‘Er ligt een wijd gapend gat open voor een pleitbezorger van de standaardtaal’

‘Er ligt een wijd gapend gat open voor een pleitbezorger van de standaardtaal’

Tijdens het 20ste Colloquium Neerlandicum, afgelopen week aan de KU Leuven, organiseerde Ons Erfdeel een debat over taalvariatie, onder de titel ‘Laat duizend bloemen bloeien’. Wim Vandenbussche, professor Nederlandse taalkunde, leidde het debat in. Je kunt zijn tekst in deze blogpost lezen. ‘Tussentaal is een volstrekt normale en natuurlijke taalvariëteit die bestaat omdat de taalgebruiker er behoefte aan heeft’, zegt Vandenbussche. Maar ook: ‘Er ligt een wijd gapend gat open voor een spreekbuis en pleitbezorger van de standaardtaal.’

Als het over taalvariatie in het Nederlandse taalgebied moet gaan in de strikt taalkundige zin, dan is er weinig ruimte voor debat, laat staan reden tot debat. Ik kan me niet voorstellen dat een zinnig mens het bestaansrecht van een dialect, een regiolect, een sociolect of om het even welke andere variëteit in twijfel zou trekken.

Ja, het is me bekend dat sommige mensen die me dierbaar zijn alle duivels ontbinden zodra ze een glimp opvangen van het wipneusje van de tussentaal. Dan gaat het van ‘dat is on-taal, dat is kunstmatig en onnatuurlijk’, ‘dat moeten we bestrijden en met tak en wortel uitroeien’, al dan niet met nostalgie naar de wegdeemsterende dialecten.

Hoe oprecht en hartstochtelijk ook, dat soort oprispingen zijn verrukkelijke onzin. Tussentaal is een volstrekt normale en natuurlijke taalvariëteit die bestaat omdat de taalgebruiker er behoefte aan heeft. Om met vrienden te praten, om informeel van gedachten te wisselen, om de vrouw of man van je leven goeiemorgen te zeggen, om in te roddelen, feesten, vrijen – om alles te doen wat je in het dialect deed toen dat nog springlevend was.

Je kunt je ergeren aan het feit dat die tussenvariëteiten nu ook steeds meer gebruikt worden op plaatsen waar vroeger de standaard vanzelfsprekend was, maar dat is een heel andere discussie, straks meer daarover.

Het zou erover kunnen gaan dat het Nederlands in Vlaanderen en Nederland steeds verder van elkaar af gaan staan, toch wat uitspraak betreft. We weten uit gedegen onderzoek dat de uitspraak in het Noorden de voorbije jaren vrij snel veranderde, terwijl die in Vlaanderen vrij stabiel bleef. Mocht er iemand fluks in de houding willen springen en de trom van de taalverloedering willen roeren: ook die uitspraakverandering is perfect normaal, net zoals zeer veel taalverandering dat is. Zowel in Noord als Zuid klonk het Nederlands in 1700 anders dan in 1400 (we zeiden toen wijn in plaats van wien), en dat is voor andere talen net zo. Dat vrouwen in de Noordelijke polder klaain zeggen voor klein, is an sich een perfect normale evolutie.

Je kunt je de vraag stellen of die veranderende uitspraak gevolgen heeft voor de eenheid van je taalgebied, en voor de wederzijdse verstaanbaarheid, je kunt je afvragen hoe de neerlandistiek extra muros met die veranderingen om moet gaan, maar dat is een heel andere discussie, straks meer daarover.

Waar het dan wel over gaat, is niet het louter taalkundige van de kwestie. Het gaat wel over de sociale, mediatieke en onderwijskundige aspecten van die variatie. Over de plaats die de taalgemeenschap geeft aan bepaalde variëteiten, en over hoe sommigen ongelukkig, bezorgd, gefrustreerd of militant worden als die realiteit niet strookt met hun diepste verlangens en overtuigingen.

In essentie is het debat zelfs nog smalsporiger, en gaat het over de positie van de standaardtaal, over de vorm en de norm van die standaard, maar bovenal over de vaststelling dat we die standaard anders bejegenen dan pakweg 50, 40, 30 jaar geleden.

Hugo Brandt Corstius’ hartenkreet ‘Laat 100 Nederlandsen bloeien’ werd verhevigd tot ‘Laat 1000 Nederlandsen bloeien’ – maar de betere bloembinder leest feilloos de ondertitel: ‘maar zorg er alsjeblief voor dat de bloem van de standaardtaal niet verstikt’.

Regels of vrij beloop?

Het gaat er dus om of we als taalgebruikers vinden dat we taalevolutie op haar vrije beloop moeten laten – iets wat ‘mijn soort’, de sociolinguïst, al te vaak verweten wordt zonder ook maar een smoking gun – dan wel of we normen en regels voor de vorm en het gebruik van die standaard mogen opleggen en eisen, en hoever we daarin kunnen en moeten gaan.

Mij werd gevraagd om au-dessus de la mêlée de maat te nemen van die discussie zoals ze in ons taalgebied leeft.

Omdat het goed is om duidelijk te zeggen van waaruit je spreekt : ik doe dat niet enkel als taalkundige, maar ook als spreker die opgroeide in een bad van springlevend dialect ondanks alle pogingen om me in de beste ABN-traditie op te voeden, die vervelde van een zwaar westelijk aangezet Belgisch Beschaafd Nederlands, en die de Vlaamse variëteit van de standaardtaal bewust aanleerde, en die vandaag hartstochtelijk dialect praat met streekgenoten, tussentaal bezigt in de dagelijkse omgang, en lesgeeft en liefheeft in het Standaardnederlands.

1.

Eerst en vooral: we zijn niet alleen. Ook in andere taalgemeenschappen leeft de vraag naar de grenzen van de variatie. Het Institut für Deutsche Sprache hield een paar jaar terug een conferentie met de vertwijfelde titel ‘Hoeveel variatie kan de standaardtaal aan?’ De Académie française kijkt voor taalnormen koppig alleen naar haar eigen Parijse navel, tot grote ergernis van de onvermoeibare taalplanners in Québec. En net over de plas is er elk jaar altijd nog wel een politieke minkukel te vinden die vindt dat een regionale tongval op de BBC gelijkstaat met de defloratie van het Queen’s English. De bezorgdheid om taalvariatie is dus iets vrij universeels.

2.

De verschillen tussen Noordelijk en Zuidelijk Standaardnederlands zijn bekend, maar leiden tot dusver zelden tot wederzijdse onverstaanbaarheid. Die bestaande variatie kan de standaardtaal dus best aan. Dat uitgevers volharden in het omschrijven van Vlaamse teksten voor de Nederlandse markt, heeft alles te maken met attitudes, en niets met onoverbrugbare communicatieproblemen. Ook voor de gesproken standaard gaat dat grotendeels op. Uiteraard weet een publiek van neerlandici extra muros beter dan ikzelf dat studenten moeten wennen aan twee uitspraaknormen (dat is voor het Engels niet anders), en dat het ook zinvol is om die in de opleiding te verwerken. Dat gebeurt ook bij alle leerstoelen Nederlands die ik ken buitengaats.

Anderzijds: wat men minder vaak hoort, voelt ook minder vertrouwd aan. Als Vlamingen opperen dat het Noordelijke Nederlands moeilijker te begrijpen wordt, dan heeft dat er vermoedelijk ook veel mee te maken dat het contact met dat noordelijke Nederlands afgenomen is. Het is een boutade waar je geen wetenschappelijke stelling op kunt bouwen, maar in mijn kindertijd kwam het Hollandse Nederlands de woonkamer binnen met André van Duin, Willem Ruis en allerhande shows met pluimen, lichtgevende trappen en showballetten. Mijn kroost hoort dat noordelijke Nederlands nauwelijks nog op tv, denk ik dan – om dan vast te stellen dat het via urenlang kijken naar Hollandse YouTube-kanalen van Kwebbelkop en consoorten misschien veel aanweziger is dan het in mijn kindertijd ooit was. Dan heb ik het nog niet over slecht gedubde jeugdreeksen in noordelijke tongval op de Nickolodeons van deze wereld. Van de vermeende vervreemding tussen Vlaamse en Nederlandse accenten geloof ik uiteindelijk dus niet al te veel.

3.

Wetenschappelijk onderzoek toont eenduidig aan dat de standaardtaal in Vlaanderen ‘onder druk staat’. In een aantal domeinen sprak je vroeger standaardtaal zonder enige verdere discussie. Vandaag zien we dat informelere variëteiten van het Nederlands die plaats innemen, in het bijzonder de ‘tussentaal’ die door de organisatoren expliciet vermeld werd in de aankondiging van dit debat. Als die tussentaal de plaats inneemt van de dialecten voor informele conversaties, dan wordt dat beweend door de laatste grijze dialectsprekers. Als die tussentaal aan de andere kant gaat knabbelen aan de functies van de standaardtaal, in de media en in het onderwijs, dan gaan er alarmbellen af.

Het loont de moeite om dat even van dichterbij te bekijken.

  • Wat men betreurt, is het feit er een informalisering optreedt in een aantal domeinen die vroeger onaantastbaar van de standaardtaal waren. Een beetje zoals je betreuren kunt dat een professor vroeger in pak en das voor een auditorium ging staan, en dat nu doet in jeans en T-shirt. Dit gaat vooral op voor radio en tv, waar het laatste bastion van de standaardtaal de nieuwsuitzendingen lijken te zijn.
  • Wat men verder betreurt, is dat een groot deel van de taalgemeenschap (en vaak zegt men dan de jongeren) dat gewillig lijkt te aanvaarden.
  • En dat die jonge generatie blijkbaar de behoefte niet voelt om de ‘taalstrijd voor de standaard’ verder te zetten die zo hard bevochten werd door vorige generaties.
  • Wat nog grotere zorgen baart, is de vaststelling dat de tussentaal de effectieve voertaal geworden is in het lagere, middelbare en hogere onderwijs – behalve in de lessen Nederlands. De boutade dat elke leerkracht ook een leerkracht Nederlands is, wordt van minister op minister doorgegeven op het kabinet onderwijs, maar recent onderzoek toont duidelijk aan dat dat in Vlaanderen in de praktijk niet zo is. Je kunt je dus met reden vragen stellen bij het pedagogische project van een inrichtende macht die in die wetenschap vrolijk voorstelt om lesuren Nederlands te schrappen, ten voordele van een vak maatschappijleer vanuit Bijbelse intuïties. Zo zot en schijnheilig kan ik het als ketter zelf niet verzinnen.
  • Men vreest dat jongeren daardoor de standaardtaal niet meer aangeleerd zullen krijgen, vooral omdat schooldirecties volstrekt geen vat lijken te hebben op die evolutie, ook niet als ze ronkende taalbeleidsdocumenten hebben waarin staat dat het Standaardnederlands de voertaal is op school.
  • Daar komt bovenop dat in het hogere onderwijs, maar ook in de zakenwereld, de sirenenzang klinkt van het Engels als lingua franca. Dat is vooral een kwestie van poen scheppen bij de groep van anderstalige studenten – en veel minder van excellentie en spitsonderzoek. Dat de maatregelen om de kwaliteit van dat Engels te bewaken een lachertje zijn, is niet de kern van de zaak hier. Feit blijft dat er een extra ‘kracht’ is die knabbelt aan de functies van de standaardtaal. In Vlaanderen wordt dat sterk beknot door een strikte wetgeving, in Nederland gingen vele universiteiten roekeloos en volstrekt onnodig overstag.

4.

Wat doe je nu met die vaststellingen, als taalwetenschapper, taalleerkracht, taalliefhebber?

Je kunt akte nemen van die evolutie, zonder meer, en berusten in die beschrijving. Dat is een steriele en veilige invulling van je taak als wetenschapper, maar daarvoor werden wij allen niet ingehuurd hier. Ik ken eigenlijk ook geen enkele sociolinguïst in Vlaanderen die zich afzijdig houdt en ‘alles kan, alles mag’ omarmt. Die hardnekkige mythe mag dus eindelijk eens de schroothoop op, samen met het fabeltje dat het verdrukken van de standaardtaal allemaal de schuld is van de commerciële televisie en de permissieve maatschappijvisie van mei ’68.

In het debat zie je twee duidelijke tendensen, en achter beide visies zit een expliciete ideologische keuze.

Je hebt collega’s die pleiten voor het aanvaarden van de realiteit. Ik parafraseer even ongeremd:

“Tussentaal is er en gaat niet meer weg, het is de moedertaal van tienduizenden, misschien wel honderdduizenden sprekers, ze is al jaren de voertaal in 90 procent van ons onderwijs, ze is niet de uitzondering maar wel de norm, en veel meer dan de standaard dat ooit geweest is. Hou op met die taalgebruikers te verketteren voor lui en dom, en probeer die tussentaal een plaats en een erkenning te geven, in het bijzonder in het onderwijs en de media.”

De groep die dat luidop zegt en schrijft, is klein maar keelt luid, wordt beladen met pek en veren en met de beschuldiging van provincialisme, opgesloten in het eigen grote postmoderne gelijk. Ze worden ook wel eens de valse progressieven genoemd, die het omarmen van de ‘natuurlijke taalevolutie’ als de ultieme sociale emancipatie zien. Wie graag provoceert, moet daar als flinke jongens en meisjes tegen kunnen, en kan zich troosten met de gedachte dat heel wat schooldirecties en mediagroepen hun visie al in de praktijk brengen.

Hun tegenstanders schermen ook met sociaal-emancipatorische argumenten. Ik ga ook hier met graagte uit de bocht:

“De standaard is en blijft hét ticket naar maatschappelijk prestige, hogere studies en belangrijke functies in de samenleving. Het is ook het bindmiddel met alle andere leden van de taalgemeenschap: zonder die standaard sluit je je af van al wie je regionale tongval niet deelt. Ze is de sleutel tot de rijke culturele erfenis van de Lage Landen. En bovendien zijn we het verplicht om die standaard te bewaren en te bewaken, voor al diegenen die eeuwen gestreden hebben voor het Nederlands en tegen de discriminatie door het Frans.”

Dat standpunt domineert het spraakmakende gedeelte van het academische en culturele middenveld. Critici beschimpen dit als naïeve visie op kunstmatig gecultiveerde sociale promotie, uitgedragen door een oude conservatieve elite, die niet wil inzien dat sociaal succes vandaag ook via andere wegen dan de standaardtaal bereikt wordt. Ze hekelen de vermeende uitsluiting en stigmatisering van wie de standaard niet beheerst, hebben geen boodschap aan een taalstrijd die jaren geleden gewonnen werd, en nog minder aan nostalgische bespiegelingen over de culturele zending van de Lage Landen.

Dat spanningsveld zet de toon voor het debat.

Je kunt je afvragen of Vlaamse en Nederlandse taalkundigen daar anders op reageren.

Je kunt vaststellen dat Suriname en de Antillen op bijna koloniale wijze buiten de discussie gehouden werden.

Maar je kunt bovenal niet om de ontnuchterende vaststelling heen dat de stem van de neerlandici extra muros nauwelijks aan bod kwam in het hele debat. Met 15.000 studenten Nederlands per jaar buiten Nederland en Vlaanderen, loont het mijns inziens toch de moeite om die groep als volwaardige leden van de taalgemeenschap mee te nemen.

Los van wat je mening is over taalnormen en de standaard: als het de zelfverklaarde behoeders van de standaardtaal menens is met de verdediging van het Standaardnederlands, dan zal men daar ook de verantwoordelijkheid op voor moeten nemen.

Er is op dit ogenblik nauwelijks een instantie te noemen die die rol op wil nemen. De VRT is taalpaus tegen wil en dank, en wil af van die stempel. De Taalunie nam in een vorige beleidsperiode een aantal onzalige beslissingen, en lijkt vandaag nog steeds onder vuur te liggen, vooral bij de Vlamingen die haar destijds zo graag in het leven wilden verlangen. Zij is volgens velen niet langer de onverdachte pleitbezorger van de standaardtaal.

Nederland zoekt vertwijfeld naar een structuur om de brede neerlandistiek te vertegenwoordigen, in Vlaanderen eigende de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde zich die plaats toe met enig succes, evenwel zonder duidelijk mandaat van de bredere neerlandistiek.

Er ligt dus een wijd gapend gat open voor een spreekbuis en pleitbezorger van de standaardtaal.

Of neerlandici intra en extra muros dat ook nodig vinden, is de kardinale vraag.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed