Het is de hoogste tijd dat we Nederlands als wereldtaal gaan zien

Het is de hoogste tijd dat we Nederlands als wereldtaal gaan zien

Komende week, van 27 tot 31 augustus 2018, is het weer zover: voor de twintigste keer komen meer dan 250 docenten en onderzoekers van de internationale neerlandistiek samen op het driejaarlijkse Colloquium Neerlandicum. Dat vindt dit keer plaats in Leuven, rond het thema Nederlands in beweging. De vijfdaagse bijeenkomst is een samenwerking tussen de KU Leuven en de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) met financiële steun van de Taalunie. Wat zijn anno 2018 de bewegingen in de internationale neerlandistiek, de successen en de gevaren? Volgens Henriette Louwerse, voorzitter van de IVN, is er behoefte aan betrokkenheid en samenwerking: het Nederlands is alleen een kleine taal voor wie klein denkt.

_door Henriette Louwerse (voorzitter IVN)

Het strekt nog altijd tot verbazing dat er buiten het taalgebied meer studenten Nederlands opnemen in hun bachelorprogramma dan binnen de grenzen; dat er vernieuwend en interessant onderzoek wordt gedaan buiten de taalgrenzen; dat de samenwerking tussen de internationale en binnenlandse neerlandici bloeit; en dat er aantoonbare economische en diplomatieke belangen worden gediend door dit globale netwerk aan vertegenwoordigers voor de Lage Landen. Want waarom zouden meer dan 13.000 studenten in 45 landen wereldwijd voor een studie Nederlands kiezen?

Ook in 1992 stelde professor Theo Janssen zich deze vraag. Voor zijn bijdrage aan Onze Taal legde hij die vraag destijds voor aan een aantal collega’s die in het buitenland werkzaam waren. Hij concludeert dat de motieven sterk uiteenlopen: “pure interesse in de taal en cultuur”, nieuwsgierigheid gewekt door literatuur of beeldende kunst, familiebanden of de liefde. Toch ziet Janssen wel een rode draad: “alles waar Nederland en Vlaanderen uitzonderlijk of avantgardistisch in waren, blijkt mondiaal de aandacht trekken.” Als voorbeelden geeft hij de Vlaamse primitieven en Van Gogh, maar ook de provobeweging en het destijds tolerante drugsbeleid. Dat studenten Nederlands kiezen uit economische motieven, wordt slechts zijdelings aangestipt: “soms speelt een maatschappelijk oogmerk een rol.” (1)

Zo’n vijfentwintig jaar later klinkt er een heel ander geluid. In een informele bijdrage aan Taalunie:Bericht stelt Jan Willem Bloemen dat Nederlands “booming business” is in het buitenland. En waarom kiezen studenten voor Nederlands? Met stip op nummer één staat bij Bloemen: het bedrijfsleven. Nederlands studeren is een investering in een toekomst bij een internationale bank of een ander soort bedrijf dat banden heeft met Nederland of Vlaanderen.(2) De staat van het Nederlands in de wereld, het uitgebreide veldonderzoek dat de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) in 2017 heeft uitgevoerd, bevestigt dat beeld: vooral het bedrijfsleven is de grote winnaar. Uiteindelijk komen de meeste studenten daar terecht. (3)

Taal- en cultuurkennis leveren duiten op. Verschillende onderzoeken in binnen- en buitenland bevestigen dat. Zo concludeerden onderzoekers in het Verenigd Koninkrijk in een recent rapport voor het Department for International Trade dat onvoldoende talenkennis en gebrek aan interculturele vaardigheden de Britse economie 3,5 procent van het bruto binnenlands product per jaar kosten. Dat komt neer op meer dan 54 miljard euro.(4)

Ook het in januari 2018 verschenen rapport van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), Talen voor Nederland, benadrukt dat talenkennis en interculturele vaardigheden cruciaal zijn voor wie mondiaal wil opereren. De Nederlandse handel loopt hoogstwaarschijnlijk kansen mis door gebrek aan talenkennis of, om het in de woorden van het onderzoek te zeggen, omdat de overheid het aanwezige potentieel aan talige en culturele kennis niet weet aan te boren: “De schat aan kennis van Nederlanders die Engels, Duits, Arabisch, Turks, Spaans, Chinees en vele andere talen spreken [kan] beter worden ingezet, zowel binnen als buiten de landsgrenzen.” (5)


Blijde boodschap

Deze vaststelling klinkt als een blijde boodschap voor de internationale neerlandistiek. “Buiten de landsgrenzen” ligt immers een uitgebreid netwerk aan studenten en docenten die zowel kennis hebben van het Nederlands als van hun lokale situatie. Hier wacht een “schat aan kennis” die kan worden aangeboord om cultureel, politiek en dus vooral economisch voordeel voor Nederland en Vlaanderen te bewerkstellingen. En dan de laatste zinnen van het KNAW-rapport: “Het onderwijs en de talensector moeten worden gevoed door een actieve, naar buiten gerichte universitaire talengemeenschap. De aanwezigheid van sprekers van allerlei verschillende talen [...] vormt een meerwaarde voor onze kenniseconomie en een bron van culturele, maatschappelijke en economische ontwikkeling.” (6)

De conclusies en aanbevelingen van de KNAW sluiten naadloos aan bij de bevindingen van het IVN-veldonderzoek uit 2017. Voor De staat van het Nederlands in de wereld heeft de IVN haar meer dan zeshonderd leden ondervraagd en die gegevens aangevuld met de getuigenissen van bijna veertig alumni en van twaalf vertegenwoordigers van de wereldwijde regio’s waar Nederlands wordt gedoceerd. Een belangrijke bevinding is dat de internationale neerlandistiek volop in beweging is, zowel vakinhoudelijk als in reactie op de lokale universitaire, politieke of economische situatie.

En daarbij: de internationale neerlandistiek bestaat niet. (7) De situatie in Duitsland is niet te vergelijken met die in Zuid-Afrika, Indonesië of Italië. Bovendien zijn er nog grote verschillen binnen eenzelfde regio. Toch zijn er trends die breder spelen dan het ene instituut of de specifieke regio. Een daarvan is inderdaad dat in 2018 taal- en cultuurkennis meer en meer in economische termen worden geduid.

Zo concludeert het IVN-rapport dat studenten die buiten het Nederlandse taalgebied opgeleid worden cultureel-politiek en economisch voordeel opleveren voor Nederland en Vlaanderen. Uit een recent onderzoek van de regio Midden-Europa blijkt dat bijna 80 procent van de respondenten na hun afstuderen met Nederlands op de werkvloer te maken heeft. Meer dan 35 procent werkt voor een bedrijf of organisatie binnen Nederland of Vlaanderen, en nog eens 8,4 procent werkt in ons taalgebied. Er zijn in Duitsland al met al meer neerlandici in opleiding dan in Nederland en Vlaanderen en met name in de grensgebieden gaat 90 procent van de afgestudeerden Nederlands aan de slag in het basis- om middelbaar onderwijs om daar, onder andere, Nederlands te doceren. (8) In Zuid-Europa zijn het vooral de Italiaanse studenten die Nederlands studeren om daarna een masterprogramma in Vlaanderen of Nederland te volgen.

Kortom, de door het KNAW voorziene “actieve naar buiten gerichte universitaire talengemeenschap” kan aanhaken. Dat zou je tenminste verwachten.

Helaas is het niet zo eenvoudig. Binnen Nederland en Vlaanderen is er nog altijd weinig oog voor wat er buiten de taalgrenzen gebeurt. Het KNAW-rapport is daarop geen uitzondering. Zo komt in het rapport de verbinding “internationale neerlandistiek” niet voor. Wel is er een bijlage opgenomen “Onderwijs in het Nederlands in andere landen”. De cijfers van de Taalunie worden hierin genoemd, 15.000 studenten, verspreid over 175 universiteiten in 45 landen. De bijlage zegt kort iets over de motivatie van buitenlandse studenten. Al met al maakt deze bijlage op z’n zachtst gezegd een wat plichtmatige indruk. De inhoud is niet verankerd in de lopende tekst en de plaats van de informatie (op de één-na-laatste bladzijde) straalt een gebrek aan betrokkenheid uit. De internationale neerlandistiek staat kennelijk buiten de “schat aan kennis” die beter kan worden ingezet. “De aanwezigheid van sprekers van verschillende talen” naast het Nederlands buiten het taalgebied lijkt over het hoofd te zijn gezien. Het internationale netwerk van studenten, docenten, onderzoekers en vertalers wordt niet meegerekend als “asset”. Zij vormen geen deel van de oproep tot het beter te nut maken van talenten, staan niet helder op de radar van politiek of beleidsmakers.

En dat terwijl de cijfers er niet om liegen: er zijn beduidend meer jonge mensen in het buitenland die een studie Nederlands beginnen dan in het taalgebied zelf. Met een ruime 13.000 universitaire studenten Nederlands wereldwijd kunnen we – zelfs als we een grote onvergelijkbaarheidsmarge aanhouden – toch concluderen dat er in het buitenland in absolute zin vele malen meer wordt gekozen voor Nederlands binnen een universitaire opleiding dan in Nederland of Vlaanderen.

In Nederland en Vlaanderen neemt het aantal eerstejaarsstudenten Nederlands al jaren af. In Talen voor Nederland worden de cijfers voor Nederland genoemd van 2008-2014. De aanmeldingen voor de klassieke opleiding Nederlands zijn in de periode 2008-2014 met zo’n 43 procent afgenomen (van 473 naar 271). Er zijn aanwijzingen dat studenten wel Nederlands willen studeren, maar dan liever in combinatie met “iets anders”; andere talen of vakken zoals die binnen Europese Studies, Literatuur en Samenleving, of als onderdeel van de liberal arts-combinaties die worden aangeboden op zogenaamde University Colleges. (9)

Twee verschuivingen

De verschuiving van specialistische naar bredere opleidingen die taal- en disciplinegrenzen overstijgen, is een brede trend. Wij signaleren dat op verschillende plaatsen, met name in Europa, de (institutionele) belangstelling voor traditionele talenstudies kleiner wordt en dat de Nederlandse secties in toenemende mate werken binnen interdisciplinaire, transnationale programma’s. Naast een gewijzigde onderzoeksagenda met meer nadruk op interdisciplinariteit, transnationale benaderingen en meertaligheid, zijn deze verschuivingen ook vaak het gevolg van bezuinigingen, al of niet door teruglopende studentenaantallen. De “crisis” in de geesteswetenschappen draagt er zeker toe bij dat vakgroepen in elkaar worden geschoven of moeten opgaan in grotere structuren als onderdeel van inspanningen om het onderwijs zo efficiënt mogelijk aan te bieden.

Bij deze ontwikkeling zijn we binnen de internationale neerlandistiek in zekere zin in het voordeel. We zijn gewend aan een meertalige en transculturele realiteit; we benaderen het onderzoeksobject altijd al vanuit een buitenpositie. De aandacht voor meertaligheid en generieke, interculturele bildung, heeft bovendien veel positieve kanten en de transnationale agenda, waarbij het Nederlands niet wordt opgesloten binnen de nationale en talig gedefinieerde tradities, biedt nieuwe ruimte en mogelijkheden voor het vak.

Alleen in internationale context vormt deze ontwikkeling ook een potentiële bedreiging, met name voor “kleinere” talen zoals het Nederlands. Docenten zoeken voortdurend naar de balans tussen het aansluiten bij taal- en discipline-overschrijdende initiatieven – twee Vlaamse films in een cursus over Europese Cinema; één roman van Couperus in een cursus koloniale literatuur – en het beschermen van de eigenheid en specificiteit. Immers, als het toch om generieke (taal)competenties gaat, waarom zouden die dan specifiek in het Nederlands moeten zijn?

Naast de verbreding van het curriculum zien wij nog een tweede belangrijke ontwikkeling. Uit het onderzoek van de IVN blijkt dat het aantal studenten dat wereldwijd voor Nederlands kiest ongeveer gelijk blijft, alleen laten de cijfers niet zien dat er een verschuiving plaatsvindt van traditionele taal- en cultuurstudie naar talenkennis als toegevoegde vaardigheid, bijvoorbeeld in combinatie met een technische studie, rechten of economie.

Dat talen als uitgesproken toegevoegde waarde worden gezien, juichen we uiteraard toe. In de praktijk betekent echter dat de ontkoppeling van taalverwerving en de traditionele pijlers (literatuur, taalkunde, en cultuur van het taalgebied), met als gevolg dat de cursus veelal wordt aangeboden binnen een universitair taalcentrum en dus niet is ingebed binnen een vakgroep. Docenten hebben geen onderzoeksopdracht en worden vaak op uurbasis aangesteld en vaak – maar zeker niet in alle gevallen – is er sprake van deprofessionalisering. Vooral het ontbreken van een onderzoekscomponent maakt deze plekken kwetsbaar. Nederlandse secties moeten een onderzoekscomponent behouden om zich blijvend te kunnen verankeren. Onderwijs en onderzoek zijn in de academische wereld nu eenmaal onlosmakelijk verbonden.

Kansen door samenwerken

Samenwerking met collega’s binnen het instituut, binnen de regio maar ook binnen Nederland en Vlaanderen, is daarbij van het grootste belang. Alle respondenten uit het IVN-onderzoek gaven aan behoefte te hebben aan meer contact met collega’s op andere locaties en in de Lage Landen. En daar liggen ook grote kansen. Een sterke internationale neerlandistiek, waarbij docenten en onderzoekers van binnen en buiten het taalgebied intensief samenwerken om een nog dynamischer, wereldwijd vakgebied te vormen, maakt het vak aantrekkelijk voor internationaal georiënteerde studenten. Nederlands beperkt zich dan niet tot de Lage Landen, richt zich niet op de navel, maar toont zich internationaal en biedt over de hele wereld kansen, studieplaatsen, culturele knooppunten en internationale raakvlakken. Dit is een neerlandistiek die niet bang is om nieuwe gebieden te ontginnen of nieuwe verbindingen aan te gaan.

Vandaar dat de IVN oproept tot intensivering van de samenwerking tussen internationale neerlandistiek en die binnen het taalgebied. We hebben elkaar heel hard nodig om de neerlandistiek te kunnen positioneren als specifiek én transnationaal. We moeten allemaal zien om te gaan met de institutionele druk om ons aan te sluiten bij algemene thema’s waarin het gevaar schuilt onherkenbaar en dus inwisselbaar te worden. Samen kunnen we een structuur vinden waarbinnen we als docenten en onderzoekers flexibel, interdisciplinair en transnationaal kunnen opereren zonder het vak zelf op de helling te zetten omdat we geen oog meer durven te hebben voor het specifieke of zelfs unieke van de Nederlandse taal en cultuur. Samen kunnen we een open en zelfbewust verhaal vertellen.

In dat verhaal staat de taal en cultuur van de Lage Landen centraal, we moeten het “eigene” niet afschaffen, maar we moeten de ramen wel durven open te zetten en onderkennen dat we leven in een wereld met een veelheid aan talen en culturen. Niet krampachtig vasthouden aan de traditionele afwijzing van alles wat niet direct in de originele taal tot ons komt of wat traditioneel niet tot het vakgebied van de neerlandistiek behoort. Natuurlijk kun je óók neerlandistiek bedrijven in het Pools of het Engels. Het is juist de sterke kracht van dit internationale netwerk dat het kennis heeft van het Nederlands én van het Tsjechisch, Spaans, Zweeds, Indonesisch, Russisch, Portugees en ga zo maar door. De vanzelfsprekende meertaligheid en de transnationale praktijk van de internationale neerlandistiek kunnen beter ingezet worden om de reikwijdte en de impact van het Nederlands te vergroten.

Wereldnetwerk

Het rapport De staat van het Nederlands in de wereld straalt naast ongeloof en zorg over het gebrek aan ambitie van de Nederlandse en Vlaamse politiek dan ook vooral optimisme en elan uit. Het veldonderzoek heeft overduidelijk aangetoond dat we ons gelukkig kunnen prijzen met een groot en betrokken netwerk van docenten, onderzoekers, vertalers en studenten die zich naast hun dagelijkse bezigheden inzetten voor het organiseren van lezingen, boekpresentaties, wetenschappelijke bijeenkomsten, vertalingen of publicaties voor een breder publiek. De internationale neerlandistiek speelt een rol in culturele producties, maar ook in de publieke dienstverlening en economische activiteiten. In veel landen werken docenten nauw samen met de Vlaamse vertegenwoordiging of de Nederlandse ambassade omdat ze kennis van de nationale en lokale situatie kunnen combineren met kennis van het Nederlands en de Nederlandstalige culturen. Het zwaartepunt ligt overduidelijk in Europa, maar ook in China, India en Brazilië ontstaan de eerste secties Nederlands. Hier liggen mogelijkheden om via de taal en cultuur een nieuw publiek te bereiken dat de culturele en economische impact van Vlaanderen en Nederland kan vergroten.

Nederlands is alleen een kleine taal voor wie klein denkt; voor wie groot en klein ziet in termen van aantallen moedertaalsprekers. Wie oog heeft voor het potentieel van het internationale netwerk en de globale gedeelde liefde voor en kennis van het Nederlands, krijgt een heel ander beeld. Die ziet dat Nederlands een wereldtaal is, met een wereldnetwerk. Die vindt de recente bezuinigingen op Taalunie en de schamele twee miljoen euro die de gezamenlijke Nederlandse en Vlaamse overheden reserveren voor de internationale neerlandistiek beschamend. (10)

Hoe kan het dat onze buurlanden, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië niet alleen een netwerk aan instituten onderhouden om hun taal en cultuur aan de man te brengen, maar ook nog eens wereldwijd taaldocenten werven en ondersteunen? Zelfs een relatief klein land als Oostenrijk onderhoudt een netwerk van 115 Oostenrijkse taaldocenten binnen en buiten Europa. Oostenrijk investeert meer dan drie keer zo veel in representatie in het hoger onderwijs dan Nederland en Vlaanderen samen. (11) De grote vraag is dus niet waarom studenten voor het Nederlands kiezen, maar meer waarom de Lage Landen zo weinig over hebben voor de Nederlandse taal en cultuur in internationale context.

Natuurlijk hebben we geen invloed op beslissingen die lokaal worden genomen. Maar we kunnen wel zichtbaar zijn en actief ondersteuning geven door kansen te bieden aan docenten en studenten; door docentennascholing en zomercursussen voor studenten te organiseren; digitaal lesmateriaal te creëren en financieren; beurzen te bieden voor lokale initiatieven, voor samenwerking, voor onderzoek, voor culturele activiteiten, voor vertaling en ondertiteling. En daar hoort ook bij dat je bereid bent om redelijke suppleties te bieden wanneer het lokale salaris onvoldoende is om moedertaalsprekers aan te trekken.

Effectieve culturele uitstraling

Tot slot keer ik kort terug naar Theo Janssen en zijn bijdrage aan Onze Taal van 1992. Janssen blijkt een verrassend scherpe conclusie in petto te hebben. Nadat hij gespeculeerd heeft over de redenen waarom studenten voor Nederlands kiezen stelt hij:

Wat de reden ook mag zijn, het ligt zeker niet aan een welbewust en al helemaal niet aan een ruimhartig cultuurbeleid van Nederland en Vlaanderen [...] En wat ligt er nu meer voor de hand dan de opleidingen Nederlands in het buitenland rijkelijk te voorzien van onze cultuurproducten? Is er een effectievere culturele uitstraling denkbaar? (12)

Vijfentwintig jaar later lijkt er in sommige opzichten niet veel te zijn veranderd. Wel is de behoefte aan effectieve culturele uitstraling belangrijker dan ooit. Op het moment dat meertaligheid een van de 36 beleidsdomeinen van de EU is, moeten we het belang van het Nederlands tussen alle andere belangrijke talen in binnen- en buitenland zichtbaar maken. Is er een effectievere culturelere uitstraling denkbaar dan via een geïntegreerde internationale neerlandistiek die voet aan de grond heeft in vijfenveertig landen? Via het netwerk van studenten en docenten die van het Nederlands een wereldtaal maken? Beleidsmakers hebben de sleutel in handen.


Noten:
(1) Theo A.J.M. Janssen, 'Waarom zouden we Nederlands studeren in het buitenland?', Onze Taal 61, 1992, pp. 121-122.
(2) Jan Willem Bloemen, 'Top tien: waarom buitenlanders Nederlands willen leren', in Taalunie: Bericht, maart 2016.
(3) Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN), De staat van het Nederlands in de wereld, Utrecht, IVN, 2018, p. 13. Het rapport is te vinden op www.ivn.nu.
(4) James Foreman-Peck en Yi Wang (2014), The Costs to the UK of Language Deficiencies as a Barrier to UK Engagement in Exporting: A Report to UK Trade & Investment, Cardiff Business School, 2014, p. 1.
(5) Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), Talen voor Nederland, Amsterdam, KNAW, 2018, p. 8.
(6) Ibid., pp. 67-68.
(7) Ralf Grüttemeier, 'De staat van het Nederlands in de wereld moet genuanceerder', op Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek, 7 december 2017. In deze reactie op het IVN-Rapport wijst Grüttemeier er terecht op dat er grote verschillen zijn in het wel en wee van de internationale neerlandistiek. Hij laat zien dat er in Duitsland sinds 1982 sprake is van een gestage groei in het aantal hoogleraren. Ook in Zweden (Stockholm) gaat het op dit moment goed met de neerlandistiek. Niet toevallig zijn dit plekken waar wetenschappelijk onderzoek een belangrijk onderdeel van de taakomschrijving is.
(8) Dat betekent dat een Duitse leerling Nederlands een grotere kans heeft op een academisch geschoolde docent in zijn Nederlandse les aan te treffen dan een Nederlandse leerling. De staat van het Nederlands in de wereld, p. 15.
(9) In bijlage 4 Talenstudies in Nederland is het overzicht van de instroom per instelling in Nederland opgenomen. KNAW, p. 85. Het is opvallend dat alleen de bachelor Engels in de lift zit met 20% toename. Vergelijkbare cijfers voor Vlaanderen heb ik niet kunnen achterhalen, vooral omdat het aantal generieke Taal- en letterkunde Bachelor studenten geen inzicht geeft in welke taal of talen de studenten hebben gekozen.
(10) In 2010 bedroeg het totale Taalunie-budget €12.143.024. In 2017 was het €9.981.762. Dat betekent een afname van zo’n 18%. De staat van het Nederlands, p. 19.
(11) Österreichischer Austauschdienst, Bericht über die Prüfung des Jahresabschlusses zum 31. Dezember 2016 Graz, 2016, bijlage 1/6. Voor het ‘Lektoratsprogramm’ van de OeAD staat ruim 0,5 miljoen euro gereserveerd. Ter vergelijking: de Nederlandse en Vlaamse regering reserveerden in 2016 €170.000 voor “inzet moedertaalsprekers”. TAALUNIE, Jaarrekening 2016 Nederlandse Taalunie, Den Haag, 2016, p. 23.
(12) Onze Taal, p. 122.

 

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed