‘Geboren verteller’ Murat Isik wint Libris Literatuur Prijs met ‘Wees onzichtbaar’

‘Geboren verteller’ Murat Isik wint Libris Literatuur Prijs met ‘Wees onzichtbaar’

Een “regelrechte verrassing”. Dat schreef Dirk Leyman op de website van De Morgen toen gisteravond bekend werd dat Murat Isik de Libris Literatuur Prijs 2018 had gewonnen met zijn 600 pagina’s tellende roman Wees onzichtbaar (Ambo|Anthos, 2017). De Libris-jury motiveerde haar oordeel zo:

Murat Isik trekt je vanaf de eerste bladzijde met de vanzelfsprekende autoriteit van de geboren schrijver het verhaal binnen en geeft een wereld die de lezer kent uit krantenartikelen en sociale studies, haar plek in een universele, beklemmende en diep menselijke roman.

Hier staat het volledige verslag van de jury (voorzitter Abdelkader Benali, Hans Bouman, Johan De Haes, Lotte Jensen en Judith Uyterlinde). Murat Isik haalde het van Ilja Leonard Pfeijffer (Peachez, een romance), Marjolijn van Heemstra (En we noemen hem), Arjen van Veelen (Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken), Martin Michael Driessen (De pelikaan) en Tommy Wieringa (De heilige Rita).

Wees onzichtbaar werd ook in Ons Erfdeel besproken. Recensente Delphine Seghers noemde Murat Isik “niet de man van het experiment of de stilistische verfijning, maar een geboren verteller” en las in zijn bekroonde roman:

(…) het verslag van een identiteitscrisis die elke puber meemaakt, maar die in een migratiecontext extra vragen oproept, (…) een oeroud verhaal van vaders en zonen. Zonen die verlangen naar de aandacht en goedkeuring van de vader, maar die tegelijk zijn blik vrezen. En die tweespalt weet Isik uitstekend zichtbaar te maken.

De volledige Ons Erfdeel-tekst over Murat Isik, waarin ook zijn debuut Verloren grond uit 2012 aan bod komt, vind je onderaan in dit bericht of hier (pdf).

Van Turkije naar de Bijlmer

In Wees onzichtbaar vertelt Isik het verhaal van Metin Mutlu, die in 1983 op vijfjarige leeftijd met zijn ouders en zijn zusje, via Duitsland, in de Amsterdamse Bijlmer terechtkomt en daar opgroeit. Metin, zijn zusje en zijn moeder worden gekleineerd en onderdrukt door een tirannieke en gewelddadige vader, die een groot deel van de gezinsuitkering uitgeeft aan gokken en drinken.

Inspiratie voor de roman vond Isik in zijn eigen leven, zoals hij in deze twee interviews met de Volkskrant toelichtte. Ook hij werd geboren in Turkije, maar groeide op in de Bijlmerbuurt  van Amsterdam. In zijn debuut Verloren grond beschrijft Isik de familiegeschiedenis vanuit het perspectief van zijn (groot)ouders in Oost-Turkije.

Het volgens de Volkskrant aan Charles Dickens schatplichtige Wees onzichtbaar is met zijn tien drukken sinds de publicatie één jaar geleden een succesvolle roman. Isik won er eerder ook al de Boekhandelsprijs mee én de Boekenwedstrijd van NRC Handelsblad.

Hierna kun je het Ons Erfdeel-stuk over Isiks boeken lezen.

 

DE BLIK VAN DE VADER

Over de romans van Murat Isik

Op 4 oktober 1992 boort een Boeing 747 van El Al zich in twee flats van de Bijlmermeer, een woonwijk in Amsterdam. Het is de genadeslag voor de hoogbouwwijk, die al jaren zwaar te lijden heeft onder criminaliteit en verloedering. Gretige projectontwikkelaars zien hun kans: de torenflats maken plaats voor laagbouw of krijgen een opknapbeurt.  

De Bijlmermeer in de jaren tachtig, met zijn junks en trappenhuizen, vormt het decor van Murat Isiks tweede roman Wees onzichtbaar. Het is een typische coming of age, gebaseerd op Isiks jeugdherinneringen. Centraal staat Metin Mutlu, een jongen van Turkse afkomst die op vijfjarige leeftijd met zijn ouders en zus naar Nederland emigreert. Ze nemen hun intrek in flat Fleerde in de Bijlmermeer, een smeltkroes van Surinamers, Ghanezen en Nederlanders.

Metin is onder de indruk van zijn nieuwe omgeving: “Hier gingen wij dus wonen, in dit grote, lichte huis dat uitkeek op water en groen en waar meeuwen om ons heen vlogen.” Even later vallen de eerste zelfmoordenaars te pletter en wordt Metin benaderd door een pedofiel. In 1984, kort nadat de Amsterdamse binnenstad is schoongeveegd, trekken grote groepen junkies naar de Bijlmermeer. De utopische woonwijk van weleer wordt een stadsjungle: “Ik was meerdere malen getuige geweest van vechtpartijen tussen uitgemergelde junks die met hun magere armen krachteloos naar elkaar uithaalden.”

Metins voetbalvriendje Michel verpersoonlijkt de transformatie van de buurt. Michel is de trots van team Fleerde, de “nieuwe Johan Cruijff”, maar verdwijnt dan plotseling van het toneel. Als Metin hem jaren later terugziet, bedelt Michel om geld voor drugs. Hij herkent Metin niet. “Alles wat hij nu was (…) stond hier voor me: een opgebrande jongeman die waarschijnlijk nog geen vijftig kilo woog en op de rand van de afgrond balanceerde.” Het balanceren is van korte duur. In een laatste opwelling van levenskracht heeft Michel in het openbaar seks met een dakloze vrouw. De bodem lijkt bereikt.

Ook de school is voor Metin geen veilige plek. Als nieuwkomer haalt hij met de hulp van zijn moeder zijn taalachterstand in. Zijn leraar moedigt hem aan, maar geeft Metin dan toch een te laag schooladvies voor het voortgezet onderwijs. Dankzij zijn vader kan Metin alsnog naar het prestigieuze vwo.1 Op de nieuwe school loopt het echter mis. Metin vindt geen aansluiting bij de blanke, welgestelde leerlingen. Klasgenoot Dino, een psychopaat in wording, maakt Metins leven tot een hel, maar de timide Metin zoekt geen hulp. Ook thuis spreekt hij geen woord, omdat hij het beeld dat zijn vader Harun van hem heeft – het beeld van een loser, een “weifelende jongen die in niets op hem leek” – niet wil bevestigen.

De relatie tussen Metin en zijn vader vormt de ruggengraat van Wees onzichtbaar. De grillige Harun werpt zich binnenshuis op als een tiran. Als communist is hij tegen werken in loondienst en leeft hij van een uitkering. Overdag leest hij Marx op de sofa, ’s avonds verbrast hij het geld voor de boodschappen. Hij beschouwt zijn kinderen als ballast en is alleen geïnteresseerd in hun schoolresultaten: de kinderen moeten slagen waar hij faalde. Metin krimpt ineen onder de intimiderende blik van zijn vader. Hij en zijn zus proberen te overleven door zich onzichtbaar te maken: “We leerden naar de grond te staren en als onopvallende spookjes door het huis te dwalen. (…) We leerden incasseren en slikken.” Maar geleidelijk aan groeit de weerstand tegen hun vader. Metins moeder vindt werk en maakt zich los uit de greep van haar man. Ook Metin en zijn zus leren van zich af te bijten: “We waren nu in staat om te zien dat hij simplistische retoriek hanteerde, drogredeneringen die hij met verbaal vuurwerk kracht probeerde bij te zetten om zo bij voorbaat elke tegenspraak te onderdrukken.”

Toch zet Isik de vader niet neer als een eendimensionale figuur. Harun toont namelijk ook zeldzame momenten van verbondenheid, als hij op oudjaar wél zijn vaderrol op zich neemt: “Hij kon ons dus wel het gevoel geven dat we ertoe deden. Hij kon ons dus wel zien.”

De vader-zoonthematiek is niet nieuw in het werk van Isik. Ook in zijn debuut, Verloren grond uit 2012, staat de relatie tussen een vader en zijn tienerzoon centraal. Isik put ook in deze roman uit het eigen verleden en het leven van zijn grootouders in Sobyan, een dorpje in Oost-Turkije. In tegenstelling tot Metin in Wees onzichtbaar groeit de hoofdpersoon in Verloren grond, Mehmet, wél op in een liefdevol gezin. De vader van Mehmet, Selim, is behalve landarbeider ook een gerespecteerd verhalenverteller, een dengbej. Stiekem droomt Mehmet ervan om later in zijn voetsporen te treden, maar hij acht zich niet geschikt: “Ik was een luisteraar en luisteraars veranderen volgens mij niet in vertellers.”

Het bestaan in Sobyan is hard. Medische hulp ontbreekt en de grens tussen leven en dood is er flinterdun. In 1966 slaat het noodlot toe: na een slecht verzorgde wond moet Selims onderbeen worden geamputeerd. De vader wordt een schim van zichzelf en zijn verhalen verstommen. Gedreven door wanhoop keert hij met zijn gezin terug naar zijn geboortedorp Hemgin, waar hij wat grond bezit. Die grond wordt echter al jaren bewerkt door dorpsbewoners, die niet van wijken willen weten. Zij eisen dat Selim het dorp verlaat, maar hij houdt voet bij stuk: “We laten ons niet verjagen...we blijven hier…dit is nu ons thuis.” Zijn onbuigzame wil leidt tot een gevecht op leven en dood. Net zoals in Wees onzichtbaar is de vaderfiguur de destabiliserende factor, de patriarch die inadequaat op een crisis reageert. En net zoals in Wees onzichtbaar brengt de moederfiguur redding. Uiteindelijk bepaalt Mehmets moeder dat het gezin een nieuwe toekomst zal opbouwen in de Turkse stad Izmir.

Meteen na aankomst in die stad zet Mehmet zijn verhaal op papier. “Ik voelde de drang om woorden aan het papier toe te vertrouwen, woorden (…) die geen uitweg hadden kunnen vinden.” En hij neemt een besluit: “Ja, ik word ook verhalenverteller!” Ook in Wees onzichtbaar vormen verhalen een toevluchtsoord. De kleine Metin ontwikkelt een passie voor Marvel-stripverhalen. Hij identificeert zich met de groene Hulk: “Met zijn kolossale vuisten beukte hij wild om zich heen, alsof hij wilde losbreken uit het papier dat hem gevangenhield.” Later raakt hij geboeid door de verplichte literatuurlijstjes, maar niet door het verhaal De diamant van Harry Mulisch: “Ik vreesde dat alle romans zo taai, abstract en zielloos waren als die van Mulisch.” Dan leest hij liever het werk van de Amerikanen Hayes en Lazzarino, met in de hoofdrol “levensechte kinderen die mij hun tragische levensverhaal toevertrouwden”.

Meteen wordt duidelijk in welke categorie Isik zichzelf als schrijver plaatst. Hij is niet de man van het experiment of de stilistische verfijning, maar een geboren verteller. Soms verliest hij daarbij de trappers. Hoewel de roman al eens gehalveerd werd (van 1.200 naar 600 pagina’s), bevat Wees onzichtbaar nog veel overtollig gewicht. Isik put de lezer uit met langdradige beschrijvingen, die weinig aan de verbeelding overlaten. Af en toe valt hij ook in herhaling. De zoveelste aanvaring tussen Metin en zijn vader, alweer een incident op school: veel toegevoegde waarde heeft het niet. Ook stilistisch zijn er enkele manco’s: het soms plechtige taalgebruik en de gezochte beeldspraak passen niet bij de observaties van een zestienjarige ik-verteller (als zijn vader “een neushoorn nabootst (...)”, lijkt Metin een “jachtluipaard dat de achtervolging op een gazelle inzet”). 

Voor Isik primeert duidelijk het verhaal, en dat bestaat uit verschillende lagen. Wees onzichtbaar is het verslag van een identiteitscrisis die elke puber meemaakt, maar die in een migratiecontext extra vragen oproept. Ben je een Turk als je tot een (weggepeste) etnische minderheid behoort? Waarom vraagt de juf alleen aan de Turkse leerling of hij wel kan fietsen? De referenties aan de jaren tachtig en negentig maken van Wees onzichtbaar ook een levendige tijdskroniek. Metin luistert naar Madonna, adoreert Marco van Basten en kijkt verbluft naar Twin Peaks. Maar bovenal is Wees onzichtbaar – net zoals Verloren grond – een oeroud verhaal van vaders en zonen. Zonen die verlangen naar de aandacht en goedkeuring van de vader, maar die tegelijk zijn blik vrezen. En die tweespalt weet Isik uitstekend zichtbaar te maken.

Delphine Seghers

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed