Een mens die opstaat - over de theatervoorstelling ‘Malcolm X’

Een mens die opstaat - over de theatervoorstelling ‘Malcolm X’

Het toneelstuk Malcolm X drijft op de drift van de 22 performers, dansers, muzikanten en slammers, die als een brandende vuurbal van binnenuit het geheel begeestert. Zo’n gloed zie je maar zelden in het Vlaamse theater. Het debat over white privilege en black consciousness resoneert hevig in deze voorstelling van regisseur Junior Mthombeni, auteur Fikry El Azzouzi en componist Cesar Janssens. X staat vooral voor attitude: het woord nemen, zichzelf zichtbaar en hoorbaar maken in deze schouwburg, het hart van de samenleving.

door Evelyne Coussens

Het predicaat “belangwekkend”, dat het Vlaamse Theaterfestival graag gebruikt om zijn selectie te benoemen, is zelden van toepassing op de geselecteerde producties. Of toch niet in de betekenis die ik het woord toeken. Theater kan esthetisch verfijnd, emotioneel schokkend of intellectueel messcherp zijn, maar vaak reikt de impact niet verder dan de persoonlijke relatie tussen voorstelling en toeschouwer. Natuurlijk kunnen een heleboel mensen dezelfde voorstelling op dezelfde avond schokkend of scherp vinden, maar de kans is klein dat ze op basis van die ervaring een revolutie starten, om maar iets te zeggen. Bijna nooit veroorzaakt een voorstelling rimpelingen tot buiten de theaterzaal – dat zou ik pas omschrijven als “belangwekkend”.

Anders ligt het bij Malcolm X, de voorstelling van Junior Mthombeni, Cesar Janssens en Fikry El Azzouzi die is geselecteerd voor het Theaterfestival 2017. Malcolm X is belangwekkend omdat deze voorstelling wél iets aanraakt dat verder gaat dan de gedeelde – en overigens zeer dierbare – ervaring tussen toeschouwer(s) en kunstwerk. Daarmee is nog niets gezegd over haar “kunstige” kwaliteit. De laatste jaren is het belabberde idee ontstaan dat de kunstige kwaliteit van geen tel is bij voorstellingen die zich expliciet in een maatschappelijk debat positioneren – het gaat erom wat er verteld wordt, niet om hoe het wordt gezegd. Dat is onzin: een voorstelling waarin de vorm en de inhoud zich niet optimaal tot elkaar verhouden, blijft een slecht kunstwerk – hoe brandend het topic ook is.

Dat het debat over white privilege en black consciousness in de westerse wereld opvlamt, is een understatement. Een recente opflakkering in Vlaanderen deed zich in de zomer van 2017 voor, toen KVS-dramaturg Tunde Adefioye in De Standaard de “zee van witte mensen” veroordeelde die hij op Theater Aan Zee in Oostende had opgemerkt. Hij riep het festival op om “een ‘bredere’ doorsnede van de samenleving te weerspiegelen, en niet alleen de koloniale verlangens van zijn witte publiek te verzoenen”. De brief veroorzaakte een golf van reacties en onder meer Dominique Willaert, artistiek leider van de Gentse sociaal-artistieke werkplek Victoria Deluxe, bood weerwerk tegen wat hij noemde “het herleiden van het diversiteitsvraagstuk tot de etnisch-culturele afkomst van mensen” – het identitaire denken dus.

Malcolm X is gemaakt vóór dit debat, maar de discussie resoneert als het stuk op het Theaterfestival 2017 opnieuw wordt opgevoerd, ook omdat de leidende makers (regisseur Junior Mthombeni en auteur Fikry El Azzouzi) in 2015 met hun SINCOLLECTIEF een opmerkelijke voorstelling brachten die in weinig subtiele bewoordingen een “wij” afbakende: een generatie gekleurde mensen van niet-Belgische origine die zich maatschappelijk en politiek niet gehoord voelt. In Reizen Jihad leek de kwakkelende theatervorm niet meer dan een los vehikel waarmee een activistische identiteitsboodschap moest worden vervoerd. Als kunstwerk was het weinig geslaagd, al frappeerde de hartstocht waarmee de performers op het podium stonden. Die hartstocht nemen Mthombeni en El Azzouzi mee in Malcolm X.

Malcolm X drijft op de drift van de tweeëntwintig performers, dansers, muzikanten en slammers, die als een brandende vuurbal van binnenuit het geheel begeestert. Zo’n gloed zie je maar zelden in het Vlaamse theater en om die te verklaren moet je alsnog voorbij het hoe, de buitenwereld in, naar het wat, naar de urgentie van wat in Malcolm X verteld moet worden. Dat is niet het levensverhaal van de zwarte activist Malcolm X (1925-1965), al krijgen sommige sleutelmomenten uit zijn leven een plaats. X staat vooral voor attitude: het woord nemen, zichzelf zichtbaar en hoorbaar maken in deze schouwburg, het hart van de samenleving. “Zie ons”: wij zijn vrouw, wij zijn kleurling, wij zijn gelovig, wij zijn hier. Deze “wij” reikt verder dan Reizen Jihad: de kleur als fetisj wordt opgerekt naar een gelaagd, meervoudig “zijn” waartoe veel andere manieren van zijn zich kunnen verhouden. Tegelijkertijd gaat het duidelijk over belaagde minderheden, goddank zonder de relativerende dooddoener: “iedereen is in zekere zin een beetje een minderheid”.

Dat “zie ons zijn” is een positieve affirmatie die een vloeiende vorm krijgt in een veeltalig, explosief theaterconcert waarin wordt gedanst, gerapt, gespeeld, gezongen, gesproken… Mthombeni fungeert als een master of ceremony, een Malcolm die opzweept en inspireert. Maar hij deelt ook in de klappen, bijvoorbeeld in de scènes waarin hij breekt met zijn spirituele vader Elijah Muhammad (de oprichter van de Nation of Islam, vertolkt door Sabri Saad El Hamus) of als zijn gemeenschap hem verwijt dat hij met zijn meer gematigde aanpak een house negro is geworden, een verrader.

De transformatie van Malcolm X van een segregerend gedachtegoed (het separatisme van Nation of Islam) naar een inclusief (omarmen van wie verbinding zoekt) krijgt met wat verbeelding een pendant in de evolutie van de theatermakers zelf: van het polariserende Reizen Jihad naar het meer verbindende Malcolm X. Toch steekt de twijfel over de beste vorm van struggle ook de kop op in Malcolm X. Die twijfel maakt de voorstelling diffuus, en dat klopt. Malcolm X is gemaakt zoals het niet anders kon: inconsequent, zwalpend, multiperspectief.

De sfeer is die van een jazzclub. Centraal op het podium staan de muzikanten van Brussels Jazz Orchestra onder leiding van drummer-componist Cesar Janssens en daarrond, op een oplopende en cirkelvormige catwalk, bewegen de performers. Malcolm X begint als een belijdenis. Onder voorzang van Hassan Boufous vangt een rituele choreografie aan waarbij elke performer om beurten over het voetlicht komt, de ogen ten hemel slaat en een zegen afsmeekt. “Het is tijd voor geloof in het goede. Het is tijd voor het geloof in de mens. Het is tijd voor het geloof in God.” Vervolgens komen alle performers vooraan op een rij staan en fixeren ze de zaal. Elke performer kiest een sectie, van de parterre tot de balkons. Kijken en blijven kijken, tot het duidelijk is dat iedereen, maar dan ook iedereen wordt aangesproken.

Aangesproken, niet aangevallen, in tegenstelling tot de scène die volgt. De performers slingeren verwijten de zaal in over de postkoloniale schuld van de westerling (“Jullie stinken naar bloed en stront”), over hun white privilege, over het dagelijkse racisme waarmee het plots collectieve zij te maken krijgt en het even abrupt veronderstelde wij in de zaal niet. Dat soort Publikumsbeschimpfung wordt ook in comedy vaak gebruikt, maar in deze zaal valt ze per definitie plat: doodgeknepen door een burgerlijk publiek dat een kaartje heeft betaald om zich op “eigen terrein” – voor wie in die termen wil spreken – te laten beschimpen. Tegen de context van zo’n machtsverhouding – letterlijk versteend in het gebouw – kan geen belediging op. Het publiek blijft het allemaal best vermakelijk vinden.

Het is maar één voorbeeld van scènes die de kracht van Malcolm X af en toe verzwakken, op twee manieren. Enerzijds omdat ze een niet-gemedieerde realiteit willen meegeven – wat bij voorbaat onmogelijk is in een schouwburg. Theater krijgt vorm bij gratie van de sluipweg: de poëzie, de muziek of de personificatie voeden net het geloof in een duidelijk gefictionaliseerde waarheid. Elke poging tot “authentiek spreken” is gedoemd. Maar er is ook een inhoudelijke reden: wat even daarvoor nog een diversiteit aan stemmen was, wordt in dit soort scènes verengd tot één gekleurde stem, het publiek wordt vernauwd tot één homogeen blok blankheid, loodzwaar door zijn geschiedenis. Dat soort collectieve schuldinductie is te simpel om effectief te zijn. Ik wil best aangesproken worden op de manier waarop ik als individu mijn witheid draag – maar hoe zouden de makers daarover iets weten?

Daartegenover staan in Malcolm X genoeg scènes die de frustratie overstijgen en deuren openen in plaats van ze te sluiten: de melodische slam poetry van Sukina Douglas bijvoorbeeld, die in een zacht meanderende psalm de spirituele kracht van de vrouw bezingt. Je hoeft vrouw noch feministe te zijn om te zien hoe waardig zij daar staat, hoe gegrond in haar geloof – een atheïst zou er jaloers van worden. Op zulke momenten zie je hoe de mens níét gereduceerd wordt tot zijn geschiedenis – langs beide zijden, als je opnieuw in een “witte” en “zwarte” kant wilt denken – maar daaruit ontbolstert en zijn stekels afwerpt.

Rise up: een mens die opstaat is het mooiste wat je in het theater kunt zien. Dat is een belangwekkende ervaring, eentje om mee te nemen naar huis.

Alle afbeeldingen © Danny Willems / KVS

 

Deze artikels interesseren je wellicht ook:

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed