Herinneringen aan Hugo Claus (1) - Een stuk of wat gedichten? Luc Devoldere over de ‘slimme letterdief’

Herinneringen aan Hugo Claus (1) -  Een stuk of wat gedichten? Luc Devoldere over de ‘slimme letterdief’

Wat kunnen we toevoegen aan wat dezer dagen over Hugo Claus is gezegd, geschreven, getoond en vertoond? Dat deze autodidact een spons was die snel alles opzoog wat hij tegenkwam, een vampier die zich rijk dronk, een slimme letterdief die wat hij stal beter maakte? Dat hij met de jaren in interviews een charmante poseur werd en op podia een bezwerende performer met die hese, erotiserende stem en die perfecte frasering? Zag zwarte sneeuw in zijn jeugd, maar wist koppig en ambitieus als hij was zijn plaats te verwerven in de republiek van de letteren, en maakte van het schrijverschap iets glamoureus.

Hij werd in zijn late jaren gefêteerd (nooit goed voor een schrijver) als een keizer, had er ook de kop voor, en eindigde door zijn zelf gekozen dood nog als een held voor velen. Hij is nu tien jaar dood, en hij wordt oorverdovend herdacht, en dan moet de biografie nog komen. Maar laat ons niet vergeten dat hij de voorbije jaren weg was, blijkbaar niet veel meer wordt (werd?) gelezen.

Claus is dan ook geen makkelijke schrijver. Lees De verwondering, een boek uit 1962 dat in een kritische editie opnieuw werd uitgegeven. Tim Parks heeft goed gezien dat Het verdriet van België (1983) zo verankerd is in een heel eigen wereld dat het misschien daarbuiten niet of moeilijk wordt begrepen. Overigens beweer ik graag dat het substraat van de kunsttaal die Claus in Het verdriet van België en ook in De geruchten (1996) gebruikt – zeg maar de onderste laag – alleen kan worden begrepen – nee: gevoeld – als je uit Kortrijk komt. Ik ben in Kortrijk geboren, en ik kan je zeggen dat een schok van herkenning mijn deel was toen ik op een trans-Atlantische vlucht heen en terug Het verdriet las: zo spreken wij, zo zijn wij.

Maar eigenlijk heeft Frank Albers gelijk: “Het is 2018, de wereld staat in brand, en het enige wat mij anno nu omtrent Hugo Claus nog interesseert is: wat moet en wil en zal ik van hem blijven lezen in deze eenentwintigste eeuw.” Dat toneelstuk over Leopold II uit 1970 dat in 2003 in de KVS met succes werd opgevoerd, in 2007 in Kinshasa werd getoond en in ons eigen Brusselse Matongé, blijkt nu niet meer te kunnen, althans volgens een Keniaanse theatermaker. Elk kunstwerk is namelijk gedateerd, dat wil zeggen dat het op een bepaald moment in een bepaalde context wordt gemaakt. Die context verandert. Je moet van goeden huize zijn om met die verandering om te gaan.

Ik was lid van de canoncommissie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde die in 2015 een Canon van 50+1 boeken uit de Nederlandse letterkunde opstelde, vanaf Hendrik van Veldeke. Claus was, met Vondel, de enige schrijver die er met twee boeken in staat: De Oostakkerse gedichten (1955) en Het verdriet van België. Ik had er wat last mee dat Boon maar met één titel (De Kapellekensbaan, 1953) in de Canon stond, maar Claus was dan ook een duivel-doet-al die in minstens twee genres had geschitterd. Toen Jef Geeraerts stierf, werd Gangreen 1: Black Venus (1967) toegevoegd aan de lijst van 50 (dat is die + 1 ). Auteurs moesten namelijk dood zijn. Welnu, ik geef het u op een briefje: het duurt niet lang meer vooraleer Gangreen op een vergelijkbaar odium als het toneelstuk van Claus zal stuiten, wegens seksistisch en kolonialistisch.

Overigens ben ik van mening dat Claus vooral als dichter zal overleven. Hij is een van die zeldzame dichters die grootse verzen heeft afgeleverd waarin vaak een zwakke, soms lullige regel voorkomt. Je moet een groot dichter zijn om daarmee weg te geraken. Oostende mag dus haar zegeningen tellen dat iemand over haar hét gedicht schreef; West-Vlaanderen weet het al lang, en de klappertandende liefde komt aan al haar trekken bij deze man die haar neergeschreven heeft.

Luc Devoldere

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed