De man aan het venster: schilder, chroniqueur en ‘beeldekensmaker’ Edgard Tytgat in Museum M

De man aan het venster: schilder, chroniqueur en ‘beeldekensmaker’ Edgard Tytgat in Museum M

De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. In tegenstelling tot vele kunstenaars die graag op de voorgrond treden, stond de Brusselse kunstenaar Edgard Tytgat (1879-1957) liever in de coulissen. Van daaruit sloeg hij het schouwspel nauwkeurig gade, om het op zijn eigen poëtische manier in een persoonlijk schouwtoneel opnieuw vorm te geven. Met een langverwachte retrospectieve brengt Museum M in Leuven de “sprookjes” van Tytgat opnieuw tot leven. De tentoonstelling Herinneringen aan een geliefd venster is te zien van 8 december 2017 tot 8 april 2018. In Ons Erfdeel 4/2017 schreef Lieven Van Den Abeele een fraai stuk over Tytgat, dat je hierna kunt lezen.

Toen Marc Chagall, een artistieke geestverwant, op 20 juni 1926 ontvangen werd in het kunstenaarsdorp Afsnee (bij Gent), gebeurde dit met alle egards die hij verdiende. De chroniqueur van dienst was Edgard Tytgat, die in Souvenir d’un dimanche (1926) het gebeuren precies heeft vastgelegd. Kort voor de middag komt het artistieke gezelschap per boot op de Leie aan bij het buitenhuis van galerijhouder Paul-Gustave van Hecke. Aan de luifel wappert de Gentse vlag (een zilveren leeuw op zwarte achtergrond), die ter gelegenheid van deze feestelijke dag werd uitgestoken. Want, zo wordt gezegd, “de Gentenaars hangen graag de beest uit”. De glazen staan klaar en de grammofoon verwelkomt samen met de hond het bonte gezelschap.

Terwijl de gastheer zijn gasten staat op te wachten, is de eerste boot al aangemeerd en wordt de lieftallige Norine, die in Brussel haar eigen modezaak uitbaatte, door de schilder Hippolyte Daeye, in wit pak, over de loopplank aan land gebracht. Om veilig aan te meren wordt de boot door Léon De Smet, nog een schilder, vakkundig bijgestuurd. De tijd van het manoeuvre wordt door diens vrouw benut om haar make-up snel wat bij te werken. En achteraan, op de plaats vanwaar men het mooiste zicht heeft, zit Chagall te blinken. Zijn vrouw Bella inspecteert vluchtig zijn zondagse pak en veegt nog snel een pluisje weg. Vooraan zitten de schilder Frits Van Den Berghe en de beeldhouwer Oscar Jespers hevig te discussiëren. Aan wal demonstreert Gust De Smet hoe kunstenaars bedreven zijn in het boogschieten. In de verte is een tweede boot genodigden in aantocht. Een eenzame fietser is de enige getuige van dit vrolijke spektakel. Of toch niet. Aan het raam van de bovenkamer van het landhuis troont de schilder. Met het pallet in de aanslag overschouwt hij het schouwspel dat door hem wordt vastgelegd.

Souvenir d'un dimanche / Herinnering aan een zondag, 1926, olieverf op doek, 116.5 x 89 cm, Musuem D'hondt-Dhaenens, Deurle

Zoals anderen voor de herinnering een foto maken, schildert Tytgat een schilderij. Een tafereel, niet zoals het was, maar zoals hij het met de rijke verbeeldingskracht die hem eigen was, gezien heeft: spontaan, naïef en speels. En het venster is zijn lens. Het staat tussen de waarneming en de weergave in. De Belgische schilder en essayist Albert Dasnoy noemde hem “de man aan het venster”:

“Installé à sa fenêtre dès son enfance, Tytgat y resta toute sa vie”.

Ook de kunstenaar zelf heeft het over het geluk dat een venster schenken kan:

“Une fenêtre, quel bonheur. C’est par la fenêtre en effet qu’on respire et qu’on inspire. C’est de là-haut, du haut de ma fenêtre, que j’ai tâché de donner les impressions que je ressentais.”
(Welk geluk schenkt een venster! Aan het venster ademt en verademt men. Daar, boven bij het venster, heb ik getracht al die indrukken weer te geven”.)

Edgard Tytgat werd in Brussel geboren uit Vlaamse ouders die zich kort daarna in Brugge gingen vestigen. Zijn wonderlijke wereld gaat terug op zijn kinderjaren in Brugge en de fascinerende werkzaamheden van zijn vader, die er prentenmaker was. Uit zijn onbekommerde Brugse tijd herinnerde Tytgat zich vooral het circus en de kermismolens.

Hoewel hij zich voor de Eerste Wereldoorlog had aangesloten bij de Brabantse fauvisten, had Tytgat meer belangstelling voor de strakke composities van Cézanne dan voor de felle kleuren van de Franse wilden. Van groter belang was zijn hechte vriendschap met de schilder en beeldhouwer Rik Wouters, met wie hij in Watermaal (bij Brussel) een atelier deelde. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Wouters eerst gemobiliseerd, later kwam hij terecht in Nederland. Edgard en zijn jonge vrouw weken uit naar Londen, waar hij overleefde dankzij zijn grafische werk. Tytgat en Wouters zouden elkaar niet meer terugzien. Wouters overleed in 1916 in Amsterdam, op jonge leefttijd.

In de jaren twintig behoorde Tytgat tot de groep Vlaamse expressionisten die de al genoemde P.G. van Hecke rondom zich verzameld had via het tijdschrift Sélection en de gelijknamige Brusselse kunstgalerij. Maar ook hier bleef de Brusselaar met zijn specifieke stem een buitenbeentje. Voor de ontwikkeling van zijn eigen stijl liet hij zich meer leiden door volkse verhalen en populaire prenten dan door de avant-gardistische vormexperimenten van kubisten, futuristen of expressionisten. Gemakshalve werd en wordt Tytgat soms naïef genoemd. Ten onrechte, vond hij zelf, ook al doelde men hiermee op de eenvoudige lineaire stijl van deze charmante verteller, zijn ontwapenende poëzie en zijn kinderlijke blik:

“C’est à force d’entendre et de lire dans les critiques la conservation de mon âme d’enfant, que j’ai fini par accepter avec bon augure cet argument, comme un compliment.”

Zijn onderwerpen vond Tytgat in zijn directe omgeving. De eenvoud van het dagelijkse werd afgetoetst aan de universele kwaliteiten van zowel folklore als mythologie. Zijn synthetische visie kreeg vorm in een strakke compositie en een heldere lijnvoering. Zijn grote voorliefdes voor het interieur en het portret kwamen samen in het atelier van de schilder, de plek bij uitstek en het natuurlijke decor voor het portret.

In Contre-jour dans l’atelier à Woluwe-Saint-Lambert (1934) staan twee mensen aan het grote raam. De gordijnen zijn wijd opengetrokken. Een man en een vrouw poseren in tegenlicht. De vrouw kijkt ons indringend aan, ook al zijn haar ogen verborgen in de schaduw van haar gelaat. Frontaal leunt ze tegen de vensterbank en steunt ze op haar beide handen. De man kijkt haar zijdelings aan. Op de vensterbank staan potjes met potloden en penselen. De enige zichtbare meubels in het vertrek zijn twee lege stoelen en een werktafel met een onafgewerkte lithografische steen. Op deze zwijgzame lentedag is de lucht bezwangerd met sombere wolken. Het atelier heeft een huiselijke sfeer. Maar warm is het er niet. De gastvrouw en haar bezoeker zijn dicht bij de verwarming gekropen. De gast wrijft zich in de handen om zich te verwarmen en Jackie de hond, een Engelse jackrusselterriër, is onder de radiator in slaap gevallen.

Contre-jour dans l’atelier à Woluwe-Saint-Lambert / Het atelier van de schilder, 1934, olieverf op doek, 81 x 100 cm, MSK Gent.

In 1924 betrokken Tytgat en zijn vrouw een eigen woning in Sint-Lambrechts-Woluwe. Een gelukkig moment voor het excentrieke stel, dat het huis decoreerde met snuisterijen, waaronder een kermismolen die ze samen gemaakt hadden. Maar wat hem het maakte, was de inrichting van een eigen drukkerij. Zijn ware roeping was “beeldekensmaker”. Zelf noemde hij zich “limagier”. Pas in 1932 werd er boven op het huis een verdieping toegevoegd voor het atelier dat in Contre-jour dans l’atelier à Woluwe-Saint-Lambert wordt afgebeeld. Met zijn hoofd in de wolken, hoog verheven boven de stad en de massa bekijkt de kunstenaar de wereld als schouwtoneel van bovenaf.

Edgard en maria in het atelier in Sint-Lambrechts-Woluwe, 1950, Foto Paul Van Den Abeele

De aanleiding tot dit schilderij was het bezoek van collega-kunstenaar en vriend des huizes, de beeldhouwer Charles Leplae. Samen met de echtgenote van Tytgat staat Leplae in tegenlicht bij het grote raam. Opvallend in deze herinnering aan een ongedwongen namiddag met zijn vriend is de afwezigheid van Tytgat zelf. Deze staat met zijn schildersezel in het volle daglicht, maar buiten het beeldvlak, op de plaats waar nu de toeschouwer staat.

Gezien de vrije schriftuur en de subtiele lichtbehandeling sluit “het atelier” eerder aan bij het impressionisme dan bij het fauvisme, het expressionisme of de naïeve kunst. Volgens het opschrift gaat het niet alleen over de ruimte, maar vooral over het licht, en meer bepaald over het tegenlicht (contre-jour), een diffuus licht dat de contouren zachter maakt en de individuele trekken minder herkenbaar.

Tytgat, die algemeen beschouwd wordt als een uitzonderlijk tekenaar, toont zich hier ook een begenadigd schilder, die niet alleen oog heeft voor het grafische en het narratieve, maar ook voor de picturale kwaliteiten van de verfmaterie, voor subtiel kleurgebruik en gevarieerde borstelstreken. Maar in plaats van het intense pallet van de Franse impressionisten gebruikt hij hier gedempte aardekleuren, waardoor zijn werk mooi aansluit bij het animisme van de jaren dertig en veertig. Als een reactie op de expressionistische vervorming van de werkelijkheid getuigt deze stroming van een soort intimistisch humanisme.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Tytgat aan Huit dames et un monastère, een erotisch verhaal met licht sadistische fantasieën over acht dames, waarbij mooie jonge vrouwen door monniken begluurd en zelfs gefolterd worden. Een bizarre thematiek die na de oorlog verder werd uitgewerkt. Zijn gewassen tekeningen en olieverfschilderijen met gevangengenomen maagden, edelvrouwen, abdissen, martelaressen en Trojaanse vrouwen maakte hij met evenveel plezier, gemak en verbeeldingskracht als zijn onschuldige prentjes met volkse figuren.

In Quatre jeunes filles toutes nues sur une barque à quatre voiles (1950) – de lange beschrijvende titel is typisch voor Tytgats vertelkunst – is alles afgerond, golvend, zwevend en wiegend. De compositorische vormen zijn even onstandvastig als de jonge meisjes die symbool staan voor de eeuwige jeugd. Zoals water en lucht hier ongemerkt in elkaar overvloeien, smelten ook de grafische en de picturale kwaliteiten hier perfect samen.

Quatre jeunes filles toutes nues sur une barque à quatre voiles / Vier naakte meisjes op een boot, 1950, olieverf op doek, 89 x 116 cm, MSK Gent

De voorstelling van dit schilderij gaat terug op een reeks van vier aquarellen uit 1939. Daarin verhaalde Tytgat hoe vier meisjes zich inschepen om op avontuur te gaan. Op zee vallen ze in handen van zeerovers die hen verkopen aan een heer. Die neemt twee van hen tot vrouw, de derde schenkt hij aan zijn intendant en de vierde heeft hij gereserveerd voor het feest. Tytgat toont ons hier de meisjes voor ze overvallen worden, nog uitbundig genietend van hun vrijheid. De eerste kijkt indringend naar het spektakel van de zee, de tweede laat de wind ongedwongen door haar haren spelen, de derde koestert zich met gesloten ogen in de warme zonnestralen. Terwijl de eerste drie zich nog van geen kwaad bewust zijn, heeft de vierde het naderende onheil al opgemerkt. Ze trekt zich aan de haren, slaat zich op de slapen en stoot een kreet uit die ongehoord in de wind verloren gaat. Het vervolg laat zich gemakkelijk raden.

Zo bleef Tytgat in zijn latere werk diezelfde man aan het venster. Maar in plaats van naar buiten te kijken, keek hij naar binnen. Als de chroniqueur van zijn eigen verbeeldingskracht beschreef hij tot in de kleinste details het schouwtoneel van zijn persoonlijke fantasieën.

Lieven Van Den Abeele

Edgard Tytgat. Herinneringen aan een geliefd venster, van 8 december 2017 tot en met 8 april 2018 in het Leuvense Museum M, www.mleuven.be.

Alle afbeeldingen © Lukas Art in Flanders vzw / Sabam Belgium 2017 

Deze artikels interesseren je wellicht ook:

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed