‘Bloed en rozen’ beschrijft ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ tussen 1900 en 1945

‘Bloed en rozen’ beschrijft ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ tussen 1900 en 1945

Onlangs is Bloed en rozen van Jacqueline Bel verschenen, het achtste boek in de groots opgevatte reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur van de Nederlandse Taalunie, uitgevoerd onder leiding van Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom.

Bel beschrijft de eerste helft van de twintigste eeuw, van 1900 tot 1945. Het is de tijd van “de opkomst en ondergang van totalitaire ideologieën – die ook hun sporen nalaten in de letteren”. De twee oorlogen in de eerste helft van de vorige eeuw veranderen “voorgoed de manier waarop schrijvers en dichters in de Lage Landen naar de wereld kijken”. 

literatuurgeschiedenis in breedbeeld

De literatuur van die periode wordt gekenmerkt door “een watervlugge afwisseling van literaire generaties en hun tijdschriften, modes en stromingen”. Op de flap wordt Bloed en rozen dan ook omschreven als “een literatuurgeschiedenis in breedbeeld”, wat betekent dat al deze zaken aan bod komen: het verschijnsel moderniteit, hoge én lage literatuur, jazz, literaire journalistiek, film, radio, de populariteit van vrouwelijke auteurs en koloniale romans, en de inspiratie van vakgenoten uit het buitenland. 

Het boek is goed onthaald in NRC Handelsblad en door Marc van Oostendorp.

Yra van Dijk in NRC:

Het lijvige boek, waar met verlangen naar uitgezien werd, laat zich lezen als een zolder vol bekende en vooral onbekende schatten.

Van Oostendorp op Neder-L:

Een van de fijne kanten van Bels boek is dat het zo dik is, en dat de greep zo groots. Je leert als het ware de hele vroege twintigste eeuw kennen, zowel in Nederland als in Vlaanderen, uit het oogpunt van de literatuur. De definitie daarvan is bovendien behoorlijk breed, en omvat in ieder geval ook bijvoorbeeld journalistiek van literaire schrijvers zoals Couperus en andere non-fictieschrijvers zoals Huizinga (...). Je doet bovendien allerlei ideeën op over dingen die je nog kunt lezen, want Bel schuwt de woorden 'nog steeds lezenswaard' gelukkig niet.

In de loop van 2016 zal ook in Ons Erfdeel een uitgebreide recensie verschijnen van Bloed en rozen. Verderop in dit bericht volgt een overzicht van de Ons Erfdeel-besprekingen van de al verschenen delen.

Noord-zuid-samenhang

De volledige reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, die nu haar eindpunt nadert, zal bestaan uit negen (of tien) boeken. Elk boek wordt verzorgd door een neerlandicus of geschiedkundige, bijgestaan door een team onderzoekers. Toch is de reeks niet uitsluitend bedoeld voor literatuurwetenschappers, maar is ze gericht op een breder publiek.

In een lezing die gehouden werd tijdens het veertiende colloquium neerlandicum in 2000 becommentarieerden Musschoot en Gelderblom de opzet van het project, dat in twee opzichten vernieuwend wil zijn. Eerst en vooral is Geschiedenis van de Nederlandse literatuur een volledig literatuuroverzicht van de literatuur uit Nederland én Vlaanderen. Het is de bedoeling om “die Noord-Zuid-samenhang, met alle gelijkenissen en verschillen die zich in de loop der eeuwen hebben gemanifesteerd, in beeld te brengen”.

Toch wordt waar nodig de diversiteit van de twee literaturen erkend. Zo is Worm en donder het eerste deel van een tweeluik, dat enkel de literatuurgeschiedenis van Nederland uit de achttiende eeuw omvat. Het tweede deel van Tom Verschaffel, dat nog moet verschijnen, zal de literatuurgeschiedenis van Vlaanderen beschrijven.

Een tweede vernieuwende eigenschap van het project is dat Geschiedenis van de Nederlandse literatuur niet uitsluitend de klemtoon legt op vernieuwingen binnen de literaire ontwikkeling, maar dat ze ook wil tonen “wat gelijk blijft en zich niet schoksgewijs, maar juist geleidelijk ontwikkelt”. Ze wil met andere woorden “de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige demonstreren”.

niet chronologisch

Opvallend is ook dat de boeken niet chronologisch verschijnen. In 2006 verschenen het eerste en het laatste boek van de reeks bijvoorbeeld tegelijk: Stemmen op schrift van Frits van Oostrom, dat de middeleeuwen tot 1300 behandelt, en Altijd weer vogels die nesten beginnen van Hugo Brems, dat de periode tussen 1945 en 2005 omvat. Die twee boeken werden in 2006 in de Grote Kerk in Breda in ontvangst genomen door de toenmalige prinsessen Maxima van Nederland en Mathilde van België, beiden intussen koninginnen.

Tussen 2006 en vandaag zijn nog zes andere boeken verschenen. Frits van Oostrom behandelde het tweede deel van de middeleeuwen (1300-1400) in Wereld in woorden (2013), dat met Stemmen op schrift één geheel vormt. Het chronologisch daaropvolgende boek, Het gevleugelde woord (2007), werd geschreven door Herman Pleij en beschrijft de literatuurgeschiedenis van 1400 tot 1560. Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt behandelden in Een nieuw vaderland voor de muzen (2008) de periode van 1570 tot 1700. De achttiende-eeuwse geschiedenis is zoals gezegd onderverdeeld in twee boeken en behandelt afzonderlijk de noordelijke en zuidelijke literatuur. Het deel over het noorden, Worm en donder, verscheen eind 2013, op het deel over het zuiden is het nog wachten tot 2016. In Alles is taal geworden (2009) wordt de literatuur uit de negentiende eeuw beschreven door Wim van den Berg en Piet Couttenier.

Ook zal als apart boekje nog een naschrift verschijnen, waarin Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom terugblikken op de reeks. Een eerder gepland cumulatief register komt er niet meer .

Alle reeds verschenen boeken zijn gerecenseerd in Ons Erfdeel, en als de reeks compleet is, zal Matthijs de Ridder het geheel van de Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur nog eens uitgebreid onder de loep nemen.

Hieronder volgt een overzicht van de Ons Erfdeel-recensies van de al verschenen delen.

 

Deel 1a: Frits van Oostrom – Stemmen op schrift (begin tot 1300)

Besproken in Ons Erfdeel 5/2006. Jürgen Pieters heeft het in zijn recensie over het tweevoudig takenpakket van de literatuurhistoricus, die tegelijk vooruit en achteruit moet kijken, die als wetenschapper op vernieuwing gericht is en als monumentenverzorger op het verleden. Van Oostrom slaagt daar overduidelijk in: zijn werk “getuigt van [zo een] ‘prudente’ aanpak. Hij is gefascineerd door de vraag hoe het in het verleden daadwerkelijk was, dat spreekt voor zich. Maar tegelijk is hij bekommerd om de vraag wat dat verleden vandaag en morgen nog te betekenen heeft.” Stemmen op schrift is “een naslagwerk dat hoofd en hart tegelijk aanspreekt.” De volledige recensie is hier te lezen.

Deel 1b: Frits van Oostrom – Wereld in woorden (1300-1400)

Besproken in Ons Erfdeel 3/2013. Wim Blockmans schrijft: “Van Oostrom is een meesterlijke verteller die de lezer steeds geboeid houdt door hem zoveel mogelijk te betrekken bij de ontstaansgeschiedenis van een tekst, de inhoud of verhaalstof, de verspreiding en het gebruik, de overlevering, de literaire vondsten van de Nederlandstalige bewerkers en het voortleven in latere eeuwen.” Het tweede deel van de middeleeuwse literatuurgeschiedenis besteedt daarnaast veel aandacht aan de veranderende literaire context. De volledige recensie is hier te lezen.

Deel 2: Herman Pleij – Het gevleugelde woord (1400-1560)

Recensie in Ons Erfdeel 1/2008. “De titel van dit boekdeel verwijst naar het vluchtige en alomtegenwoordige karakter van literatuur in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stad, maar typeert ook Pleijs barokke en vaak hilarische stijl waarbij losbandige stadsklerken, pathetische kluizenaressen en scheldende pastoors over elkaars voeten struikelen”, schrijft Anne-Laure Van Bruaene. Pleij laat zien hoe de laatmiddeleeuwse literatuur “heel vaak een carnavaleske omkering of groteske aandikking van de werkelijkheid [is] en altijd een uitvergroting.” De volledige recensie is hier te lezen.

Deel 3: Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt – Een nieuw vaderland voor de muzen (1560-1700)

Besproken in Ons Erfdeel 4/2008. “De auteurs koesteren de minor poet, de lokale dichter de man of vrouw van één enkele bundel, en laten zien hoe ook deze kleine dichters nauw vervlochten zijn met het literaire bedrijf. Hun boek toont het belang van culturele netwerken, waarin uiteindelijk de grote auteurs, zoals Vondel en Huygens in het Noorden, en Adriaen Poirters in het Zuiden, de verbindende schakels vormen. Gevolg is wel dat dit deel van de literatuurgeschiedenis enorm overladen is”, zegt René van Stripriaan. Dat is volgens de recensent echter een onvermijdelijk gevolg van de indeling van de reeks: de middeleeuwse literatuur beslaat drie delen, terwijl de “qua productie veel omvangrijkere bloeiperiode van de renaissance, barok en het classicisme in één deel bij elkaar” geplaatst is. De volledige recensie is hier te lezen.

Deel 4 (I): Inger Leemans, Gert-Jan Johannes, Joost Kloek - Worm en Donder (1700-1800)

Recensie in Ons Erfdeel 3/2014. Joep Leerssen noemt dit boek “een van de meest geslaagde delen van de ambitieuze reeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur”. Leemans en Johannes zorgen voor een eerherstel van de achttiende eeuw, die tot nu toe in ons taalgebied onder een suf imago leed. Geen stijve pruikentijd, maar een tijd “die bol staat van de politieke en religieuze conflicten, een eeuw van tijdschriften, zelfbewuste vrouwen, pedagogische idealen, goedkope recycling van het Grote Vaderlandse Verleden, intellectuelen en publiekspooiers, sentimenten en satires”. De volledige recensie is hier te lezen.

Deel 5: Willem van den Berg & Piet Couttenier – Alles is taal geworden (1800-1900)

Besproken in Ons Erfdeel 4/2009. De auteurs van Alles is taal geworden hebben zich tot doel gesteld om “het beeld van stoffige huisvlijt, dorrig gemoraliseer en nationalistisch geschmier” van de negentiende eeuw duchtig bij te werken. Volgens Geert Buelens zijn ze daar echter niet voldoende in geslaagd. Vooral de traditionele aanpak van Van den Berg die “angstvallig dicht bij de canon” bleef, wordt door Buelens bekritiseerd. Het oordeel over de hoofdstukken van Piet Couttenier is positiever, maar in het algemeen is Alles is taal geworden “al te zelden een boek waarin een nieuwe visie op de literatuur wordt geboden.” De volledige recensie is hier te lezen.

Deel 7: Hugo Brems – Altijd weer vogels die nesten beginnen (1945-2005)

Verschenen in Ons Erfdeel 4/2006. Met de titelkeuze Altijd weer vogels die nesten beginnen maakt Brems de cirkel rond. De Nederlandse literatuur “blijkt een literatuur te zijn die steeds weer wordt opengebroken, waarin nieuwe schrijvers en dichters zich afzetten tegen hun voorgangers - zonder dat de literatuur zelf eronder bezwijkt.”  Hoewel Arnold Heumakers enkele omissies en keuzes in het werk van Brems bekritiseert, valt zijn eindoordeel positief uit. Bovendien merkt hij terecht op dat “de meest recente literatuur zich het moeilijkst in kaart laat brengen, de historicus is nog te zeer een tijdgenoot.” De volledige recensie is hier te lezen.

Referenties:

  • Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 640 p.
  • Frits van Oostrom, Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400, Bert Bakker, Amsterdam, 2013, 656 p.
  • Herman Pleij, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560, Bert Bakker, Amsterdam, 2007, 960 p.
  • Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700, Bert Bakker, Amsterdam, 2008, 1.054 p.
  • Inger Leemans, Gert-Jan Johannes, Joost Kloek, Worm en Donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800, Bert Bakker, Amsterdam, 2013, 816 p.
  • Wim van den Berg & Piet Couttenier, Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900, Bert Bakker, Amsterdam, 2009, 833 p.
  • Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 792 p.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed