroman die niets wezenlijks te maken heeft met wat wij dagelijks eten. Prei of bloemkool komen alleen ter sprake omwille van vormassociaties (fallus, hersens).

De volledige recensie staat hier.

 

TEGENDRAADSE ENCYLOPEDIST

In 2015 recenseerde Koen Rymenants drie werken van Atte Jongstra: de romans Worst (2014) en Diepte! (2013) en een boekje dat hij over Harry Mulisch schreef: De hemel ontdekt (2014). Rymenants karakteriseert Jongstra als volgt:

Atte Jongstra (°1956) is een tegendraadse encyclopedist. Hij wil geen objectief en samenhangend overzicht van belangrijke kennis geven zoals in
 de traditionele encyclopedie, maar juist een gefragmenteerde en uiterst persoonlijk gekleurde collage van allerlei curiosa.

Lees hier de rest van de recensie.

 

GEMANKEERDE HISTORIOGRAAF

Een van Jongstra’s bekendste boeken is De heldeninspecteur (2010), waarin hij net als in De avonturen van Henry II Fix (2007) de geschiedenis van de Lage Landen in de negentiende eeuw naar zijn eigenzinnige hand zet. Ernst Bruinsma vergeleek beide boeken in Ons Erfdeel en noemde Jongstra een “ironische romanticus, een gemankeerde historiograaf die graag rumoer maakt, verbaal vuurwerk aflevert en aan ernstige vormen van humor lijdt”.

Hij noteerde ook: “Jongstra is beslist niet van plan om als dorre historiograaf te werk gaan, maar om de letters te laten knetteren.” Toch is Bruinsma meer te vinden voor Henry II Fix dan voor De heldeninspecteur: “Jongstra lijkt zich niet altijd los te hebben kunnen maken van zijn research, zoals dat bij
 Henry II Fix op meesterlijke wijze wel het geval was.”

De conclusie van zijn recensie, die je hier kunt lezen, luidt: “Misschien moet dat volgende boek van Jongstra nu maar eens over Multatuli gaan. Ik kan haast niet wachten.”

 

SCHRIJVEN VIA DE OMWEG

Dat Multatuli-boek kwam er in 2012 met Kristalman. Multatuli-oefeningen, dat in Ons Erfdeel zeer lovend werd besproken door Mieke Opstaele:

Na 35 jaar lezen in Multatuli vond schrijver Atte Jongstra het tijd om nu eindelijk eens af te rekenen met die ene auteur, die hem, als een schaduw in zijn zog, niet meer loslaat. Hij doet dit in de vorm van Multatuli-oefeningen of essays gebundeld onder de titel Kristalman.

Kristalman is eveneens een terugblik van de
 auteur op vijfentwintig jaar schrijven. “Mijn eerste aandrift is te willen begrijpen waarom ik schrijf zoals ik doe.” Jongstra zou Jongstra niet zijn als hij dat niet deed via de omweg. De gekozen omweg is die van de terugverplaatsing. Door zich zo sterk in te leven in de schrijver die al vijfendertig jaar aan hem trekt, probeert hij zijn eigen schrijverschap in kaart te brengen.

In Kristalman toont Jongstra opnieuw op een intelligente en vermakelijke manier de veelzijdigheid van zichzelf en van zijn werk. Niets is wat het lijkt in het oeuvre van deze kristalman. “Alles verandert, om uiteindelijk vanuit de oorspronkelijke vorm weer opnieuw te veranderen.” Daarom is elk boek weer een belevenis.

Lees de volledige recensie hier.

 

MEESTER VAN HET POINTELOZE ESSAY

Het boek dat Atte Jongstra in 2008 publiceerde, Klinkende ikken, maakt deel uit van de reeks Privé-Domein. “Heeft Jongstra na de gefingeerde memoires van Henry II Fix (2007) nu dus een echt egodocument geschreven, dat wil zeggen met zichzelf in de hoofdrol?”, vroeg Sven Vitse zich in Ons Erfdeel af. Het antwoord?

Het hangt er maar van af wat onder ‘zichzelf’ wordt verstaan, want Jongstra laat er geen twijfel over bestaan dat het ‘ik’ in zijn geval maar beter als een heksenketel, ‘een hele ikkenclub’ kan worden begrepen. Zoals hij zelf opmerkt, kiest Jongstra voor het principe van de omweg. (…)  Jongstra’s favoriete omweg is natuurlijk die van het verhaal, en in Klinkende ikken vertelt hij met grote gretigheid ironische en sappige verhalen, over zichzelf maar evengoed over een personage dat hij van zichzelf maakt. (…) De lezer is gewaarschuwd: een transparant beeld van de schrijver krijgt hij in dit werk niet te zien. ‘Laten we dus stellen dat iedereen die dit boek leest, er nooit zeker van is dat hij werkelijk door mij heen kijkt.’ Dat geldt trouwens evenzeer voor de auteur, (…) Introspectie en zelfbeschrijving leiden niet tot zelfkennis en inzicht in de eigen drijfveren. Integendeel, deze zelfbeschrijver is in de eerste plaats een geoefende ‘zelfontwijker’, en als hij toch een diepe duik in het eigen ik neemt, dan is dat ‘om me eindelijk eens een tijdje minder goed te kennen’.

Dit alles levert een uiterst vermakelijke bundel verhalen, beschouwingen en herinneringen op — veelal mengvormen van deze genres — waarin Jongstra zich een begenadigd verteller toont en een meester van het pointeloze essay. Die laatste typering klinkt misschien oneerbiedig, maar is zeker niet zo bedoeld.

Lees hier de volledige recensie.

 

DOE-BOEKEN

Jongstra’s spel met genres en verwijzingen en zijn gegoochel met alter ego’s maken hem tot een geliefd onderwerp voor literatuurwetenschappers. Onder hen is Bart Vervaeck misschien wel degene die het meest over Atte Jongstra heeft gepubliceerd. In Ons Erfdeel stelde Vervaeck dat liefde een centraal thema is diens oeuvre, dat hij voorts omschreef als “doe-boeken” vol “fictie op zoek naar actie”. Ook typeerde hij 's mans literatuur als volgt:

(...) zeer zelfbewust - ze etaleert de constructieprincipes, de bouwkundigheden die normaal verstopt worden - en zeer persoonlijk. Zeer afstandelijk én zeer betrokken. Zeer sterk gericht op de tekst én op het ik. Jongstra's werk laat zien dat er een eindeloze wisselwerking is tussen taal en mens: de literatuur wordt geboren uit het ik, maar dat wordt op zijn beurt geboren uit de literatuur.

Lees hier de volledige tekst van Vervaeck.

 

DETONERENDE AUTOBIOGRAFIE

Jongstra dook een kwarteeuw geleden voor het eerst op in Ons Erfdeel, toen Hugo Bousset zijn tweede roman Groente recenseerde. Bousset was niet helemaal overtuigd door het boek, maar zag wel al de potentie van de auteur Jongstra:

Jongstra's ‘detonerende autobiografie’, ‘verbeelding tussen boek en schrijfpapier’ is een interessante roman, gemaakt volgens het handboek van het postmodernisme. Wat ik heb gemist, zijn de geniale flitsen (...). Ik denk niet dat je over Groente écht enthousiast kan zijn (…). Maar de onderliggende theorie van de roman en de intelligentie van de auteur bevallen me zeer.

Lees hier de volledige tekst van Bousset.