Op weg naar Frankfurt (1): Hoe vrij is de Nederlandstalige poëzie?

Op weg naar Frankfurt (1): Hoe vrij is de Nederlandstalige poëzie?

Over minder dan drie weken begint de Frankfurter Buchmesse, de belangrijkste boekenbeurs ter wereld. Vlaanderen en Nederland zijn er dit jaar het gezamenlijke gastland, onder het motto Dies ist, was wir teilen. De jongste editie van The Low Countries, het Engelstalige jaarboek van Ons Erfdeel vzw, maakte eerder dit jaar de staat op van de literatuur van de Lage Landen. Het jaarboek fungeert in Frankfurt als een informele catalogus en zal er ruim worden verspreid. Vijf auteurs belichten in The Low Countries evenveel genres: poëzie (door Piet Gerbrandy), proza (Matthijs de Ridder), essayistiek (Cyrille Offermans), kinder- en jeugdliteratuur (Mirjam Noorduijn) en strips / graphic novels (Toon Horsten). De komende weken brengen we deze artikelen op de blog van Ons Erfdeel, te beginnen met de beschouwing van Piet Gerbrandy over poëzie. Waar mogelijk linken we naar de Ons Erfdeel-stukken over de vermelde auteurs. 

 

Hoe vrij is de poëzie?

door Piet Gerbrandy

Het woord is vrij. Als de gierzwaluw van Gezelle suist het door de onmetelijke ruimte van de geest, opgetild of aangeblazen door koele of zoele winden uit verre streken, door ‘Luft von anderem Planeten’, om met Stefan George te spreken. Niets of niemand vermag zijn levenslust en vrijheidsdrang te dwarsbomen, hoezeer ook maatschappelijke instituties, benepen moralisme, geld of terreur het pogen te knechten. De ziel van de dichter raakt aan een oorsprong die geen kerk of kanselarij ooit zal domesticeren.

Ik weet het, dit is romantische dweperij waarin ik zelf maar half geloof. Misschien is het eerder een ideaal om na te streven, een ijkpunt om tegen de klippen op aan vast te houden, want zonder vertrouwen in de mogelijkheid en de zin van creativiteit kunnen we net zo goed de tent sluiten. En waarom zou de poëzie de beste papieren hebben om het domein van totale vrijheid voor zich op te eisen, eerder dan muziek, toneel, film of beeldhouwkunst? Omdat zij niets behoeft dan een denkend brein, een stem en een hand die een potlood kan vasthouden? Met poëzie is geen geld gemoeid, de dichter heeft geen atelier nodig, hij hoeft geen orkest in te huren en geen camera aan te schaffen. En omdat hij van tevoren weet dat van dichten ‘cleinen bate’ te verwachten is, zoals de dichter van de Beatrijs het uitdrukt, steekt hij zijn energie niet in marketingstrategieën. Kortom, zelfs wanneer je de poëzie vanuit economisch perspectief benadert, zou zij zich ongehinderd, als adem, licht of feromonen, tussen de mensen moeten kunnen bewegen.

Toch is ook deze visie te romantisch. Behoud de Begeerte, de Dichter des Vaderlands, Poetry International, de VSB Poëzieprijs, Perdu, Nooit meer slapen, de School der Poëzie, De Standaard, de Herman de Coninckprijs, de Poëziekrant, De Bezige Bij, De Reactor, het Tuinfeest in Deventer, Uitgeverij P, de Wintertuin, de Stadsdichter van Antwerpen, de Schrijversvakschool, De Morgen, het Poëziecentrum Nederland, De Gids, het World Slampionship, Meander, de Turingprijs, het Letterenfonds – ik zou deze opsomming moeiteloos nog een pagina kunnen voortzetten, zoveel instanties zijn er die zich intensief of zelfs exclusief met poëzie bezighouden.

Sinds een jaar of tien heeft iedere zichzelf respecterende stad een stadsdichter, gedichten sieren gevels in Leiden en trottoirs in Leeuwarden, tientallen Nederlandse en Vlaamse uitgeverijen brengen jaar in jaar uit minstens twee meter aan dichtbundels uit, elke maand is er wel ergens een festival, geen expositie is compleet zonder dichter van dienst. Ofschoon ik vermoed dat het totale bedrag dat in de sector omgaat iedere bankdirecteur of consultant zou doen schuddebuiken, is het duidelijk dat ook dichters in het commerciële circuit meedraaien – en dit in een tijdsgewricht dat, zegt men, geplaagd wordt door financiële crises. Bestaan ze eigenlijk nog wel, de dichters die zich in hut of mansarde terugtrekken om zich te wijden aan niets dan het woord? Sterker nog, zijn zulke dichters er ooit geweest?

 

Geen centrum meer

Wie het landschap van de Nederlandstalige poëzie van de afgelopen jaren overziet, kan niet anders dan vaststellen dat ze floreert, gekenmerkt wordt door een enorme veelzijdigheid en, gezien haar verwaarloosbaar economisch belang, haar vrijwel totale verdwijning uit het onderwijs en de geringe maatschappelijke relevantie die haar doorgaans wordt toegekend, buitengewoon zichtbaar is. Natuurlijk, er zijn verschillende circuits en de ene dichter heeft meer succes dan de andere, maar duizend stemmen zijn hoorbaar, en er wordt goed voor ze gezorgd. Wat betekent dit voor wat al die dichters te zeggen hebben? Impliceert het anything goes dat er inderdaad ongekende vergezichten worden geëxploreerd? In hoeverre weet men zich ingebed in sociale en economische structuren? En doen globalisering, ecologische rampen, islamitische barbarij en onhanteerbare migratie hun invloed gelden op een kunstvorm die het zich zou kunnen permitteren even vrij te zijn als de oeroude zang van de lijster?

Echte vrijheid is een illusie. Weerstand en beperkingen dwingen bovendien tot inventiviteit en creativiteit. Waar alles kan en mag, heeft niets meer zin. Goethe merkt terecht op: ‘In der Beschänkung zeigt sich erst der Meister, / Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.’ Kijk ik naar de Nederlandstalige dichters die er op dit moment toe doen, dan zie ik dat zij worstelen met de inperkende kaders die hun gesteld zijn door de menselijke natuur, door sociaal-economische factoren en door de vermeende wetten van de literatuur zelf. Wat dit betreft verschilt hun situatie niet wezenlijk van die van alle andere dichters uit de wereldliteratuur, maar ze zoeken er wel nieuwe vormen voor.

Het valt overigens nog niet mee vast te stellen welke dichters op dit moment tot de grote meesters gerekend kunnen worden. De laatste jaren zijn ons een paar onbetwiste gangmakers ontvallen: Hugo Claus (1929-2008), Rutger Kopland (1934-2012), Gerrit Kouwenaar (1923-2014), Leo Vroman (1915-2014), H.H. ter Balkt (1938-2015). Van de nog levende dichters die de belangrijkste prijzen hebben gekregen, heeft niemand een statuur die aan genoemde iconen kan tippen. Leonard Nolens (°1947), Anneke Brassinga (°1948), Tonnus Oosterhoff (°1953) en Nachoem M. Wijnberg (°1961), bijvoorbeeld, gelden als goede dichters, maar vallen niet werkelijk op te midden van die tientallen anderen van wie zo nu en dan een bundel verschijnt. Vermoedelijk heeft dat minder met kwaliteit te maken dan met het feit dat de dichtkunst geen centrum meer heeft. We denken niet meer in hiërarchische patronen, bovendien is de poëziekritiek geleidelijk verschoven van haar vaste plaats in gezaghebbende dagbladen naar de diffuse wereld van het web. Ik denk dan ook niet dat Claus en Kouwenaar opvolgers zullen krijgen, en misschien is dat maar goed ook. Noem ik hieronder enkele namen die ik van belang acht, dan is dat een tamelijk willekeurige greep uit een overweldigend aanbod.


In de schaduw van de traditie

Tonnus Oosterhoff staat bekend als vernieuwer. Hij was de eerste dichter van naam die begon te experimenteren met de mogelijkheden van digitale poëzie. Op zijn website verschenen gedichten die tijdens het lezen van gedaante veranderen, als om de voorlopigheid van iedere mededeling te benadrukken. In enkele van zijn bundels heeft hij de typografie van zijn gedichten verstoord door er in eigen handschift aantekeningen aan toe te voegen, als zou de lezer slechts een kladversie in handen hebben. Hoe revolutionair deze formele ingrepen ook zijn, ze kunnen niet verhullen dat Oosterhoffs thematiek overwegend traditioneel is, want hij schrijft over gemis, vergankelijkheid en vergeefsheid. Het slotgedicht van Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002), op zichzelf al een titel die de alomtegenwoordigheid van de dood oproept, lijkt een hardhandig afscheid van zowel taal als leven te bewerkstelligen. ‘Toe,’ zegt hij, ‘breek dit huis af / Gebruik mijn pneumatische hamer’. Is er in de tweede strofe nog sprake van een zomerse barbecue, even later is het reeds herfst en steekt er een storm op. De tekst is gepresenteerd als een nog fragmentarisch geheel waaraan in handschrift enkele suggesties zijn toegevoegd. Zo eindigt de derde strofe met de gedrukte letters ‘ades’, voorafgegaan door drie mogelijke invullingen waarvan er twee leesbaar genoeg zijn om ‘galoppades’ en ‘Hades’ op te leveren. Wanneer onder aan het gedicht driemaal een regel uit een religieus lied wordt aangehaald, ‘Ach wie nichtig, ach wie flüchtig’, is het zonneklaar dat Oosterhoff inhoudelijk weinig heeft toe te voegen aan Sappho, Horatius en J.C. Bloem. Hij is zich bewust van de beperkte speelruimte van de eendagsvliegen die wij zijn.

Ook Runa Svetlikova (°1982), aan wie in 2015 de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut in Vlaanderen werd toegekend, schreef met Deze zachte witte kamer een bundel waarin de broosheid van zowel de wereld als de menselijke existentie centraal staat. Het boek is op eigenzinnige wijze gestructureerd, refereert aan recent natuurwetenschappelijk onderzoek en cultiveert hier en daar een zekere terloopsheid in de stijl, maar datgene waarover ze spreekt bevindt zich op het overbekende terrein van liefde en dood. In een van de beste gedichten wordt een kind geboren: ‘Elke geboorte is een besmettelijke wonde / dus houd ik het niet echt tegen me aan,’ aldus de aanhef. Vervolgens wordt het ‘in mijn armen gematerialiseerde ding’ met ongeloof bekeken, wanneer de jonge ouders zich realiseren dat er iets is voortgebracht ‘met een minstens even groot vermogen / tot gruwel als wij bezitten’. Eenmaal thuisgekomen ‘leggen we het voorzichtig tussen ons in: alsof dit kind / elk moment kan detoneren’. Het is een gevoel dat veel moeders en vaders zullen herkennen: dat je iets op de wereld hebt gezet dat enerzijds een deel van jezelf is, maar anderzijds een vreemd wezen waarin je nooit zult kunnen doordringen.
Svetlikova neemt alle vrijheid om haar eigen universum te scheppen, maar de elementaire bouwstenen ervan liggen al duizenden jaren vast – of eigenlijk al sinds de oerknal. Het eerste gedicht van de bundel heet ‘A Big Bang’ en begint met een nuchtere constatering:

er is niet meer nodig dan afstand om ons te zien zoals we zijn
het aangroeien en afsterven van tijdelijke structuren, licht
in het donker in het licht wij groeien in alle richtingen, een woeker

In het laatste gedicht, ‘The Big Rewind – Revisited’, is de cyclus van uitdijing en inkrimping voltooid, wellicht om weer opnieuw te beginnen: ‘wij vallen allemaal terug dezelfde knal in. Er is alleen begin –. Niet alleen deze thematiek, maar ook het feit dat de duur van het universum gelijk opgaat met het verloop van de bundel zelf, zodat het kosmologisch relaas een poëticale laag krijgt, is door en door traditioneel.


Asielkampen moeten het liefst aan de horizon staan

Andere dichters richten de blik op de wijze waarop de mens de wereld heeft ingericht. Het zijn niet alleen de natuurwetten die onze reikwijdte beperken, we worden ook beheerst door structuren en concepten die we zelf hebben voortgebracht. Politiek activisme moge zeldzaam zijn in de Nederlandstalige poëzie, dat betekent geenszins dat de verontrustende werkelijkheid van racisme, terreur en de verwoesting van het milieu niet aan de orde komen. In ‘Wwwwwhooooshh’, het laatste gedicht uit ‘De voorbode van iets groots’ (2006), schetst Dirk van Bastelaere (°1960) een moderne dystopie die hij telkens onderbreekt met citaten uit een Duitstalig werk over politieke systemen: ‘Die Faschismus an der Macht ist / die äußerste Systemsicherung in äußersten Krisenlagen / des monopolbestimmten Kapitalismus.’ Vervolgens schrijft hij:

Herbegin met de zon, die op niets toe zeilt, een zuiver gebeuren, een catastrofe  zonder genadegave of ‘krachtige stem’. Daarmee is geen religie gemoeid. Geen  antropomorfismen. ‘Over vier miljard jaar zijn uw fenomenologie en  utopische politiek gestorven en is er niemand om de doodsklok te luiden of te  horen.’ De natuur negeert ons bestaan, zoveel is duidelijk. Alleen blijft de  vraag of je hier, nu keelpijn hebt, haar geschoren venusheuvel streelt,  bezinelucht ruikt, de katten te eten geeft of als Harrisson Ford in Blade Runner  in ongewisheid verkeert over je ‘leven’. 

Ook in de politiek-theoretisch zwaarbeladen poëzie van Van Bastelaere ontbreekt het kosmologisch perspectief dus niet.

Dat geldt ook voor het werk van Mustafa Stitou (°1974). In Varkensroze ansichten (2003) tekent hij een zielloze nieuwbouwwijk, waar, ondanks de opgewekte ideologie van vooruitgang en financiële zekerheid, achterdocht en benepenheid heersen:

Hier zijn pionieren klootjes of crimineel

en wie niet te categoriseren valt
in een aparte doos – woonkamers wemelen
van geruchten over een pedofiele buur

en asielkampen moeten het liefst
aan de horizon staan, zo scheidt men
het goede van het zwarte.

De reeks waarin deze regels voorkomen, heeft behalve een antropologische, ook een epistemologische strekking, want enkele malen spreekt de dichter over het ‘onderliggende het zich tonende, / het zich tonende het zich tonende’. Hoe kenbaar is de wereld? Dat is niet bepaald een nieuwe vraag. Dat Stitou zijn klassieken koestert, blijkt bovendien uit het gegeven dat deze reeks is opgebouwd uit terzinen. Suburbia is een Inferno, zoveel is duidelijk.


Vertrouwde ritmes

Voor een derde groep dichters zijn het juist die aloude literaire conventies die de vrijheid van de poëzie inperken. Met enige zelfspot kijkt Leonard Nolens terug op zijn periode van Sturm und Drang, die bedroevend weinig nieuws zou hebben opgeleverd. Dat valt inderdaad af te zien aan de vorm van zijn gedichten, waaraan een beproefde retorische orde is opgelegd:

Wij herschreven Athene, Schubert en Rembrandt
In het plat van onze verdwenen geboortestreek.
Wij promoveerden op ons persoonlijke pathos.
Wij diplomeerden ons hart.
Wij doctoreerden in de lyriek.
Wij ambieerden veel vooruitgeschoven posten
Zonder status. Wij vonden geen draai.

Onze voeten, zegt Nolens, zochten een aanknopingspunt in ‘de schroefdraad van oude tradities’. Geen wonder dat Nolens’ poëzie zo populair is: lezers voelen zich thuis in vertrouwde ritmes.

 

Verwarring zaaien

Er zijn echter ook een paar jonge dichters die ervoor ijveren de literaire traditie werkelijk om zeep te helpen. De interessantste onder hen is zonder twijfel Maarten van der Graaff (°1987), die in 2014 de Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige debuut in ontvangst mocht nemen. In Vluchtautogedichten rekent hij op vrolijke wijze af met zijn voorgangers:

Ik zag Rutger Kopland in blinde paniek zoeken naar dat en dat
gedicht. Tonnus Oosterhoff sterft misschien opmerkelijk vroeg,
of hij sterft met een hond in zijn achterbak op de snelweg.
Jules Deelder moet op het podium sterven.
H.H. ter Balkt staat ergens langs de weg te wateren
en dan gebeurt het. Niet zoals hij heeft geleefd, want zo sterven
is sentimenteel en bovendien een leugen.
Duinker krijgt niets en wordt oud.
Hij neemt de Prijs der Nederlandse letteren fluitend in ontvangst.

Van der Graaff ervaart de geijkte vormen als achterhaald, hij zaait graag verwarring, maar de persoonlijke inzet is groot. Hij zou kunnen uitgroeien tot een dichter van formaat.

Toch verwerpt zelfs Van der Graaff de mogelijkheid van het toekennen van betekenis niet. Hij is scherp en opstandig, maar zijn wereld is de onze. Bij Marc Kregting (°1965), daarentegen, moeten ook betekenis en coherentie eraan geloven. In Onze Nietzsche. Catechismen (2014) plaatst hij schijnbaar lukraak losse zinnen achter elkaar. Weliswaar is de tekst zo opgebouwd dat je na enige tijd leidmotieven gaat ontdekken, maar het geheel verzet zich radicaal tegen interpretatie. Opmerkelijk genoeg is deze chaos niet alleen hoogst vermakelijk, maar werkt hij zelfs bezwerend. Dat komt door de ritmische kwaliteit van de afzonderlijke zinnen en de klankherhalingen waarmee ze aan elkaar zijn gekoppeld, die ervoor zorgen dat de tekst op auditief niveau niet uit elkaar valt. Dit is een willekeurig fragment:

Verder heeft onze Nietzsche geen klagen meer na failliet te zijn gegaan. Opgelucht kunnen de klokken weer aan. Waar is de commissaris? Fietsen mag nooit zonder g-string. De allerhoogste verdraagt dat niet. Dat komt haar te  staan op de berisping van achter. Smaakt dat naar een extra rondje Parijs- Camembert? En kom je binnen? ‘Tolerantie is voorwaardelijke, omzichtige,  angstvallige gastvrijheid’, zegt Jacques.

Niettegenstaande de vernietiging van de meeste aspecten die poëzie de laatste eeuwen tot poëzie hebben gemaakt, handhaaft Kregting juist het voornaamste element dat ten grondslag ligt aan de poëtische ervaring, en dat is haar fysieke manifestatie. Taal zonder semantische samenhang blijft boeien zolang klank en ritme haar schragen.


De tijd der eenzijdige beweging is voorbij
De Nederlandstalige poëzie, kortom, is veelzijdig en springlevend. De maatschappelijke inbedding moge veranderd zijn, de intrede van het internet heeft nieuwe mogelijkheden tot publicatie geschapen, oude vormen worden aangepast of verworpen, ‘de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij’, om Lucebert te citeren. Maar uiteindelijk doen dichters nog steeds wat ze altijd hebben gedaan, met de vrijheid én de beperkingen die ook de vlucht van de gierzwaluw en de zang van de lijster kenmerken. Dat is een hoopgevende gedachte.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed