Jheronimus Bosch 500 (3): Visioenen van een genie

De tentoonstelling van het jaar, Jheronimus Bosch – Visioenen van een genie, is open. (In ieder geval voor Nederland – zeker waar het 'oude kunst' betreft.) Achtergrondinformatie over deze voor de stad Den Bosch ongekende onderneming is terug te lezen in het onlangs verschenen nummer 1 van Ons Erfdeel. Manfred Sellink bespreekt o.a. het belang van een dergelijk project. Maar nu kunnen we dus met eigen ogen gaan bekijken wat het initiatief van burgemeester Rombouts en Noordbrabants Museum-directeur Charles de Mooij en de inzet van de Bosch-onderzoekers – het BRCP, geleid door Jos Koldeweij en Matthijs Ilsink – heeft opgeleverd. En dat is veel. Liefst 17 van de 24* aan hem toegeschreven schilderijen én 19 van de 20 tekeningen, die met de huidige stand van wetenschap als eigenhandig worden beschouwd, zijn terug in de stad die ze eeuwen geleden hebben verlaten.

Daaraan ligt een uitgekiend spel ten grondslag van geven en nemen. Normaal willen musea elkaar wel topstukken (tijdelijk) in bruikleen toespelen, maar dan altijd "voor wat hoort wat". Werk van Bosch is A-categorie. Daar moet dus iets heel bijzonders tegenover staan. Maar het Noordbrabants Museum beschikt niet over eigen schilderijen van Bosch en dan moet het over een andere boeg. Grondig onderzoek en/of het schoonmaken/restaureren, zodat de bruikleengever een 'verbeterd' werk terugkrijgt.

De Kruisdraging (ca. 1490-1510) voor (boven) en na (onder) restauratie. Olieverf op eiken, Wenen, Kunsthistorisches Museum, Gemäldegalerie. Foto Rik Klein Gotink en beeldverwerking Robert G. Erdmann voor het Bosch Research and Conservation Project.

Het lobbywerk heeft bijvoorbeeld geresulteerd in de komst van alle Boschschilderijen uit Venetië, die dankzij de restauraties opvallend fris overkomen. Saillant detail: de heilige Wilgefortis (Ontcommer), de hdoofdfiguur van De Wilgefortistriptiek (ca.1495-1505) blijkt inderdaad de baardheilige, die ze zou moeten zijn.

De Wilgefortistriptiek (ca. 1495-1505) na restauratie. Olieverf op eiken. Venetië, Gallerie dell'Academia. Foto Rik Klein Gotink en beeldverwerking Robert G. Erdmann voor het Bosch Research and Conservation Project.

De restauratie legde haargroei bloot, die ze zou hebben gekregen bij haar verzoek aan God om te lelijk te zijn voor eventuele – door haar vader aangedragen – huwelijkskandidaten. Vader kon deze 'stunt' van dochter niet waarderen en liet haar kruisigen, zoals Christus, wiens bruid ze wilde zijn. Met röntgen- en infraroodopnamen wordt duidelijk dat de aanvankelijk op de zijpanelen aanwezige stichters vermoedelijk kort na de oplevering én in het atelier van Bosch zijn overschilderd.

De tentoonstelling

Op de expositie is de hoeveelheid informatie met betrekking tot dit soort ontdekkingen relatief beperkt. Er is voor gekozen het wetenschappelijk karakter bescheiden te houden. Tussen de gemiddeld ca. 500 jaar oude voorwerpen – naast de schilderijen en tekeningen ook objecten uit de tijd als beelden, boeken, cibories, insignes, missalen en prenten – zijn spaarzaam wat monitoren in de wanden verwerkt, met filmpjes die bepaalde inzichten prijsgeven. In een aparte zaal draait permanent een film over de restauratie van de schilderijen van Bosch in Venetië. Ook de begeleidende catalogus is terughoudend in het presenteren van onderzoeksbeeldmateriaal. Gekozen is voor enkele röntgen- en infraroodopnamen om meer ruimte te houden voor detailopnamen. De echte liefhebbers kunnen terecht op de website van het Bosch Research and Conservation Project, dat nu al een aantal resultaten prijsgeeft en zich in de loop der tijd zal vullen met meer materiaal en de te verschijnen boekuitgaven. Deel I is Jheronimus Bosch, schilder en tekenaar. Catalogue raisonné, voor de ware liefhebbers en vorsers is er deel II: Hieronymus Bosch, painter and draughtsman. Technical Studies.

Dé winst van een tentoonstelling als deze is om werken bijeen te brengen, die ooit gescheiden zijn. Zoals het onlangs gepresenteerde paneeltje met De verzoeking van de Heilige Antonius, dat onderdeel is geweest van een (veel) groter werk, zo zijn nu vier onderdelen van de zogenoemde Landlopertriptiek bijeen. De landloper zelf komt uit Museum Boijmans Van Beuningen (Rotterdam), het paneel met De Dood en de Vrek uit Washington en Het Narrenschip (Louvre) en Gulzigheid en Lust (New Haven) vormden zelfs samen één luik. Die panelen zijn boven elkaar gehangen en sluiten – op het verlies aan hout en verf door de zaagsnede na – nauwkeurig aan.

De Dood en de Vrek, Washington, National Gallery of Art, Samuel H. Kress Collection. Foto Rik Klein Gotink en beeldverwerking Robert G. Erdmann voor het Bosch Research and Conservation Project.

 

Twee onderdelen uit de Landlopertriptiek (ca.1500-10) hebben elkaar weer gevonden. Boven Het narrenschip uit het Louvre, Parijs; onder Gulzigheid en lust uit de Yale University Art Gallery, New Haven. De zaagsnede leidde tot verlies van hout en verf tussen beide delen, die daardoor net niet helemaal meer op elkaar aansluiten. Het is de winst van een tentoonstelling als deze dat een dergelijke reconstructie mogelijk is. Foto's: Evert Elzinga

Chronologie en meerhandigheid

Het dateren van de schilderijen van Jheronimus Bosch is op zijn zachtst gezegd problematisch. Bij deze expositie is dan ook niet gekozen voor een chronologisch overzicht, maar is een thematische aanpak, van 'Levenspelgrimage', 'Bosch in 's-Hertogenbosch', 'Het leven van Christus, Bosch als tekenaar' en 'Heiligen' tot 'Het Einde der Tijden'. Deze keuze van de samenstellers heeft tot gevolg dat eigenhandig werk en schilderijen van navolgers of waar de hand van de meester beperkt is (het heet dan 'werkplaats') elkaar in alle zalen afwisselen.

Tekst is er niet – de bezoeker krijgt een handzame brochure en/of audiotour – en dus is er volop gelegenheid tot zelf kijken, zelf ontdekken. En dan zal opvallen dat er vrijwel geen werk lijkt te hangen, waarin maar één hand zichtbaar is. Het blijft altijd een mentale omslag om ervan bewust te zijn dat we, ook wanneer een schilder zijn naam gaat toevoegen aan zijn schilderijen – Bosch begint uiterlijk in 1488 te signeren met 'Jheronimus Bosch' – kijken naar producten uit een atelier, waarin meerdere personen samenwerkten en waarbij de werkverdeling maar moeilijk is vast te stellen.

Bosch wordt geboren in de schildersfamilie 'Van Aken'. Vader Anthonis, broer Goessen en nog een aantal familieleden beoefenden het schildersvak. Jeroen (of Joen) verkiest de verlatijnste voornaam Jheronimus (Hieronymus betekent 'heilig bosch') en koppelt die aan de stad waar zijn opdrachtgevers hem kunnen vinden: Bosch (en dus niet Aken): 'Jheronimus Bosch'. Het vroegst bekende werk met die signatuur is Johannes op Patmos (ca. 1490-'95, Berlijn), een onderdeel van het uiteengevallen broederschapsretabel met houtsnijwerk van Adriaen van Wesel). Boven de naam heeft Bosch – in een verder ingetogen werk – een monstertje met mensengezicht en bril geschilderd. Een zelfportret?

Johannes op Patmos (ca. 1490-1495), Berlin, Staatlichen Museen zu Berlin, Gemäldegalerie.

Het enigszins door de buitenwereld – het publiek wil een duidelijkheid die er niet altijd is – afgedwongen toe- of afschrijven (door het BRCP) aan de meester zelf heeft geleid tot verschuivingen. Zoals eerder aangegeven, raakte het Prado (Madrid) en het Museum voor Schone Kunsten (Gent) respectievelijk het tafelblad met de Zeven Hoofdzonden en de Kruisdraging kwijt als eigenhandig werk. Naar nu blijkt, zijn ook de Keisnijding (ca. 1510-1520) en een paneel met Antonius (ca. 1530-'40 en na 1574) uit het Prado respectievelijk als 'werkplaats/navolger' en 'navolger' gerubriceerd. Het Prado blijkt not amused en heeft de beide werken teruggetrokken van de expositie in Den Bosch! Jammer dat de bezoeker nu niet zelf mag kijken en vergelijken …

Sprankelend

Wandelend door de tentoonstelling en kijkend naar al die verschillende schilderstijlen vallen een paar dingen op. Bosch was zowel kind van zijn tijd als een hoogst originele kunstenaar, zoals ook Sellink in zijn Ons Erfdeel-artikel noteert. De laatmiddeleeuwse visie op het christendom verbinden zijn werk (en dat wat uit het atelier komt) met dat van zijn tijdgenoten. Hij onderscheidt zich van hen door als één van de eersten scènes uit het dagelijks leven toe te voegen of zelfs tamelijk belangrijk te maken. Niet voor niets leende Museum Boijmans Van Beuningen de Hooiwagentriptiek voor de expositie Van Bosch tot Bruegel – de ontdekking van het dagelijks leven. Er zijn daar – naast en gelijkwaardig aan de Boschiaanse elementen als buitenissige mensviswezens – figuren en bezigheden weergegeven, die ons een inkijkje bieden in de wereld rond 1500. Maar ook de keerzijde van een werk als De kruisdraging (1490-1510) toont details die hij om zich heen zal hebben gezien: het looprekje waarmee het wankele Christuskind zijn eerste stapjes lijkt te zetten en het windmolentje.

Christuskind, keerzijde van De Kruisdraging (ca. 1490-1510). Olieverf op eiken, Wenen, Kunsthistorisches Museum, Gemäldegalerie. Foto Rik Klein Gotink en beeldverwerking Robert G. Erdmann voor het Bosch Research and Conservation Project.

Natuurlijk onderscheidt Bosch zich met zijn monstertjes, samengestelde wezens en bijzondere attributen. In de schilderkunst is er in zijn eigen tijd geen geestverwant aan te wijzen (of deze zou anoniem aan zijn eigen atelier moeten zijn verbonden). Toch zijn in de kunstgeschiedenis wel vroegere voorbeelden te vinden: de drôleriëen, versieringen in de marges van verluchte handschriften. Deze waren echter voorbehouden aan een zeer beperkt publiek, want de boeken waren geen gemeengoed. Bovendien waren dergelijke hersenspinsels in Bosch' tijd niet meer in de mode. En hoewel er dus iets van een beeldtraditie is, zijn de creaturen van Bosch uniek. Raadselachtig genoeg bovendien om – blijvend zo lijkt het – niet met zekerheid te kunnen duiden.

En dan is daar een behoorlijk eigenzinnige schildertechniek. Zonder op de stoel te willen gaan zitten van onderzoekers die jarenlang met hun neus op de schilderijen hebben vertoefd, gaan zich kenmerken in het hoofd nestelen van wat nu een eigenhandig werk typeert. Daarbij is waakzaamheid noodzakelijk: de meeste schilderijen hebben een verschillende bewaar- en daarmee verouderingsgeschiedenis! Sommige zijn danig overschilderd (geweest), andere minder. Het ene werk is door de eeuwen heen een stuk transparanter geworden door het verzepingsproces, waar een ander juist nog vrij dekkend is gebleven. Kunstjournalist Stefan Kuiper beschrijft in de Volkskrant de schilderstijl van Bosch als "… weinig schilderachtig. Meer tekenachtig". Kijk je naar een paneel als De Dood en de vrek, waar de verf (vooral in het rood en roze) zeer transparant is geworden, dan ben je geneigd hem gelijk te geven. Het hoofd van de man die geld in een door een monsterrat opgehouden aardewerk kom laat vallen: het is net Anton Pieck! Maar de talloze zwarte lijnen en arceringen waren niet bedoeld om zichtbaar te blijven, wanneer de schildering was voltooid. Wat wel bedoeld is, maar mogelijk sterker geworden qua effect door chemische veranderingen in de onderliggende verflagen is het spel met hoogsels. Met een heel vloeiende stijl kronkelen grillige sliertjes en druppeltjes langs gewaden, metalen voorwerpen, maar ook ledematen enzovoorts: alles dat het licht moest vangen. Het effect is heel goed te zien op de vele handjes die onderzoeker Robert Ertmann naast elkaar heeft gezet, bedoeld om ze goed te kunnen vergelijken volgens de Morelli-methode. (Giovanni Morelli (1816-1891) bedacht dat het onderscheid tussen werk van verschillende schilders te zien moest zijn in details als oren en handen). Het vormt nog altijd de basis van de praktijk van veel connaisseurs.

Handen volgens de Morelli-Erdmann-methode. Bij een dergelijke vergelijking moet wel rekenschap worden gegeven aan de functie en plaats van het detail (voorgrond/achtergrond, groot/klein etc.) en de conditie van het betreffende schilderij. Foto's Rik Klein Gotink en beeldverwerking Robert G. Erdmann voor het Bosch Research and Conservation Project.

Tekeningen

Terug naar Kuiper. Ik zou het enigszins willen omdraaien. De tekeningen van Bosch verraden een schilder. De variatie in dikte van de lijnvoering, het penselige, is terug te zien in zijn schilderijen. Een heel aantal ondertekeningen van de schilderijen is eerder geschilderd dan getekend: met penseel en een waterig medium. Die tekeningen sluiten het beste aan bij een uitvoerige ontwerptekening van een Graflegging, 'getekenschilderd' in grijze en zwarte inkt over sporen van zwart krijt. Het is een schilderij in wording, al achten de samenstellers van expositie en catalogus het heel wel mogelijk dat het een ontwerp voor glas-in-lood, borduurwerk of zelfs een beeldengroep gaat.

De tekeningen – stemmig gepresenteerd in een grote ruimte met nog iets meer gedimd licht – zijn een feest. Proeven van monsters, modelbladen met figuurstudies en schetsen naar de natuur wisselen elkaar af en dat in verschillende technieken. Werk van 'navolgers' – het lijken toch vaak werkbladen uit het atelier – en eigenhandige tekeningen hangen ook hier naast elkaar. Soms is al aan de functie te zien of een blad eigenhandig is, maar vaker is het het zoekende karakter en daarin het trefzekere dat de hand van de meester verraadt.

Juweeltjes zijn de tekeningen met uilen, mogelijk Bosch' lievelingsdieren. Ze komen zo vaak voor dat die veronderstelling – ondanks een vaak negatieve connotatie die aan ze wordt verbonden – gerechtvaardigd lijkt. Eén tekening is vrij bekend in de literatuur: Het veld heeft ogen en het bos heeft oren (Berlijn). Met de strenge uil centraal in een dode boom en de daadwerkelijk in het bos aangebrachte oren en een veld vooraan vol ogen, lijkt het een waarschuwing om waakzaam te zijn: alles wat we doen of laten wordt gezien/gehoord. Geheel bovenaan het blad staat een devies in het Latijn uit een traktaat over het onderwijs aan leerlingen: "Armzalig is de geest die steeds gebruik maakt van de vondsten van anderen en zelf niets bedenkt." Veel zelfbewuster kan het haast niet. Ook visueel lijkt deze tekening dit devies te onderstrepen. Uilen werden maar wat vaak gebruikt als lokvogel: andere vogels waanden zich veilig bij de uil in de buurt en landden op met lijm ingesmeerde takken. Waakzaamheid geboden enerzijds en anderzijds: de mens pakt wat een ander (de uil in dit geval) voor hem vangt …

Een andere uilentekening lijkt eerder louter een inkijkje te willen bieden in de natuur. Het uilennest – uiteraard is de titel er pas later aangeplakt – verbeeldt precies wat de titel aangeeft: een jong in een holle boom kijkt omhoog naar een aanvliegende ouder. De close-up van het tafereel is opvallend modern en wordt nog eens versterkt door het priegelige dorp op de achtergrond.

Visioenen van een genie is in vele opzichten een eyeopener. Er is zoveel te zien en het met eigen ogen kunnen aanschouwen van verf en inkt in alle materialiteit overstijgt elke afbeelding, hoe gedetailleerd ook. Het speelgoed dat het BRCP ons aanreikt, is bonus. Een vette bonus, dat zeker, maar er gaat niets boven het kijken naar originelen. En die zijn er in Den Bosch in overvloed.

Frank van der Ploeg

* Het is wat lastig tellen: soms worden verspreid geraakte delen van een groter geheel als losse schilderijen geteld (van de Landlopertriptiek zijn er vier fragmenten bekend en dan is ze nog niet compleet), waar andere samengestelde schilderijen als één werk door het leven gaan (de triptieken, maar bijvoorbeeld ook de vier panelen met de Visoenen van het Hiernamaals uit Venetië).

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed