Antwerpen krijgt museum voor streetart en graffiti

Antwerpen krijgt museum voor streetart en graffiti

Op zaterdag 9 december opent in een oude fabrieksloods in de Antwerpse Damwijk het T.A.G.S.-museum. Die afkorting staat voor The Antwerp Graffiti and Streetart-museum, waarvan graffitikenner en jeugdwerker Arno Arnouts is een van de initiatiefnemers is.

In De Standaard lichte Arnouts zijn project toe: “De loods bestaat uit vier grote ruimtes, twee daarvan werden onder handen genomen door veertig artiesten. Die artiesten vond ik in Antwerpen, maar ook ruimer in Vlaanderen en Nederland. Ook twee Cambodjaanse artiesten kregen een plek op de muur. (...) Ik vond het belangrijk dat alle stijlen naast elkaar aan bod komen in het museum. Zo vinden bezoekers er traditionele graffitiletters, muurschilderingen en kalligrafie.”

Het T.A.G.S.-museum maakt deel uit van Meatpack, een nieuwe muziekclub in een oude schuimfabriek die ook plaats inruimt voor expo’s, creatieve ateliers, een marktplaats en gratis sportgelegenheid voor de buurtjongeren. In De Morgen verscheen een uitgebreid artikel over deze plek.

Eerder dit jaar schreef Dorothee Cappelle in Ons Erfdeel een stuk over de opmars van streetart in Vlaanderen naar aanleiding van The Crystal Ship in Oostend en het Street Art Festival in Hasselt. Zij schreef onder meer:

Bij streetart beperkt het gesprek zich niet tot kunstcritici en andere elites, hij laat het brede publiek onbeschroomd meediscussieren. Streetart plaatst iedereen op gelijke voet, ongeacht achtergrond of interesses, en dat maakt hem voor velen zo aantrekkelijk.

Je kunt het volledige, lichtjes bewerkte stuk hierna lezen.

 

STREETART PLAATST IEDEREEN OP GELIJKE VOET

 

Streetart is – hoe kan het ook anders – zo oud als de straat. Prehistorische holbewoners en Romeinen bezondigden zich al aan graffiti, soldaten en gevangenen laten maar wat graag een naam of datum achter op de muren van hun verblijf en hoeveel studenten hebben geen schunnige opmerking op universiteitsgebouwen gestift? De hedendaagse streetart behelst echter meer dan graffiti. Er zijn niet alleen tags (namen, woorden, typisch voor graffiti), maar ook murals, sjabloonkunst, sculpturen, installaties, stickers … noem maar op. Diversiteit is het codewoord. En kleurrijk, dat is de actuele streetart ook.

Ooit was het anders, maar vandaag is streetart erg hip. Niet alleen bij jongeren, het fenomeen is intussen net zo geliefd bij de media, toeristische diensten, kunstminnende dokters en breiende omaatjes. Er worden zelfs heuse festivals aan gewijd. In de zomer van 2017 kon je bijvoorbeeld in Oostende de tweede editie van het bijzonder populaire The Crystal Ship bekijken. Het Oostendse festival is het grootste Europese evenement in zijn soort. En in Hasselt – dat zichzelf de grootste streetartstad van België noemt – kun je al sinds 2011 terecht voor het wat minder poëtisch klinkende Street Art Festival.

Ricky Lee Gordon op The Crystal Ship in Oostend © Ian Cox, 2017

Waar komt die breed gedragen belangstelling voor streetart vandaan? Is het een modeverschijnsel waar streetwise toerismemedewerkers brood in zien? Of ontpopt streetart zich tot een heuse kunststroming die (de toekomst van) onze cultuur mee kleur en vorm geeft?

Even een duik in de geschiedenis. Wat we nu onder streetart verstaan, ontstond in de jaren 1960 en 1970 in het Westen, was bij uitstek illegaal en wilde vooral politieke en sociale (wan)toestanden aanklagen. Het was een chaotische en opwindende daad van verzet tegen de opkomst van kernwapens en kernenergie, dierenmishandeling in de bontindustrie, hoge werkloosheid, sociale ongelijkheid enz. Er werd vaak (en graag) een kat-en-muisspelletje gespeeld met de ordehandhavers. Artists of writers bleven logischerwijs liever anoniem; de goegemeente beschouwde hen als vandalen. Al kon die goegemeente zich af en toe ook vinden in wat graffitispuiters en -kunstenaars te vertellen hadden. Zo kun je in Hasselt op de brug over de Kuringersteenweg nog steeds “Leve Tijl” zien staan, geen kunst als dusdanig, maar een simpele slogan uit de prille jaren 1970. De spreuk verwijst naar Tijl van Limburg oftewel Mario Roymans, de man die in 1971 met Vermeers De Liefdesbrief aan de haal ging en het losgeld wilde gebruiken om de toenmalige hongersnood in Bangladesh te lenigen. Roymans werd opgepakt in Hasselt, maar het grote publiek was het niet eens met zijn arrestatie. Er werden een aantal acties op touw gezet om hem uit de cel te krijgen, “Leve Tijl” was er daar een van.(1) Graffiti en het volk, ook vroeger vonden ze elkaar al wel eens. Vanaf de jaren zeventig ontwikkelde zich een heuse subcultuur rond streetart, met hiphopmuziek, jams waarop spuiters samen aan de slag gingen en een eigen taaltje vol tags, murals, pieces, crews, beefs … Dadaïsme op speed, zoiets.

Het belang van die subcultuur en van de anonimiteit van de writers vervaagde ietwat in de daaropvolgende decennia. Dat komt enerzijds omdat de boodschap van verzet minder belangrijk werd, de politieke en sociale context veranderden immers vanaf pakweg het midden van de jaren 1980 en in de jaren 1990. Street artists schonken meer aandacht aan het ontwikkelen van een persoonlijke en artistiek kwalitatieve stijl. Ook de publieke opinie veranderde, zij het langzaam. Zowel de gewone mens, de overheid als de ordehandhavers beschouwden graffiti en streetart niet altijd meer per definitie als vandalisme. Ze bleven ertegen strijden in de stadskern, maar een aantal steden – Hasselt op kop – stelde toch ook een plek ter beschikking waar de kunstenaars legaal mochten spuiten. Een enkeling, bijvoorbeeld de uitbater van een jeugdcentrum of een café, vroeg een street artist zelfs al eens om een muur van zijn of haar gebouw onder handen te nemen. Een niet onbelangrijke verschuiving, want tot dan toe koos de writer of street artist zelf het onderwerp en de plek waar hij aan de slag ging. Street artists bleven grotendeels illegaal bezig, maar gooiden de anonimiteit van zich af. Velen kozen voor de roem en hun (schuil)namen of pseudoniemen werden een begrip. Al kreeg de medaille ook een keerzijde. De hang naar roem en de beperkte aanwezigheid van plekken waar legaal gespoten kon worden, zorgden er ook voor dat tags of pieces sneller beklad werd door anderen. Niet zelden brak er een oorlogje uit tussen verschillende crews.

Hyuro op The Crystal Ship in Oostende © Ian Cox, 2017

Vandaag zien we een soort tweedeling binnen de graffiti en streetart. Er zijn nog steeds vandalen die in de achterbuurten van grote steden tekeergaan op leegstaande loodsen en fabriekspanden, elektriciteitscabines, treinstellen en snelwegbruggen, maar er zijn ook heuse kunstenaars die zulke plekken verlaten hebben en hun murals, sculpturen en installaties tonen op erg zichtbare publieke ruimtes in stadskernen, en zelfs in kunstgaleries. Met die laatste willen we verder, de stijl en de werken die zij ontwikkelen zijn best interessant. De ene kunstenaar creëert uit zichzelf en is dus vaak illegaal aan het werk, drie bekende namen zijn de mythische Banksy, de Gentse ROA of de kunstenaar achter de Amsterdamse Saunaman. Anderen zijn erg bedreven in opdrachten, de Gentse Bué the Warrior is er daar een van. Bué duikt met zijn kleurrijke en kinderlijke figuurtjes te pas en te onpas op in het straatbeeld, op zowat elk streetartfestival, in een eigen boek en zelfs op T-shirtsjablonen voor magazines over zelfmaakmode. Dat laatste leidt ons naar een nieuwe vraag. Waar ligt de grens tussen loutere illustratie en heuse kunst binnen de streetart?

Die vraag is net zo moeilijk te beantwoorden als de vraag wat goede kunst is en wat niet, welke kunst de tand des tijds zal doorstaan en welke niet. Er is veel kaf en net zoveel koren. Het feit dat galeries en zelfs kunstencentra aandacht hebben voor het fenomeen en een aantal street artists een podium geven is tekenend. Maar ook de streetart zelf legt meer dan eens de link met de kunstwereld, en wel op verschillende niveaus.

Ten eerste gaan street artists steeds vaker te werk als kunstenaars, ze bereiden alles grondig voor in hun atelier en beschouwen de wereld als hun tentoonstellingsruimte. Ten tweede ontwikkelen velen een persoonlijke stijl, techniekbeheersing en oeuvre die niet moeten onderdoen voor die van hedendaagse tekenaars, schilders of beeldhouwers.

En ten derde, en dit is volgens mij het belangrijkste aspect, een aantal street artists bedt zich inhoudelijk zeer nadrukkelijk in in de bestaande kunstwereld. Bijvoorbeeld door bekende kunstwerken te citeren. Zo plaatste een anonieme Brusselse artist vorig jaar onder andere een zeer duidelijke verwijzing naar Caravaggio’s Het offer van Isaak (1603) op een gevel bij de Vlaamsepoort. In de media brak een felle discussie uit tussen politici én kunstkenners, over de duidelijke kritiek op IS, maar ook over de kunstwaarde van de mural. De meesten waren het erover eens: dit is kunst. Streetart die al deze punten verenigt, is hoe dan ook meer dan loutere illustratie.

De hetze over de kunstwaarde leidt ons naar een nieuwe en net zo interessante vraag. Als streetart kunst is, dan wordt hij expliciet in de openbare ruimte tentoongesteld en niet in de besloten en hoogdrempelige museumwereld. Welke gevolgen heeft dat? Wat kan streetart bereiken dat kunstenfestivals als dat van Watou, de Biënnale van Venetië of de Documenta in Kassel niet kunnen? Streetart is per definitie laagdrempeliger, er hangt nauwelijks een aura rond. Dat helpt om een breder publiek te bereiken, inclusief mensen met een uitgesproken allergie voor alles wat van ver of dichtbij naar musea ruikt. Een van de seksueel getinte werken van de anonieme Brusselse street artist verscheen pal tegenover een school. Dat veroorzaakte minstens zoveel ophef als de recente discussie over de populariteit van Jebroers hitsingle ‘Kind van de duivel’ bij de schoolgaande jeugd. “Obsceen en totaal ongepast!”, volgens de enen; “onze kinderen ontsporen hier heus niet van”, verkondigden de anderen.

Kan streetart iets wat kunst niet kan? Ons expliciet doen nadenken over normen, waarden, wie we zijn en waar we voor staan? Alles ontregelen? Nee. Kunst kan dat namelijk ook, vaak met net zoveel verve – denk aan de rel die Manet’s Olympia veroorzaakte toen het voor het werk eerst te zien was in 1865 of aan Paul McCarthy’s Tree, in 2014 neergepoot op de Place Vendôme in Parijs. Maar bij streetart beperkt het gesprek zich niet tot kunstcritici en andere “elites”, hij laat het brede publiek onbeschroomd meediscussieren. Streetart plaatst iedereen op gelijke voet, ongeacht achtergrond of interesses, en dat maakt hem voor velen zo aantrekkelijk. Dat is ook de citymarketeers niet ontgaan. Ze gebruiken het laagdrempelige en niet elitaire karakter van de straatkunst maar wat graag om er hun eigen karretje aan te hangen.

De hedendaagse streetart en de groeiende aandacht van het publiek ervoor is echter geen modeverschijnsel. De toeristische sector en slimme marketeers wekken wel soms die indruk met hun festivals (waarvan de werken nadien vaak gewoon zichtbaar blijven) en permanente routes om publiek naar hun stad te lokken. Ook in Nederland, trouwens: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en heel wat andere steden organiseren eigen routes. In Amsterdam wordt die drieënhalf uur durende wandeling zelfs Street Art Museum genoemd - als dat niet veelzeggend is.

Streetart is een discipline in volle ontwikkeling die wel eens goed op weg zou kunnen zijn om een eigen plek te veroveren binnen de kunstwereld en ons denken over kunst, presentatieruimte en -wijze voorgoed te veranderen.

Dorothee Cappelle

Noot
(1) Zie o.a. Kurt Bosmans, Street Art Festival, Grafitti & Street Art in Hasselt 1970-2016, vzw Brothers of Mercy, Hasselt, 2016, p. 10.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed