Herinneringen aan Hugo Claus (3): ‘Ontroering in herkenning’ - Ellen Deckwitz over ‘Oude man met varken’

Herinneringen aan Hugo Claus (3): ‘Ontroering in herkenning’ - Ellen Deckwitz over ‘Oude man met varken’

Wij vroegen dichter Ellen Deckwitz naar haar favoriete Claus-gedicht. Zij koos voor ‘Oude man met varken’. Zo motiveerde ze haar keuze:

Het machtige van Claus’ dichtwerk is dat de talloze medefans die ik de afgelopen decennia heb ontmoet, hem allen om een andere reden bewonderen. De een is onder de indruk van de muzikaliteit van de verzen, een ander bewondert de seksuele energie die door de strofen heen stroomt en een derde herkent zich in de rauwheid waarmee Claus de zelfkant van het bestaan bezong. Natuurlijk ben ik ook om al deze redenen idolaat van de man, maar er is nog een extra reden dat Claus me zo aanspreekt; hoe hij de harde kant van het boerenleven kan bezingen, zoals in de regels “’k heb, Meneer, meer geknield dan gedanst” of “Hij droomt niet, Meneer,/ van Messen en Moord/ maar van Appels en Modder”.

Er is een ontroering in herkenning, en de gedichten die Claus schreef over het boerenleven voelen alsof ze speciaal voor mij gemaakt zijn. ‘Oude man met varken’ is een van mijn lievelingsgedichten van hem. Je proeft meteen de klei in je mond, je bent meteen weer terug op het ruwe land dat mensen uitspuugt alsof het niets is, om ze daarna weer even makkelijk op te slorpen.

 

Oude man met varken 



‘Ah, ’t komt ’s Avonds boven, Meneer, als ’t blauw wordt buiten
en als de Kraaien vallen in het Gras,
maar rapper nog vallen uw Tanden
en ’t rapst van al uw Haar dat krulde vóór Veertien-Achttien.
Ah, ‘k heb veel Rozen afgetrokken, maar altijd voor den Baas,
’k heb veel vrouwen gevraagd, maar meestal vogelde ’k ernaast,
en ’t rapst en ’t meest vielen er Tranen in mijn Soepe.

’k Was te stom om Paster te worden,
te braaf om te deugen, te slim om niet te deugen,
’k heb, Meneer, meer geknield dan gedanst.

Ah, ’t is ’s Avonds, Meneer, dat ge peinst: ’t is Kanker,
en ’t is alleen maar jammer dat in mijn Karkas
mijn Herte, dat het Herte van een Moordenaar is,
geen Chance heeft gehad, geen Keuze, genen Tijd!

En soms peins ik, als ik peins,
dat Hij die daar nevens mij ligt, Mijn Zwijn,
mijn Ziele, mijne Kameraad in zijn Mande,
minder een Zwijn is
dan het Zwijn dat ik had willen zijn.

Want Hij droomt niet, Meneer,
van Messen en Moord
maar van Appels en Modder.

En daarom is ’t misschien, Meneer,
dat ik Hem meestal ‘s Avonds geren zie
als Hij gebaart dat Hij slaapt.’

Uit: De Wangebeden, 1978

 

Foto Ellen Deckwitz © Merlijn Doomernik

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed