Bij de start van het WK... - En ce début de Championnat du Monde…

Bij de start van het WK...  -  En ce début de Championnat du Monde…

Vandaag gaat in Rusland het WK voetbal van start. Voor de voetballiefhebber wordt het een maand om naar uit te kijken, alle anderen zullen hun ergernis moeten verbijten. Een rechtsreeks verband met de Franse Nederlanden is er ook niet, of het zouden drie spelers moeten zijn die uit deze streek afkomstig zijn. In de Franse nationale ploeg is dat Benjamin Pavard (afkomstig uit Maubeurge) en Raphaël Varane die in Rijsel is geboren. Bij de Rode Duivels is Leander Dendoncker de enige speler die uit de Westhoek afkomstig is (Passendale). Twintig jaar geleden was dat wel anders, want toen had het WK in Frankrijk plaats en werden er verschillende matchen gespeeld in het Bollaertstadion van R.C. Lens.

Over deze legendarische club kunt u in het volgende nummer van het jaarboek De Franse Nederlanden een heerlijk stukje mentaliteitsgeschiedenis lezen. Laurent Brassart, historicus en docent aan de universiteit van Rijsel, gaat na wat het betekent het supporter te zijn van Racing Club de Lens. Voor hem is 9 mei 1998 een van de belangrijkste dagen uit zijn leven: de dag dat Lens kampioen werd van Frankrijk. Hij beschrijft ook hoe het komt dat ondanks de slechte resultaten die de club de laatste jaren behaald, de supporters toch trouw op post blijven. Het is niet voor niets dat zij uitgeroepen zijn tot beste supporters van Frankrijk.

Bij wijze van voorbereiding op het komende WK en om u zin te doen krijgen in het volgende jaarboek kunt u hieronder de inleidende paragraaf lezen van de bijdrage van deze enthousiaste voetbalsupporter:

“Mijn voetbalkundig leven begon op een speelplaats aan het eind van de jaren zeventig. Voetbal was 
daarmee voor mij eerder een spel dan een sport, dat ik zonder noemenswaardig succes voortzette in 
de kleine club in een stadje in Picardië. Ik herinner me dat de meesten van mijn ploeggenoten tijdens 
de training voetbalshirts droegen in de groene kleuren van Saint-Etienne of het kanariegeel van FC Nantes. 
Indertijd had ik geen persoonlijke voorkeur. Enige tijd later zwichtte ik definitief voor de charmes van het 
voetbalspektakel, tijdens de collectieve nationale tragedie van die hete nacht in 1982 in Sevilla waarbij 
een Franse Carmen het tegen een Duitse stierenvechter opnam in de halve finale van de wereldbeker. Deze 
traumatische dag zou de rol van inwijdingsceremonie spelen die de voetballiefde van in ieder geval heel mijn 
generatie in één keer deed ontvlammen. In Picardië was er echter geen enkele grote regionale club te vinden 
waarop ik mijn ontluikende passie kon richten. Toegegeven, de groeiende aandacht in de media voor voetbal in 
de jaren tachtig maakte het mogelijk veel briljante teams van elders te leren kennen: FC Nantes, Girondins 
de Bordeaux, het Juve van Platini en Boniek, het Milan van Gullit en Van Basten of het Napels van Maradona. 
Ik hield van al deze clubs en spelers, maar zonder dat er sprake was van een daadwerkelijk gepassioneerde 
relatie. Kortom, niets duidde erop dat ik supporter van een specifieke club zou worden en al helemaal niet van 
Racing Club de Lens (RCL).
Na de “supportersrevolutie” in de jaren zeventig in Groot-Brittannië en Italië, kreeg een gehele generatie 
Franse jongeren – de mijne – gedurende het cruciale decennium van de jaren tachtig een ware fascinatie voor 
voetbal. Deze fascinatie had niet enkel betrekking op de kwaliteit van de wedstrijd, maar ook op het nieuwe 
spektakel dat men op de tribunes aantrof en daaromheen. Laten we eerlijk zijn over het feit dat noch het 
Heizeldrama in 1985 noch dat van Hillsborough in 1989 de soms ongezonde nieuwsgierigheid van velen onder 
ons voor verhitte tribunes heeft geremd. Na de punker van de jaren zeventig, die we door onze jonge 
leeftijd niet goed kenden, ontstond een nieuw soort rebel: de ultra. Het flamboyante van de Italiaanse 
tribunes met de theatraliteit van hun tifo’s en rookbommen enerzijds en de koren die klinken van de 
afgeladen Engelse terraces (staantribunes) anderzijds, oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit 
op voetbalgekke jongeren in de jaren tachtig en negentig.

Dit was de context waarbinnen Racing Club de Lens mijn leven binnenkwam….” 

(Fragment artikel Laurent Brassart, "Hoe ik supporter van Racing Club de Lens werd (en ben gebleven). 
Zelfanalyse van een partijdige passie", in De Franse Nederlanden -Les Pays-Bas Français, 2018)

                                                       

Dans quelques heures sera donné le coup d’envoi du Championnat du Monde de football en Russie. Pour l’amateur de foot, un mois de réjouissances, tous les autres n’auront qu’à prendre leur mal en patience. Il n’existe aucun lien direct avec les Pays Bas français, si ce n’est que trois des joueurs sélectionnés sont originaires de cette région. Dans l’équipe nationale française, Benjamin Pavard est né à Maubeuge et Raphaël Varane a vu le jour à Lille. Chez les Diables rouges, Leander Dendoncker est le seul qui ait ses racines dans le Westhoek (Passendale). Il y a vingt ans, le lien entre la région et le Championnat du Monde était beaucoup plus intense, puisque la compétition avait lieu en France et que plusieurs matchs ont été disputés au stade Bollaert du R.C. de Lens.

Les annales Les Pays-Bas français proposent dans le prochain numéro un merveilleux bout d’histoire des mentalités à propos de ce club légendaire. Laurent Brassart, historien et enseignant à l’université de Lille, y décrit ce que signifie d’être supporter du Racing Club de Lens. Pour lui, le 9 mai 1998 est une des dates les plus importantes de sa vie : ce jour-là, Lens remporta le titre de champion de France. Il explique également pourquoi les supporters restent si fidèles et présents malgré les mauvais résultats des dernières années. Ce n’est pas sans raison qu’ils ont été élus meilleurs supporters de France.

En guise d’amuse-gueule pour la grande fête du foot à venir, mais aussi du prochain annuaire que vous attendrez dès lors avec impatience, voici le paragraphe d’introduction de l’article sorti de la plume d’un fervent supporter: 

"Je suis né  au football dans une cour de récréation de la fin des années 70. Ce n’était alors pour moi 
qu’un jeu – davantage qu’un sport -, dont la pratique s’est poursuivie, sans brio, dans le petit club d’un 
bourg de Picardie. Je me souviens alors que les maillots les plus portés à l’entraînement par mes équipiers 
étaient ceux, verts de Saint-Etienne ou canari du FC Nantes. Moi je n’en avais alors aucun de particulier.
Je suis tombé dans la séduction du football-spectacle un peu plus tard, au cours de la tragédie nationale 
collective de cette chaude nuit sévillane d’une demi-finale de coupe du monde en 1982 disputée entre une 
Carmen française et un toréador allemand. Ce jour traumatisant joua le rôle d’une cérémonie initiatique à 
la passion footballistique au moins pour toute ma génération. Mais, depuis la Picardie, il n’évoluait aucun 
grand club régional sur lequel reporter de l’affectif et projeter la passion naissante pour le football-spectacle. 
Certes la médiatisation croissante du football dans les années 80 permettait bien des processus d’identification 
à de brillantes équipes d’ailleurs : le FC Nantes, les Girondins de Bordeaux, la Juve de Platini et Boniek, le 
Milan de Gullit et Van Basten ou le Naples de Maradona. Je les aimais toutes, ces équipes et ces joueurs, mais 
sans que ne naisse pour autant un parti-pris passionnel. Bref, rien n’était joué pour que je devienne 
supporter d’un club et encore moins du RCL.

À la qualité du match sur le terrain s’ajouta au cours de cette décennie 80 si décisive la fascination de 
toute une génération de jeunes – la mienne - pour le nouveau spectacle des tribunes et son corollaire 
« la révolution du supportérisme », telle qu’elle était apparue en Grande-Bretagne et en Italie dans les 
années 70. Et, ayons l’honnêteté de reconnaître que ni la tragédie du Heysel en 1985 ni celle de Hillsborough 
en 1989 ont entamé la curiosité parfois malsaine de beaucoup d’entre nous pour les tribunes incandescentes. 
Aux punks de la fin des années 70 qu’encore trop jeunes nous n’avions pu connaître succédait un nouveau modèle 
de rebelle : l’ultra. D’un côté, la flamboyance des tribunes italiennes, leur théâtralité servie par la 
chorégraphie de leurs tifos et de leurs fumigènes, de l’autre les chœurs qui s’élevaient de ces terrace 
(tribunes debout) anglaises archi bondées, exercèrent un incontestable pouvoir de fascination sur les jeunes 
passionnés de football des années 80-90.

C’est dans ce contexte que le Racing Club de Lens survint dans ma vie..."

(Extrait de l'article de Laurent Brassart, "Comment je suis devenu (et je suis resté) un supporter du Racing 
Club de Lens. Essai d’autoanalyse d’une passion partisane.", dans De Franse Nederlanden -Les Pays-Bas Français,
2018.)

Deze artikels interesseren je wellicht ook: