Nederlands in Napels

Nederlands in Napels

Luc Devoldere, hoofdredacteur van alle publicaties van Ons Erfdeel vzw, gaf onlangs een gastcollege aan de universiteit van Napels, waar honderdveertig jongeren Nederlands studeren. ‘Voor Italianen is het een ontdekking te beseffen dat olandese ook gesproken wordt in België, en dat je het dan ook Neerlandese, zelfs Nederlandese mag noemen. En dat je het beter niet hebt over fiammingo.’

Honderdveertig studenten studeren Nederlands aan de Università Orientale in Napels. Dat is het hoogste aantal in Italië, dus meer dan in Rome, Bologna, Padova, Milaan en Triëste. Als ik de hoofddocent en literair vertaler Franco Paris vraag hoe dat komt, antwoordt hij: “Economische verwachtingen; een zeker exotisme en…”, hij wordt wat verlegen, “de goede naam van de docenten.” Franco Paris zelf dus en zijn collega Luisa Berghout.

De Orientale, die ongeveer tienduizend studenten telt, biedt naast politieke studies tweeënveertig talen aan, en heeft voor Arabisch, Russisch en Chinees topopleidingen in huis. Van de Europese talen scoren Engels, Spaans en Duits goed. En dan komt Nederlands. Overigens geeft ook Paris zijn studenten dezelfde raad die de professor uit La meglio gioventù geeft aan een student – midden jaren 1960 al! – bij het examen geneeskunde: “Ga hier weg.” Als studenten hem raad vragen omdat hun ouders hen niet op Erasmus laten gaan naar Nederland, dan zegt hij: “ Ga gewoon, neem een trein of bus. Bel vanuit Amsterdam dat je daar bent. Je ouders houden van je. Ze zullen je steunen.”

Ik ben hier uitgenodigd omdat Franco Paris België wil voorstellen aan zijn studenten: de Franstalige literatuur en de Nederlandstalige of Vlaamse. Hij werkt daarvoor voorbeeldig samen met het departement Frans, met name met hoofddocente Maria Centrella. Marie-France Renard van de Archives et Musée de la Littérature in Brussel is langs geweest. Nu is het mijn beurt.

Paris geeft een interessant college over Paul van Ostaijen en diens schatplichtigheid aan de Franse en Duitse cultuur. Hij stelt een “onmogelijke” vertaling voor van het gedicht ‘Melopee’. Om de auditieve nabijheid van man en maan te benaderen, vertaalt hij man als persona: luna komt dan toch al in de buurt. Dat heet compensatie, zucht hij.

Worstelen met alaam

Ik heb besloten in mijn lezing de complexe en gecompliceerde verhouding van elke Vlaamse schrijver met zijn taal – eigenlijk moet ik talen zeggen – te behandelen. Voor Italianen is het al een ontdekking te beseffen dat olandese ook gesproken wordt in België, en dat je het dan ook Neerlandese, zelfs Nederlandese mag noemen. En dat je het beter niet hebt over fiammingo.

Ik probeer uit te leggen dat de meeste Vlamingen zich bewegen tussen dialect, tussentaal en standaardtaal. Dat bij een oudere generatie schrijvers het Frans en de Franse cultuur resoneren in hun Nederlands. Dat er een afstand bestaat tussen de schrijver en de taal die hij of zij gebruikt. Dat Vlaamse schrijvers worstelen met hun alaam, hun taalmateriaal. En wat voor mooie dingen daar uitkomen. Ik spreek hier Nederlands, maar ook de studenten Frans komen aan hun trekken, en Franco Paris vertaalt de gedichten in het Italiaans.

Een flard Brel en gedichten van Leonard Nolens, Charles Ducal en Luuk Gruwez moeten dat allemaal illustreren:

Jacques Brel merkt in ‘Les F.’ – hij bedoelde ‘les Flamingants’ – gepijnigd op:

(...) quand les soirs d’orage des Chinois cultivés
Me demandent d’où je suis, je réponds fatigué
Et les larmes aux dents: ‘Ik ben van Luxembourg’ 

Zijn hybride, verscheurde identiteit drukte hij uit door twee talen te gebruiken, en zijn “Vlaamse” en “Belgische” identiteit te ontwijken. Door te kiezen voor een non-identiteit, die van het Groot-Hertogdom dat als een appendix aan België hangt, zijn tiende provincie. Je hoort er nooit iets over. Het lijkt geen geschiedenis te hebben en daarom is het een gelukkig landje. Taal lijkt er ook geen probleem – je hoort er Frans, Duits, zelfs Engels – en onder elkaar spreken die Luxemburgers, als een soort geheimtaal, Letzeburgs.

‘Plaats en datum’
Uit: Leonard Nolens, De gedroomde figuur, 1986

Ik ben in België geboren, ik ben Belg.
Maar België is nooit geboren in mij.
Ik ben in Vlaanderen geboren voor altijd,
Maar niet in Vlaanderen stond mijn oudste wieg.
Vlaanderen is mijn moderne kunstmoeder nu
Van wie ik mijn kindertong niet kreeg,
Van wie ik de hartbrekende wartaal bestudeer.
Vlaanderen werd traag mijn historische vader
Wiens voorgeslacht het mijne niet is.
Ik ben geboren in Limburg, koud,
Een koude, koude provincie.
Ik heb het er heet gekregen.
Ik ben ook geboren in Bree, Loons
En Luiks, een dodenstad, een middenstand
Met een zangerig, klagerig plat
Dat me hardop droomt als ik slaap,
Als ik slapend word ondergedompeld
In langzaam Nederduits.
Dat is muziek
Die ouder, me vertrouwder is dan dit
En die ik hier probeer te transponeren.
En ten slotte, als gezonde zoon
Van veel kanonnenvlees, ten slotte
Ben ik geboren in 1947,
Een rauwe datum, een hoopvolle tijd,
Een wereldwijd tekort dat groeit
In mij, in mij volwassen wordt.

‘Le flamand’

Uit: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje, 2009

Ik heb niet de gave mijzelf te vertalen,
deze matrijs is mijn enige vorm,
dit bange omhulsel, dit enge Vlaanderen.
Het zit om mij als de korst

om het brood, zo hopeloos dicht
dat het verplicht genoeg te hebben
aan zichzelf, zuur en droog. Ik
droom soms het slijpen van messen.

Frans, Albanees, Tamazight,
om leven te snijden in dit versteende verhaal.
Maar de korst is zo hard en zo dik
dat ik stik in mijn eigen, mijn enige taal


‘Speech’
Uit: Luuk Gruwez, Allemansgek, 2004


Het is het Nederlands dat mij geplunderd heeft
en dat mij –tussen afval, schroot en puin –
vertrapt, gemarteld en vermorzeld heeft,
tot ik niet langer wist welk van mijn ikken ik was.

Het is het Nederlands dat mij vernederd heeft
en dat mij uit mijn Hoogstraat heeft verdreven
na het gebekvecht met mijn terminale Vlaams.
Het is het Nederlands dat mij verplicht heeft

af te zien van het geroezemoes en het gezoem
dat heerste van Deerlijk tot Heestert, van Zwevegem
tot Moen, en dat vervloeide in het oor van een of andere
alom gevreesde, alom beminde teerbeminde.

Het is het Nederlands waarmee ik mij verloofd heb,
ter wille van die ene lik, die ene snik, die cunnilingus
met wie zich amper een paar jamben beffen liet:
de memmende en stamelende schoonmama

die mij belette in het Vlaams te poepen en mij
de kruissteek bijbracht telkens als ik naaien wou.
Het is het Nederlands dat mij het spreken af deed leren.
Het is het Nederlands dat mij belemmerde te leven.

Het moeilijkst maar ook het mooist om uit te leggen is hoe “Nederbelg” Joke van Leeuwen als meisje van dertien in Brussel plots woorden ontmoet in haar eigen taal die ze niet bleek te kennen, en die ze zich met verwondering en uiteindelijk met dankbaarheid en liefde eigen maakt en opneemt in haar, ons aller Nederlands.

‘Kind in Brussel’
uit: Vier manieren om op iemand te wachten, 2001

Er kwamen woorden op bezoek.
Ze bleven zitten in mijn rotan stoelen.
Ze zaten te bedoelen met rood hoofd.
Gij, waarin ik zo anders had geloofd
was zonder goddelijke jas
en stukken kleiner. Verfijnd
vroeg ieverans zich af hoe ergens
ergens anders was. Seffens
hield zich niet strak aan straks,
bleef sloom op beiden billen hangen.
Maar goesting,
uit zijn stoel gerezen,
breed, met handen, bood zich aan
als nieuwste woord om zelf te lezen.

 

Jammer dat Napels de avond ervoor van Feijenoord thuis heeft verloren. Maar taal, talen hebben even geschitterd aan de Università Orientale.

Deze artikels interesseren je wellicht ook:

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed