Toespraak hoofdredacteur Luc Devoldere bij Guldensporenviering: “Qu’est-ce qu’une nation?”

Op maandag 10 juli is de Guldensporenslag herdacht in Kortrijk. Minister-president van de Vlaamse regering Geert Bourgeois nam er het woord. Ook Luc Devoldere, hoofdredacteur van Ons Erfdeel vzw, sprak daar. Zijn tekst kun je hieronder lezen.

In 1877 hield de Franse geleerde, schrijver en invloedrijke intellectueel Ernest Renan in de Stadsgehoorzaal van Leiden, op uitnodiging van het Leidsch Studentencorps, een lezing over het onderwerp: Qu’est-ce qu’une nation? Wat is een natie?

“Un plébiscite de tous les jours”, antwoordde hij: een dagelijkse volksraadpleging.

Enkele jaren later zou Nietzsche in een van zijn notities de wat mij betreft nog altijd meest empirische definitie geven van het begrip “natie”: een natie, dat zijn mensen die dezelfde taal spreken en dezelfde kranten lezen.

Dat wil zeggen, nu ook naar dezelfde televisiezenders kijken en zo dezelfde referenties, dezelfde codes delen. Althans min of meer.

In die zin is Vlaanderen een natie, omdat we van De Panne tot Bree weten wie Bart Peeters is of Natalia, met zijn allen of toch velen naar de Ronde van Vlaanderen kijken en weten wat het festival van Werchter is.

Een wat ouderwetse definitie van het moeilijk grijpbare begrip natie is “lotsgemeenschap”. Een natie wordt mede bepaald door het besef dezelfde lotgevallen te hebben meegemaakt, dezelfde catastrofes te hebben ervaren en de daaruit voortgekomen trauma’s mee te dragen die tot het collectieve bestand van herinneringen gaan behoren.

Dat besef hetzelfde lot te delen kan verbindend werken, een saamhorigheidsgevoel creëren en de wens om samen te leven versterken.

Wie tot een natie behoort, refereert dan aan een min of meer gemeenschappelijke geschiedenis en een min of meer afgebakend territorium. Hij spreekt dezelfde taal, beweert er een min of meer zelfde manier van leven op na te houden als zijn natiegenoot, dezelfde waarden en normen te delen.

Er zijn er die beweren dat wat ik net gezegd heb, discutabel is en zelfs laakbaar. Dat het voldoende is in een gegeven natie of staat constitutioneel patriottisme te verwachten van de burgers: trouw aan een grondwet, een abstracte set van waarden (scheiding kerk-staat, gelijkheid man-vrouw, gelijkwaardigheid van vormen van seksuele geaardheid; vrijheid van meningsuiting, tolerantie etc.). Zij dwalen. Er zijn meer – emotionele, misschien zelfs irrationele – categorieën nodig om die vorm van verbondenheid, die esprit de corps te creëren, nodig voor solidariteit, die de clan van familie en vrienden overstijgt.

Wetenschappelijk onderzoek naar nationalisme, natiebesef en natievorming heeft ons geleerd dat de natie niet langer wordt opgevat als een objectief en absoluut gegeven, als een natuurlijke entiteit, maar als een subjectieve en contingente constructie, als een verbeelde gemeenschap (imagined comunity), met uitgevonden tradities (invented traditions) en stichtingsmythes.

De natie maakt niet de nationalist, maar de nationalist “vindt” de natie “uit”. En nationalisme is dan het streven om de natie te doen samenvallen met de staat. Sommigen noemen dit een ideologie, alhoewel er ook nationalisten zijn die dat ontkennen, en die beweren dat nationalisme een methode is, een instrument.

We kennen de naties die staat willen worden, maar daar nog geen politieke meerderheid voor hebben: Québec, Catalonië, Schotland. En Vlaanderen.

Eigenlijk is de natie een voortdurend gesprek. Over wat de natie is, of zou moeten zijn. De natie is het van mening verschillen daarover, het redetwisten en bakkeleien: de dagelijkse volksraadpleging van Renan. En dat is goed.

Ik zei dat naties constructies zijn: ze worden dus gemaakt en zijn daarom kunstmatig. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat ze niet bestaan, dat er niets aan beantwoordt. Het is niet omdat ze verbeeld zijn dat ze ingebeeld zijn.

Ze bestaan; En je kunt ze dus maken, vormen, versterken of verzwakken.

Je kunt aan je natie bouwen, aan nation building doen, leeuwenvlaggetjes uitdelen bij de Ronde van Vlaanderen bijvoorbeeld.

Dat noemt men banaal nationalisme. De pledge of allegiance, de dagelijkse groet aan de vlag en aan de Republiek in vele Amerikaanse scholen is daar een voorbeeld van.

Vlaggen en volksliederen in het algemeen zijn instrumenten van natiebesef en natievertoon. Die vlaggen en volksliederen zijn de naties allemaal overkomen, en wel op een bepaald ogenblik in de tijd.

Zo is het Wilhelmus pas sinds 1932 het officiële volkslied van Nederland. Daarvoor was het “Wien Neêrlandsch bloed door d’aderen vloeit, Van vreemde smetten vrij”. Dat bloed en die vreemde smetten liggen wat moeilijk vandaag. En eigenlijk ben ik jaloers op dat Wilhelmus: wat een prachtig, complex en aarzelend gebed. En wat een meeslepende, breed meanderende melodie.

Maar in de Marseillaise wordt nog altijd gezongen van het onzuivere bloed van de vijand dat de voren doordrenkt:

Aux armes, citoyens,
Formez vos bataillons.
Marchons! Marchons!
Qu’un sang impur
Abreuve nos sillons.

Als u het mij vraagt, zou ik als Vlaams volkslied het Gebed voor het Vaderland verkiezen, geschreven door Remi Piryns en getoonzet door Gaston Feremans in de herfst van 1944, in de gevangenis van Lokeren. Maar ik heb daar niets over te zeggen. En juist daarom wil ik met u nog even verder gaan: zou Le Plat Pays van Jacques Brel, geen schitterend volkslied zijn? Een pure liefdesverklaring aan een soort Vlaanderen, dat niet bestaat. In het Frans dan nog. Dat zou pas iets zijn.

Maar je verandert niet zomaar van volkslied. Ik heb dat van ons aanvaard (al is het maar om die grootse en omineuze regels: “De tijd verslindt de steden/Geen tronen blijven staan”). En straks zingen we het met zijn allen, zoals dat nu eenmaal hoort.

Je verandert ook niet van stichtingsmythe.

Neem nu die Guldensporenslag van ons, die we vandaag herdenken, en dan nog ongeveer op de plek waar hij plaatsvond. Die slag hebben we eigenlijk aan een roman te danken, die u allemaal kent, De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience die met zijn boek Vlamingen en Vlaanderen een plaats in België wilde geven. Eigenlijk is de herdenking van de slag belangrijker geworden dan de slag zelfs.

De Serviërs hebben hun slag op het Merelveld als stichtingsmythe, maar dat veld ligt voor hen helaas in Kosovo. Ze verloren dan nog op dat Merelveld de slag tegen de Turken, maar brachten wel – als christenen – de opmars van de Ottomanen in Europa tot stand.. Dat vinden ze alvast zelf.

De landing van Australiërs en Nieuw-Zeelanders in de ochtend van 25 april 1915 op het Turkse schiereiland Gallipoli, die eindigde op een totaal debacle, is dan weer de foundation myth van de Australische en Nieuw-Zeelandse naties én van Turkije! Voor de landen die dan nog tot het British Empire behoorden waren het de eerste “daden” als min of meer onafhankelijke naties binnen dat Empire. En voor Turkije was het het startschot van een seculiere staat onder Ataturk, die als officier een belangrijke bijdrage leverde aan de nederlaag van de Australiërs en Nieuw-Zeelanders in Gallipoli.

Elk jaar komen honderden jongeren van down under naar Gallipoli om op het strand te overnachten en er op 25 april bij zonsopgang te vieren dat ze Nieuw-Zeelander en/of Australiër zijn. Je kunt je natiebesef dus – Serviërs, Australiërs en Nieuw-Zeelanders –  baseren op een nederlaag, een mislukking.

Emancipatie

“Kunst veredelt” staat te lezen boven de theaterscène in de Gentse Vooruit, die cultuurtempel van de socialistische beweging, gebouwd in het begin van de twintigste eeuw. Toen geloofden socialisten (nog?) dat men de arbeider moest verheffen, “veredelen”, door hem de kans te bieden toe te treden tot de kunst van de burgerij.

We zijn het geloof in deze volksverheffing kwijtgeraakt.

Nochtans is volksverheffing niets anders dan “emancipatie”.

Het onderwijs speelt in deze verheffing, deze emancipatie een cruciale rol. Het onderwijs is een machine van emancipatie.

Kijk naar Frankrijk. Eerst werden er spoorwegen aangelegd. Dan werden de onderwijzers gevormd. De leerplicht (ingevoerd in 1882) en de dienstplicht hebben de Franse natie gesmeed. Als de grootvader een boer was, kon de zoon onderwijzer zijn en de kleinzoon hoogleraar. In meer dan een eeuw werden boeren omgebouwd tot Fransen. En wat die dienstplicht betreft, misschien moeten wij daar opnieuw over gaan nadenken. Een samenleving moet zichzelf kunnen in stand houden en zichzelf dus verdedigen.

In Vlaanderen is er een discussie aan de gang over wie verdienste heeft aan de emancipatie: de pragmatici of de idealisten, de rekkelijken of de preciezen, de zuiveren of degenen die hun handen hebben vuilgemaakt. Die zuiveren vinden dat er too little too late is bereikt; degenen die hun handen hebben vuilgemaakt vinden dan weer dat de zuiveren niets hebben klaargemaakt.

Samengevat, in de woorden van Lode Wils althans: de katholieken hebben het gedaan, de Vlaams-nationalisten hebben aan de kant staan roepen, maar hebben niets gerealiseerd. Laat ons zeggen dat je beiden nodig hebt gehad, en nog altijd.

Een andere discussie gaat over de vraag of de emancipatie voltooid is of niet.

Los van het feit dat emancipatie, ontvoogding altijd onvoltooid is, gaat het natuurlijk om de politieke vraag of Vlaanderen nu een onafhankelijke staat moet worden of niet.

Misschien is onafhankelijkheid anno 2017 een onhaalbaar ideaal. Misschien moeten we het over soevereiniteit hebben.

De natiestaat blijft voor de meeste Europeanen de eerste solidariteitskring, of men dat nu graag heeft of niet. Daar krijgt de sociale zekerheid gestalte. Europa biedt op dat vlak nog geen garantie. Hoe verzoenen we de soevereiniteit waar burgers en naties behoefte aan hebben met het afstaan van soevereiniteit aan Europa? Dat blijft de moeilijke evenwichtsoefening.

“Kosmopolitisme is het privilege van mensen met een paspoort”, zei Michael Ignatieff, Canadese politicoloog, ooit leider van de liberale partij in zijn land, en nu rector van de Central European University in Boedapest, onlangs in De Standaard. En hij ging verder: “Je kunt geen Europeaan of wereldburger zijn als je niet de bescherming van een natiestaat geniet.”

It’s the language, stupid!

Ik wil het met u tot slot nog hebben over de taalkwestie.

Taal is altijd een kwestie voor een Vlaming die zich op 11 juli bezint over zijn of haar natie.

Taal is namelijk de ruggengraat van onze identiteit.

De Vlaamse Beweging was eerst en vooral een taalbeweging. De taalbeweging werd vanzelf een cultuurbeweging, en later een sociale, economische en uiteindelijk politieke beweging.

Het gaat goed met het Nederlands. Het wordt gesproken door meer dan 23 miljoen mensen, is stevig verankerd in twee landen en wordt in al zijn functies gebruikt.

Toch wil ik ook hier wijzen op een onvoltooide emancipatie.

De standaardisering van het Nederlands in Vlaanderen is niet voltooid. Wij leven met een grote bandbreedte aan varianten – van dialecten over tussentaal naar standaardtaal. Daar is op zich niets fout mee, tenzij dat de variant van de standaardtaal in de openbare ruimte nog altijd extra zorg en ondersteuning behoeft. Te weinig Vlamingen spreken op een vanzelfsprekende manier Nederlands in de openbare ruimte.

De sluipende verengelsing van het hoger onderwijs baart ook zorgen. Als een taal geen concepten meer ontwikkelt voor wetenschappen, dan verliest ze op termijn één van haar functies, en functieverlies is prestigeverlies. Laat ons elkaar goed begrijpen. Engels is noodzakelijk, maar niet voldoende.

Het gaat om meertaligheid – echte meertaligheid. Die is een opdracht, zelfs een opgave.

Vlamingen moeten eerst en vooral goed Frans blijven kennen, naast Engels én Duits.

Want wat er ook gebeurt met België: we zullen altijd aan onze zuidgrens botsen op het Frans. Het Frans en de Franse cultuur hebben ons diepgaand beïnvloed en gevormd. Het Frans resoneert in ons Nederlands. Met Frans, Engels en Duits eren we de talen van onze directe buren: het zijn belangrijke talen, er staan belangrijke en machtige natiestaten achter met wie we al eeuwen intense culturele en economische banden onderhouden.

August Vermeylen, de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit schreef het al in een opstel in 1900, onlangs opnieuw uitgegeven in een interessant boek met vier toespraken van Jozef Deleu en twee essays van Vermeylen, Hoe Vlaming te zijn?:

Met de kennis van Nederlands en Frans houden wij den sleutel tot Germaanse en Romaanse talen, onze geest wordt gedrild door de nabijheid van Romaanse en Germaanse gedachtenwereld. Onze roeping is, in eigen grond geworteld, ook het cultuur-leven onzer buren in ons om te werken tot eigen leven. En daar nu alles meêgaat, het zelfstandiger optreden van den Vlaamsen geest, de rijke ontwikkeling onzer nijverheids- en handelskrachten, de groei onzer sterk ingerichte volksbeweging, zien zij niet, die jammerlijke franselaars, welke rol in het grootworden der algemene Europese beschaving door een ‘tussenland’ als het onze kan gespeeld worden? Onze toekomst hangt grotendeels af van de grondige vervlaamsing van Vlaanderen. En daarom, in twee regels samengevat: om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn. – Wij willen Vlamingen zijn, om Europeërs te worden.

Moeten, willen en worden. Het is wat mij betreft, nog altijd een opdracht (wij moeten Vlamingen zijn), het is ook een daad van voluntarisme (wij willen Vlamingen zijn) en er is iets wat we nog moeten worden: Europeëers. Europa is onze horizon en onze uiteindelijke lotsbestemming. Om het preciezer te zeggen: Europa is onze ruimte, maar Vlaanderen is onze plek.

Ik wens u allen een mooie, inspirerende Vlaamse feestdag.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed