Peter Verhelst schrijft Poëziegeschenk 2018, thema is theater

Peter Verhelst schrijft Poëziegeschenk 2018, thema is theater

Dichter, romanschrijver en regisseur Peter Verhelst (Brugge, 1962) schrijft het Poëziegeschenk 2018. De bundel verschijnt in de Poëzieweek en heeft als thema theater. Het motto luidt: ‘Uitstromend, in het pluche van de zaal’.

Dertig jaar geleden debuteerde Verhelst als dichter met de bundel Obsidiaan (Ons Erfdeel-recensie hier). Begin 2017 publiceerde hij daarom Koor, een keuze uit drie decennia poëzie. Sarah Vankersschaever besprak deze bundel in Ons Erfdeel. Hieronder kun je haar tekst lezen. Meer artikelen over Peter Verhelst vind je in ons archief.

 

HET NIEUW SAMENGESTELD GEDICHT

Dertig jaar poëzie van Peter Verhelst

Dertig jaar... Dat is een leven. Hoe valt dat in honderdtwintig beelden of momenten te vatten, goed wetende dat de selectie door het verleden onverbiddelijk in gebreke wordt gesteld? Het verlangen naar volledigheid ten spijt: altijd laat je gebeurtenissen, mensen en inzichten onvermeld. Wat je uiteindelijk zorgvuldig hebt uitgezocht, is een nieuw samengesteld verhaal: een leven zoals je het niet hebt geleefd, maar in de afzonderlijke delen wel precies zo hebt beleefd.

Peter Verhelst (1962) is dertig jaar auteur. Dichter, romanschrijver, jeugdauteur en theatermaker. Genoeg stof voor een verzameld werk, dacht de uitgever. Genoeg stof voor iets anders, dacht de dichter. En dus koos Verhelst 120 gedichten uit zijn oeuvre en noemde het “een keuze”. Uitgeverij De Bezige Bij noemt het categorisch dan toch een bloemlezing. De criticus Jeroen Dera noemt het in De Standaard der Letteren “een monument, zowel in het oeuvre van Verhelst, als in de poëziegeschiedenis”. Het minste wat je van Koor kunt zeggen, is dat het voluit Verhelst is: een weldoordacht contrast. Zowel een punt op de i als een breekpunt.

In het Oudnoords, een van onze talen van voor 1500, betekende “kiezen” zoveel als “wensen, betoveren”. Je kunt alleen maar wensen dat daar in ons huidige kiesgedrag nog ruimte voor is: dat in een keuze het verlangen schuilt naar iets mooiers, naar een gedaante die het oude overstijgt.

Het is precies wat er gebeurt wanneer een dichter kiezen gaat: het gaat niet langer over verliezen, maar over winst. Koor is de keuze van Peter Verhelst. Een nieuw samengesteld gedicht: een bundel zoals de dichter die niet bewust heeft geschreven, maar in de afzonderlijke delen wel precies zo heeft bedoeld.

Op de boekpresentatie van Koor, eind januari in Gent, ging Verhelst op het podium in gesprek met Ruth Joos. Ze vroeg hem hoe hij had gekozen. “Ik wilde geen bloemlezing en ook geen chronologie maar een welbepaalde sfeer. Er waren een vijftal gedichten die ik zeker in de bundel wilde en daarrond heb ik leven geschikt. Dat is Koor”, zei Verhelst.

Het is niet omdat er geen sprake is van chronologie, dat er geen evolutie in zijn oeuvre of in zijn selectie te zien is, zo merkte hij op. “Vroeger werd er in mijn werk nogal hard gebeukt, spatte het allemaal in het rond. In mijn laatste drie dichtbundels merk je een zoektocht naar tederheid en toon ik kwetsbaarheid. Zo wordt liefde vollediger, complexer, meerlagig. De range tussen twee lappen vlees die tegen elkaar beuken en de kwetsbare ontmanteling van de liefde, dat is het hele leven.” In het contrast verbergt zich de volledigheid, lijkt Verhelst te willen zeggen.

Die range in Verhelsts oeuvre is best schoksgewijs tot stand gekomen. In 1997 pleegde de dichter in het literaire tijdschrift De Revisor zelfmoord: “*1987 - †1997”, zo ondertekende hij zijn ingezonden
tekst. Het was op, het lyrische ik was klaar om vernietigd te worden. “Met de bundel Verhemelte (1996) had ik mezelf tot een einde gebracht”, zo blikte hij op die beslissing terug.

Sinds zijn poëziedebuut Obsidiaan in 1987 had Verhelst bijna onophoudelijk gepubliceerd, zowel poëzie als romans. In de jaren nadien zou hij zich toeleggen op theaterteksten, (jeugd)romans en novelles, en profileerde hij zich als regisseur. Zijn overtuigende comeback als dichter – de in 2003 uitgebrachte bundel Alaska werd veeleer als nawee onthaald – kwam er pas in 2008 met Nieuwe sterrenbeelden. Daarna volgden Zoo van het denken (2011, Ons Erfdeel-recensie hier), Wij totale vlam (2014) en Zing zing (2016).

Sinds 2008 vallen hem de mooiste prijzen uit de poëziewereld ten deel: de Jan Campertprijs, driemaal
de Herman de Coninckprijs (ook eenmaal de Publieksprijs), de Gedichtendagprijs, de Ida Gerhardt 
Poëzieprijs. Een reden om in leven te blijven. 

Net als zijn parcours de voorbije drie decennia, is Verhelsts selectie in Koor geen oefening in voorspelbaarheid. Verhelst neemt twee debuutgedichten op uit Obsidiaan, eentje uit de opvolger OTTO (1989)
en drieëndertig gedichten uit Nieuwe sterrenbeelden. Verder komt maar liefst vijfenzestig procent uit zijn laatste vier bundels. Uit Wij totale vlam werden er bijvoorbeeld twaalf opgenomen, uit Zing Zing zestien. Al heeft die klif in de grafiek ook een pragmatische reden: de poëzie uit Verhelsts beginjaren noemt hij zelf “obsessief gestructureerd” en die gedichten laten zich nu eenmaal moeilijker uit een bundel isoleren.

Alles samen telt Koor eigenlijk 119 gedichten, geen 120 zoals op de kaft staat. Het getal is van geen tel. Zelfs de keuze is ondergeschikt aan het kiezen. Verhelst heeft de geselecteerde gedichten gekneed op elke mogelijke, dichterlijke manier, zodat de stemmen zich loepzuiver zouden binden tot een koor en een sfeer. De mooiste illustratie daarvan is de inhoudsopgave achterin: die toont hoe alle bundels zich via hun afzonderlijke en onvolledige delen in elkaar vlechten, zodat oud, recent en ongepubliceerd werk (vijf gedichten) elkaar vinden. Toch is Koor meer dan stapelkunst. Verhelst haalde ook de vijl boven en schaafde her en der aan bijvoeglijke naamwoorden, lengtes en soms zelfs aan de volgorde van versregels – nog het meest in de acht opgenomen gedichten uit Verhemelte (1996).

Koor is geen oude wijn in nieuwe zakken, het is een nieuwe bundel. Het is een nieuw samengesteld gedicht, zoals dat vandaag ook met gezinnen gaat. En net zoals in een leven gaat er een breuk aan vooraf, met de vernietiging van het lyrische ik in 1997. Sterker nog, Koor kondigt met zijn openbaring meteen een nieuwe breuk aan.

“Ik moet gewoon even wachten. En dan komt er iets nieuws”, zei Verhelst bij de presentatie van Koor over zijn zelfgekozen dood in 1997. Hij had het ook over 2017: de keuze uit zijn oeuvre rondt dertig jaar dichterschap af en daarmee ook een (onderbroken) leven. Tijd voor de dichter om opnieuw te sterven en dan – hopelijk – weer op te staan met een nieuwe stem.

Dat herhaalde, kleine sterven van Peter Verhelst komt niet geheel onverwacht. De bundels Wij totale vlam en Zing zing handelden allebei over de existentiële reis van twee geliefden, en hoe hun versmelting uiteindelijk tot vernietiging leidt. In Wij totale vlam klinkt dat zo:

een vrouw en een man die enkel door elkaar

in vuur en vlam te kijken hun naam kunnen uitspreken

om zichzelf

die op het

water uit te zien wissen

In Zing zing zo:

Twee hevig wapperende vlaggen.

Alsof we iets ongerepts betreden

wat er altijd zal zijn, zeg je hees.

Maar twee gedichten later: “Nooit eerder / reden we zo traag van ons weg.”

Beide bundels hebben een diepe verwantschap in taal, sfeer en zintuiglijkheid. Bijvoorbeeld het contrast tussen harde materialen zoals steen en ijs en zachte elementen zoals wind en adem. Ook de (intertekstuele) beeldtaal van kunstenaar Johan Tahon is nooit veraf, net als het “doorzichtige koor” dat zijn poëzie trouw bevolkt, als personage en als structuur. Ook Koor zet die liederlijke, meerstemmige lijn door.

Vooral Zing zing leek het crescendo van een zang die Verhelst sinds 2008 had ingezet: nog intuïtiever,
nog kwetsbaarder en tegelijk zowel talig als vormelijk consciëntieus strakker. Een uitroepteken achter de rigoureuze ijver waarmee hij zijn koor tot dat nieuwe, grote lied had weten te brengen. Maar een uitroepteken vraagt niet om herhaling, dat voelde ook de dichter duidelijk aan. Zeker Peter Verhelst, die een te hoge mate van vertrouwdheid snel als stilstand ervaart.

Koor begint en eindigt niet toevallig met versregels over herinnering. Begin: “Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren.” Einde: “Als jij het bent die ik zal missen, / laat mij dan blijven / de herinnering aan wat nooit zal zijn.”

We rekenen erop: het is niet omdat een evolutie zich onzichtbaar en in stilte voltrekt, dat de chronologie stopt. Na de aangekondigde stilte hopen we op een nieuw lied van Peter Verhelst.

SARAH VANKERSSCHAEVER

Peter Verhelst, Koor. Een keuze uit de poëzie (1987-2017), De Bezige Bij, Amsterdam, 2017, 144 p.

 

Foto Peter Verhelst © Chris Ward

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed