Beleid in tijden van kortzichtigheid: natuur en bos in Vlaanderen

Beleid in tijden van kortzichtigheid: natuur en bos in Vlaanderen

Hoe gaat het met de natuur in Vlaanderen? Er zijn lichtpuntjes, maar in het algemeen is de situatie niet florissant. En met het natuurbeleid? De betonstop – het plan om de schaarse open ruimte te vrijwaren – lijkt goed nieuws, maar evengoed is er reden voor scepsis: regeringen zijn zelden in staat om beleid voor de lange termijn uit te werken. Terwijl dat bijvoorbeeld in het vijftiende eeuwse Venetië nog wel kon – vanuit een welbegrepen eigenbelang.

De Duitse bosbouwingenieur HansCarl von Carlowitz publiceerde in 1713 Sylvicultura oeconomica. Het is een uitvoerig handboek voor de bosbouw uit de (vroeg)moderne tijd, gebaseerd op de toenmalige wetenschappelijke inzichten. Het boek is bij milieuwetenschappers bekend omdat daarin Nachhaltigkeit, duurzaamheid of volhoudbaarheid, als een van de leidende principes voor de bosbouw wordt genoemd. Het boek past perfect in het mercantilistische en vroegmoderne managementdenken: bossen zijn een belangrijk kapitaalgoed. Overheden dienen bossen dus te behandelen als belangrijk nationaal bezit.

Die gedachte is veel ouder. Het meest overtuigende voorbeeld van een dergelijke omgang met de natuur is Venetië, dat ondanks een kwetsbare geografische ligging tussen ongeveer 1400 en 1550 toch de Middellandse Zee domineerde. De Doge en zijn entourage waren zich zeer goed bewust van het belang van een systematisch bosbeleid en vanuit dat bewustzijn handelde men niet erg zachtzinnig. Tot diep in de Alpen en het huidige Slovenië en Kroatië eigende Venetië zich bossen toe. De stad was er in grote mate van afhankelijk: hout was van belang voor de bouw van huizen en boten, voor economie en bewapening, voor het waterbeheer, als energiebron.

Archiefonderzoek laat zien hoe de Venetianen een uitgekiend systeem van bosbouw hadden, gebaseerd op een keurige boekhouding van welke houtsoorten in welke hoeveelheden op welke termijn voor welke functies beschikbaar moesten zijn. Langetermijndenken anno vijftiende eeuw: economisch, militair en politiek geïnspireerd en gebaseerd op een besef van afhankelijkheid. En zoals Von Carlowitz twee eeuwen later opschreef: bosbouw moest niet alleen het hier en nu ten goede komen, maar nachhaltig zijn, duurzaam, met het oog op toekomstige generaties. Die duurzaamheid was niet door ethiek ingegeven, maar vooral door welbegrepen eigenbelang: het utilitarisme van het hier en nu moest worden begrensd door de zorg voor de lange termijn: zelfbeheersing dus. De houtopbrengst van nu gebruiken als intrest? Prima, maar het basiskapitaal van die natuurlijke grondstof moest voor de toekomst behouden blijven. Men was er immers van afhankelijk.

DE MINISTER EN DE CABARETIER

“Een boom heeft ook altijd de functie gehad om gekapt te worden.” Het was een veelbesproken uitspraak van Vlaams minister Joke Schauvliege, onder meer verantwoordelijk voor milieu, natuur en bos – maar ook voor landbouw. Het was mei 2016. De minister lag toen al een jaar voortdurend onder vuur. Eerst publiceerden, in de zomer van 2015, drieënveertig academici een open brief met hun zorgen over het gehele Vlaamse natuurbeleid: gebrek aan ambitie, gebrek aan geld, gebrek aan uitvoering. In september 2015 pakte Wouter Deprez, cabaretier en niet behorend tot de klassieke natuurbeschermers, er één element uit: het kappen van 11 hectare bos in Genk voor de uitbreiding van een transportbedrijf. Hij deed het scherp en hard, inhoudelijk deskundig en via de sociale media. Vlaamse ministers verwijten elkaar via Facebook en Twitter van alles, maar zijn niet erg handig in hun omgang met de tweets van niet-overheidsdienaren. Deprez leek in zijn eentje een commentariërend koor uit een Griekse tragedie: zonder mandaat, belangeloos, goed geïnformeerd en met chirurgische precisie. Hij oogstte veel steun, de minister veel kritiek: vanwege die voorgenomen boskap, vanwege enkele missers in haar argumentatie daarvoor en vervolgens vanwege het niet functioneren van het fonds dat moet dienen om boskap door bosbouw te compenseren. Het Rekenhof bevestigde dit ook in een onderzoek: de boekhouding was geografisch noch financieel in orde. Wat in het vijftiende-eeuwse Venetië kon, bleek anno 2015 in Vlaanderen niet goed te functioneren. Bovendien daalden de overheidsuitgaven voor de aankoop van bos- en natuurgebied in Vlaanderen. Kortom, een minister in de vuurlijn. Ze meed de media ook een poos, kwam pas half mei 2016 weer in een VRT-televisieprogramma en werd daar, overigens veel minder deskundig, opnieuw hard aangepakt.

En dan, eind mei 2016, die controversiële uitspraak: “een boom heeft ook altijd de functie gehad om gekapt te worden”. Feitelijk is dat een historisch juiste vaststelling. Maar Von Carlowitz had eraan toegevoegd: als er maar voldoende blijven staan voor later. En een goede communicatieadviseur had die zin uit het interview gehaald. Van Nachhaltigkeit of duurzaamheid, van een visie voorbij het hier en nu naar het daar en later, was hier geen sprake. En dus viel natuurminnend Vlaanderen nóg een keer over de minister heen. En nog was het dieptepunt niet bereikt.(*)

© Filip Claus

NATUURBESCHERMING: AMBIVALENTE MOTIEVEN

Natuurbescherming als doel op zich is een recent fenomeen. De Duitse milieuhistoricus Joachim Radkau zegt terecht dat alleen samenlevingen die het vraagstuk van honger en armoede hebben opgelost het zich kunnen veroorloven een moerasgebied om louter esthetische redenen te beschermen. Esthetica was overigens maar één van de motieven voor de eerste golf van natuurbescherming, vanaf 1860 in de Verenigde Staten, een paar decennia later in Europa. For the Benefit and Enjoyment of the People, zo staat er gehouwen in een van de toegangspoorten tot Yellowstone Park, een citaat uit de wet waarmee het park in 1872 werd opgericht. President Theodore Roosevelt onthulde de steen in 1903. Van diezelfde Roosevelt bestaan veel foto’s waarop hij, al dan niet in Yellowstone, als trotse jager naast een wellicht door hem geschoten dier prijkt. Het geeft de ambivalentie van de toenmalige natuurbescherming weer: de natuur her en der beschermen, oké, maar vooral voor het nut en het plezier van de mensen. Niet iedereen behoorde trouwens tot die groep: de inrichting van de bekende natuurparken in de Midwest en het westen van de VS ging gepaard met de verplichte en ingrijpende evacuatie van Native Americans. De eerste natuurbescherming was niet alleen antropocentrisch, ze was ook etnisch discriminatoir.

Ook de eerste Europese natuurbescherming, ruwweg tussen 1880-1914, was geïnspireerd door ambivalente motieven. Antimodernisme speelde zeker een rol in een echo van Jean-Jacques Rousseau: natuurgebieden als oases van authenticiteit, plaatsen van poëzie en filosofie, zoals in ons taalgebied te lezen bij Frederik van Eeden. Er was zeker ook wetenschappelijke nieuwsgierigheid: geïnspireerd door Alexander von Humboldt is geijverd voor het inventariseren en beschermen van wat niet door de oprukkende modernisering verloren mocht gaan. Dat gold voor Europa, maar het gold zeker voor de exotische natuur van de koloniën. De argumenten en strategieën waarmee koloniale mogendheden natuurgebieden hebben ingericht in hun toenmalige overzeese gebieden zijn dan ook een merkwaardige mengeling van verheven emancipatoire motieven, academische belangstelling en platvloerse economische en politieke onderdrukking van de lokale bevolking.

De tweede Europese golf van natuurbescherming liet even op zich wachten: men was druk in de weer met oorlog en armoede. Die tweede golf loopt min of meer gelijk met het vanaf 1970 opkomende milieubesef. Vooral de aantasting van natuur, landschap en open ruimte door stedenbouw, verkeer en industrie riep verzet op. In Vlaanderen zijn onder meer veldslagen geleverd over het geplande duwvaartkanaal Oelegem-Zandvliet en de A24 door Limburg. De natuur of in elk geval het waardevolle landschap moest opnieuw worden beschermd tegen oprukkende modernisering. De meeste veldslagen werden verloren, soms met uitstel. Aarzelend kwam er iets als natuurbeleid tot stand.

© Michiel Hendryckx

NATUUR: WAT IS DAT EIGENLIJK?

Intussen had men in Europa goed in de gaten dat die natuur al lang niet meer “ongerept” was. Dat geldt zeker voor Vlaanderen: eindeloos door oorlogen omgewoeld, sinds eeuwen voor steden en verkeer verhard, sinds twee eeuwen voor industrialisatie ingericht, en sinds een halve eeuw voor industriële voedselproductie ingezet. Wat er toen nog over was, werd ondanks die veldslagen volgebouwd. Van ruimtelijke planning, laat staan van zelfbeheersing met het oog op de lange termijn was geen sprake. De natuur heeft daardoor geen ruimte meer.

Ook elders in Europa is men de afgelopen decennia anders gaan denken over natuur en de bescherming daarvan. Net als ten tijde van Von Carlowitz spelen wetenschappelijke inzichten daarbij een cruciale rol. Ik noem drie punten – ruimte, kwaliteit en biodiversiteit – en kom dan via een vierde – ecosysteemdiensten – weer vlak bij Von Carlowitz uit.

Natuurreservaten blijven van groot belang: het zijn de vindplaatsen en voorraadkamers van grote biodiversiteit, van bijzondere soorten en habitats. Daarvoor moet ruimte worden gereserveerd. Maar juist waar bevolkingsdichtheid, intensieve landbouw, industrie en verkeer grote druk op ruimte en milieu leggen, moeten ook buiten die reservaatgebieden verdere verharding, verstedelijking en versnippering worden tegengegaan. Positief geformuleerd: de open ruimte moet worden gevrijwaard en er moeten buffers en verbindingszones voor migrerende soorten worden aangelegd. Natuurbeleid is dus deels ruimtelijk beleid. Ten tweede: die gebieden moeten van een zodanige milieukwaliteit zijn – fysiek, chemisch en biologisch – dat daar natuur kan blijven bestaan. Natuurbeleid is dus deels milieubeleid: zorg voor de kwaliteit van water, lucht en bodem. En ten derde: de natuur, een gigantisch, complex en delicaat systeem, is het meest robuust en veerkrachtig als er een grote variatie aan soorten – biodiversiteit – is. Natuurbeleid is dus deels soortenbeleid: soorten planten, dieren en habitats. Geen homogeniteit, maar variatie.

Net als anderen ben ik sceptisch over de kansen op succes voor natuurbeleid dat alleen door ethische, esthetische of wetenschappelijke motieven wordt gedreven. Welbegrepen eigenbelang is een veel sterker motief. Voor de natuur geldt, wat voor bossen geldt: we hebben ze nu en in de toekomst nodig, we zijn ervan afhankelijk. Dat inzicht botst met de pretentie dat we door de modernisering onafhankelijk van de natuur zijn geraakt, dat een boom zonder meer gekapt mag worden. Een relatief nieuw begrip in natuurbeschermingsland gaat recht tegen die veronderstelling in: ecosysteemdiensten. De kern ervan is zeer feitelijk en eenvoudig: de natuur, het ecosysteem levert ons vanzelf en voor niets allerlei diensten zoals zuurstof, water, voedsel, grondstoffen, een beschermende ozonlaag en vele andere. Die ecosysteemdiensten zijn, net als de bossen van Von Carlowitz, kapitaalgoederen, die dus bescherming van de autoriteiten verdienen. Ook hier zouden die autoriteiten hun kortetermijnbelangen moeten laten begrenzen door de bescherming op lange termijn van die onmisbare ecosysteemdiensten. Het gat in de ozonlaag, de klimaatverandering en al die andere milieuvraagstukken laten zien hoe essentieel die diensten zijn, hoeveel ze waard zijn. Misschien kun je er ook een prijs op plakken? Misschien vormt het economisch waarderen – en beprijzen – van de natuur nog de beste bescherming?

© Filip Claus

NATUUR BESCHERMEN? JA, MAAR NIET IN MIJN ACHTERTUIN

Vlaanderen heeft het geweten, toen van 1990 tot 2003 onder de ministers Theo Kelchtermans (christendemocraat) en Vera Dua (groene partij) met de zogeheten Groene Hoofdstructuur werd gewerkt aan de ruimtelijke kant van het Vlaamse natuurbeleid. Zolang het bij woorden bleef: prima. Maar zodra de plannen op een kaart verschenen, ontstond er een gelegenheidscoalitie van boeren en grondbezitters, van christendemocraten, liberalen en Vlaams-nationalisten, van jagers en vastgoedontwikkelaars, van huisvaders en speculanten: zij zagen in het reserveren van grondgebied voor natuur, voor “natuurontwikkeling en -verweving” een volstrekt onaanvaardbare beperking van de vrijheid. Natuur, prima; maar niet in mijn achtertuin, “niet op mijn grond”. Die moet immers dienen for the benefit and enjoyment of my people. Ruimte – en natuur – kregen hier uitsluitend een private en kortetermijnbetekenis. Collectief belang en de lange termijn waren geen reden voor zelfbeheersing. Het ruimtelijke deel van het natuurbeleid werd getorpedeerd, de politieke inzet van het natuurbeleid bleek te hoog.

Het verdriet van Vlaanderen over die natuurontwikkeling is in een heel andere gedaante opgedoken in Chris de Stoops boek Dit is mijn hof (2015). De kernboodschap van De Stoops gedramatiseerde documentaire is zijn boosheid dat het landbouwland, voor hem het enige echte cultuurlandschap, zo niet de enige “echte natuur” waarmee hij en zijn familie zich sinds generaties verbonden weten, prijs moet worden gegeven aan “natuurontwikkeling”. Dat vergt maatregelen die ingaan tegen elk gezond boerenverstand: het grondwaterpeil laten stijgen, goede grond laten verschralen, houtopstanden kappen. Met grote afkeer constateert hij dat die maatregelen ingegeven worden door zogenaamde natuurdoelstellingstypes, instandhoudingsdoelstellingen en andere neologismen en uitwerkingen van het Europese natuurbeleid.

De Stoop klaagt terecht over de managementtermen waarin het Europese natuurbeleid ook in Vlaanderen is gegoten: met kwantificeerbare doelstellingen en indicatoren voor soortenrijkdom, habitat en biodiversiteit. Daardoor is controleerbaar of die doelen zijn gehaald en is dus te bepalen of het geld wordt uitbetaald of teruggevorderd. Natuur is onderdeel van het new public management geworden, uitgevoerd in miljoenencontracten tussen overheden en organisaties voor natuurbeheer.

Dat dreigt behoorlijk technocratisch en elitair te worden, het sluit zeker niet aan op voor “gewone mensen” herkenbare natuur, en het contrasteert fel met De Stoops romantische opvatting over natuur- en landschapsbescherming, als een bijna vanzelfsprekend bijproduct van de landbouw.

Maar De Stoop wordt pas echt boos als hij vaststelt dat de natuurorganisaties dit “op zijn hof” gerealiseerd krijgen door een voorafgaand herenakkoord met de havenautoriteiten over de natuurcompensatie van iedere voortaan aangetaste vierkante meter. Het gebied ten westen van de Antwerpse haven is daardoor een tussen economie en ecologie gepacificeerd gebied, met de boeren als buitenstaanders en natuurbeheerders als nieuwe heren. De Stoop maakt goede punten. Maar eigenlijk gaat het hem om de bescherming van bepaalde landbouwpraktijken. En hij heeft ronduit ongelijk als hij “de” natuurorganisaties en hun experts verantwoordelijk houdt voor de achteruitgang van de landbouw in Vlaanderen. De Stoop tast mis bij het generaliseren van zijn persoonlijke verhaal en kiest vanuit zijn even onverwerkte als begrijpelijke verdriet een verkeerde tegenstander.

NATUUR IN VLAANDEREN: ACHTERBLIJVENDE AMBITIES

Hoe is het trouwens met die Vlaamse natuur? Een antwoord op die vraag hangt af van wat je onder natuur verstaat, wat je daarvan wilt beschermen en waarom. Daar denken boeren, ambtenaren, natuurbeheerders en wetenschappers bepaald verschillend over, laat staan zondagse wandelaars en gepensioneerde fietsers op e-bikes. Maar we hebben op Europees en Vlaams niveau afspraken gemaakt over wat waardevol is en hoe dat te beschermen. Er is Europees en internationaal ook afgesproken hoe we de stand van de natuur bepalen en daarover rapporteren. In Vlaanderen speelt het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek daar een cruciale rol in, naast allerlei inventarisaties door vlinderaars, vogeltellers en bosspecialisten. In de Natuurrapporten zijn lange lijsten en tijdreeksen van vele tientallen indicatoren te vinden, ook van de natuurbeleving van “gewone mensen”.

Op basis van die lange lijsten is de conclusie helder: de stand van de natuur in Vlaanderen is niet florissant. Sterker, het gaat niet goed met de natuur in Vlaanderen. Natuurlijk kan die oneliner eindeloos genuanceerd en gespecificeerd worden: met hoeveelheden watervogels, dagvlinders en zoetwatervissen, met oppervlakten beheerd natuurgebied en toegankelijke bossen, met maatregelen inzake ontsnippering en stikstofdepositie. Maar de conclusie wordt niet anders. Het is waar, het aantal beschermde natuurgebieden en hun oppervlakte is de afgelopen decennia toegenomen. Afhankelijk van hoe je omgaat met de diverse beschermingsregimes en hun overlap valt ongeveer 100.000 tot 120.000 hectare in Vlaanderen onder een regime van natuurbeheer. Maar bijna vijftien jaar na de daarvoor wettelijk voorziene datum is weliswaar 74 procent van het Vlaams Ecologisch Netwerk afgebakend, maar slechts 3 procent van het Natuurverwevingsbied. Deze begrippen hebben de nomenclatuur van de Groene Hoofdstructuur vervangen – en afgezwakt. Anders gezegd: met het aanwijzen van kernnatuurgebieden, de vroegere “reservaten”, lukt het nog redelijk, met de verbindingen daartussen lukt het nauwelijks.

Met deze ruimtelijke aspecten van het natuurbeleid hebben we het goede nieuws al ongeveer gehad. Binnen de beschermde gebieden is de kwaliteit van de natuur zeer wisselend: met sommige soorten gaat het goed, maar meer dan de helft van de “soorten van Europees belang” verkeert in een “zeer ongunstige staat van instandhouding”. De diversiteit van de Vlaamse natuur is dus slecht. Buiten die gebieden is de kwaliteit van de natuur kritisch tot negatief. Dat heeft alles te maken met het derde aspect van natuurbeleid: de weliswaar verbeterde, maar nog altijd slechte kwaliteit van water en lucht. Vooral inzake fosfaat, nitraat en fijnstof overtreedt Vlaanderen de Europese regels. Dat is ongezond voor de mens en de overige natuur.
Die slechte toestand is geen toeval, en ook niet aan één minister te wijten. Sinds 2004 zijn in Vlaanderen regeringen aan de macht die van milieu en natuur geen prioriteit maken. Dat staat ook in hun regeringsverklaringen, verwoord als: “we gaan niets meer doen dan wat Brussel oplegt”. Feitelijk gebeurt er nog minder. Ten eerste zijn, zoals al aangegeven, de budgetten verlaagd. Ten tweede worden veel Europese verplichtingen, bijvoorbeeld inzake luchtkwaliteit, fosfaat, nitraat en fijnstof aantoonbaar niet nageleefd. En als Brussel te streng dreigt te worden, zoekt men zijn toevlucht tot complexe en onontwarbare convenanten die eigenlijk alleen als doel hebben alle betrokkenen tevreden te houden, de status quo te handhaven en bij de EU zes tot twaalf jaar uitstel te bewerkstelligen. De zogeheten Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is het recentste voorbeeld van zo’n schijnmanoeuvre. Ten derde: wat geen prioriteit heeft, wordt slecht geadministreerd. Het wekt dus geen verbazing dat de regelingen voor boscompensatie voor het Rekenhof niet door de beugel kunnen, dat daarvoor de expertise, de organisatie en de administratie onvoldoende zijn. De bos- en natuurorganisaties hebben, al was het vanwege hun contractuele verplichtingen, hun administratie beter op orde dan de Vlaamse overheid. Dat alles maakt welke minister ook erg kwetsbaar.

© Filip Claus

VAN KORTZICHTIGHEID NAAR DE LANGE TERMIJN?

In de Vlaamse ruimtelijke ordening lijkt recentelijk een nieuwe wind te waaien. Mede onder invloed van de Vlaamse Bouwmeester heeft de Vlaamse regering een zogeheten betonstop aangekondigd. De ambtenaren van het departement Ruimte Vlaanderen zijn actiever dan ooit met inventarisaties, studies en rapporten. De kern van het voornemen: de schaarse open ruimte in Vlaanderen vrijwaren, zelfs weer vergroten, door allerlei verspreide nieuwbouw bijvoorbeeld in al die verkavelingen buiten de kernen met vaak obsceen grote percelen, tegen te gaan en zelfs te verbieden. De pendant van dat doel is de steden en andere kernen dichter, compacter te bebouwen.

De meeste argumenten achter deze zogeheten betonstop zijn al decennia bekend: Vlaanderen is verrommeld en lelijk, Vlaanderen kent geen scheiding tussen stad en platteland. Die verspreide bewoning leidt tot onnodig veel verkeer en vervoer en tot nodeloos hoge kosten voor de collectieve infrastructuur: van energienetten tot riolering, van postbedeling tot openbaar vervoer. Toch zijn er ook twee nieuwe argumenten. Het eerste is klimaatverandering: compacter wonen opent meer perspectieven voor minder en duurzamer energiegebruik voor huishoudens en verkeer. Ook de klimaatverandering kan beter het hoofd geboden worden. Door compacter te wonen kunnen overstromingsrisico’s en stedelijke hitte worden beperkt.

Het tweede “nieuwe” argument is niet echt nieuw, maar slaat kennelijk nu pas aan: de open ruimte is een collectief goed en van belang voor de toekomst. Alleen een open ruimte kan als ecosysteemdienst functioneren. Aantasting daarvan heeft dus een prijs en die prijs moet worden betaald: bouwen op het platteland moet het liefst verboden, zo niet flink duurder worden. Het is Von Carlowitz in een nieuwe gedaante. Ik ben verrast dat die gedachte nu tot in de hoogste regeringskringen schijnt te zijn doorgedrongen – dat is meer dan goedbedoelende architecten, planologen en de natuurbeweging ooit voor elkaar hebben gekregen. Tenminste, men zegt mij dat belangrijke ministers ervan gecharmeerd zijn. Het recente Beleidsplan Ruimte Vlaanderen bevat dan ook een ambitieus plan over hoe die betonstop tegen 2050 inhoud en vorm moet krijgen. Geboden, verboden en financiële instrumenten worden daarbij niet geschuwd. Geen soft policy: de Vlaamse regering volhardt – met woorden – in het van haar bekende jakobijnse denken.

VAN DE LANGE TERMIJN TERUG NAAR DIE ENE KAART

Het behoeft geen betoog dat de betonstop voor de natuur in Vlaanderen zeer welkom is, zelfs noodzakelijk. Vlaanderen zou weer open ruimte krijgen en een aantrekkelijker woon- en leefklimaat. Toch ben ik sceptisch en wel om twee redenen. Ten eerste vanwege die lange termijn: regeringen zijn zelden in staat beleid over tien, laat staan tientallen jaren uit te zetten en vol te houden. De waan van de dag, de hype van de week, de investering van het jaar vergen alle aandacht. Als de Vlaamse regering dossiers als Uplace (een grootschalig “winkel- en belevingscentrum” aan de rand van Brussel) en Oosterweel (het plan om de Antwerpse Ring helemaal rond te maken om het verkeer vlotter te laten verlopen) niet voor elkaar krijgt, hoe moet het dan met de betonstop? Bovendien versterkt de cyclus van verkiezingen en regeringswisselingen de discontinuïteit. De Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft recentelijk gerapporteerd over de institutionele, wettelijke, budgettaire en organisatorische voorwaarden die nodig zijn om langetermijnbeleid succesvol te maken. Klimaatverandering is daar het voorbeeld, maar de Vlaamse betonstop vergt vergelijkbare voorwaarden. Zoals ik het nu waarneem, is geen daarvan in Vlaanderen vervuld. 

Eén van die voorwaarden is mijn tweede reden voor scepsis: terwijl iedereen dacht dat de minister van Milieu, Natuur, Bos en Landbouw intussen door de diepste crisis was gegaan, kwam daar in mei 2017 nog een grotere crisis bovenop: de boskaart. Samengevat: het voornemen was om bossen die liggen in gebieden met andere bestemmingen (bouwgrond, industriegebied e.a.) toch te beschermen. Het gaat ocharme om twaalfduizend hectaren zogenaamd zonevreemde bossen – dat begrip zelf geeft al de modernistische pretentie aan dat we de ruimte homogeen kunnen ordenen. Veel of weinig, hun bescherming vergt een gedeelde en werkbare definitie van wat een bos is, een betrouwbare inventarisatie van wat er waar aan bos staat, en de omzetting van die gegevens op een kaart. Na veel getrek en geduw binnen de Vlaamse regering, mede als gevolg van tien keer zoveel gelobby daaromheen, werd de kaart half mei 2017 gepresenteerd. Onmiddellijk brak het verzet los, wellicht een goed georganiseerde campagne: oude data, feitelijke fouten, verkeerde geografische coördinaten en vooral dreigend financieel verlies waren de aanleiding voor een gelegenheidscoalitie van ondernemersorganisaties, middenstanders, boeren, huisvaders en anderen. De kaart werd à la minute ingetrokken, het was de zoveelste partijpolitieke rel. Die laatste vind ik weinig interessant. Van meer belang is dat met die boskaart veel minder natuur beschermd werd dan destijds met de Groene Hoofdstructuur. De ambities worden dus minder en nóg wordt het plan afgeschoten: door een door de Vlaamse regering zelf georganiseerd gebrek aan expertise, administratieve capaciteit en politieke wil. Dat maakt mij sceptisch over de betonstop 2050. En over de natuur? Wat zei u? Natuur?

PIETER LEROY
Hoogleraar Milieu en Beleid bij de sectie Geografie, Planologie en Milieu van de Radboud Universiteit

Noot
Jan Pauwels, woordvoerder van Vlaams minister van Omgeving, Natuur en Landbouw Joke Schauvliege, reageerde als volgt op dit artikel:

Geachte professor,

In het laatste nummer van Ons Erfdeel publiceert u een artikel over Beleid in tijden van kortzichtigheid. Natuur en bos in Vlaanderen. Ik kopieer volgende passage over Vlaams minister Joke Schauvliege op p. 46:

“En dan, eind mei 2016, die controversiële uitspraak: “een boom heeft ook altijd de functie gehad om gekapt te worden”. Feitelijk is dat een historisch juiste vaststelling. Maar Von Carlowitz had eraan toegevoegd: als er maar voldoende blijven staan voor later. En een goede communicatieadviseur had die zin uit het interview gehaald.”

De beoordeling van de communicatieadviseur staat u vrij. Het citaat is echter onvolledig en uw suggestie voor aanvulling is precies datgene wat u zelf heeft weggelaten.

Joke Schauvliege in De Zondag, 29 mei 2016, p. 8: “En wat vaak vergeten wordt in deze discussie, en dat klinkt misschien raar, maar een boom heeft ook altijd de functie gehad om gekapt te worden. Een boom kan niet eeuwig blijven staan. Maar je moet dat verantwoord doen en ervoor zorgen dat je bosbestand intact blijft”

De beoordeling door de communicatieadviseur luidt: een goede hoogleraar citeert correct, zeker in langere essays die ‘kortzichtigheid’ in de titel dragen.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed