Tussen canon en toplijst

Tussen canon en toplijst

We schreven het afgelopen maandag al: ’t zijn canonieke tijden! Laurens Ham, literatuurwetenschapper aan de Universiteit Utrecht, schrijft in Ons Erfdeel 4/2015 (verschijnt begin november) een uitgebreide beschouwing over de literaire canon die de KANTL en de VFL eerder dit jaar lanceerden. Van deze “dynamische canon van de Nederlandstalige literatuur vanuit Vlaams perspectief” is intussen ook een boekversie verschenen (Uitgeverij Vrijdag). Hier, op de blog van Ons Erfdeel, bespreekt Ham deze uitgave samen met De Leeslijst, een canoniek boek dat onlangs verscheen bij Uitgeverij Vantilt.

door Laurens Ham

Ik moet een jaar of zestien zijn geweest toen ik kennismaakte met mijn eerste canon: een top-zoveel-lijst van beste popmuziekalbums ooit. De lijst stond in het gratis magazine People & Entertainment dat verspreid werd door de cd- en mediawinkel Van Leest. Van Leest bestaat al zo’n vijf jaar niet meer: het heeft de opeenvolgende crises in de muziekwereld (de opkomst van illegaal kopiëren, van illegale downloads, van muziekstreaming) niet overleefd. Voordat ik de platenwinkels van Amsterdam ontdekte, enige tijd later, was deze winkel in het wat ingeslapen Amstelveen voor mij de belangrijkste plek om nieuwe muziek te leren kennen. De toplijst uit het magazine heeft een enorme invloed op mijn ontwikkeling als luisteraar gehad: ik leerde dat Revolver (#2) een sterkere Beatlesplaat was dan The White Album en Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band (allebei lager op de lijst), ik maakte kennis met Radioheads OK Computer (#3, nog altijd een van mijn favoriete albums), met het werk van Van Morrison en Prince, met Pet Sounds van The Beach Boys, met Tracy Chapman, met Miles Davis’ Kind of Blue. Het zijn voor de hand liggende namen, realiseer ik me nu, maar voor mij sprak destijds niets vanzelf: alle muziek van vóór 1990 was historisch en onbekend.

Zo zijn er in de loop van tijd meerdere websites en lijsten geweest die een grote invloed op mijn lees-, luister- en kijkpatroon hadden. Aan het begin van mijn studie vervulde Pieter Steinz’ Lezen &cetera (onlangs heruitgegeven als Steinzbijvoorbeeld die rol voor de literatuur, en de afgelopen jaren heb ik mijn filmkeuzes steevast afgestemd op de briljante filmhistorische documentaire The Story of Film van Mark Cousins (trailer) en een lijst met beste films aller tijden, geïnitieerd door het gezaghebbende Britse tijdschrift Sight and Sound. Daarnaast klaag ik elk jaar in december dat de lijstjesmanie weer wat erger is dan het jaar ervoor (de tien beste essaybundels van dit jaar! de twintig belangrijkste conceptalbums! de vijftien meest succesvolle YouTubefilmpjes!), maar ik doe er steeds mijn voordeel mee.

Vind-ik-leuk-cultuur

Waarom klaag ik erover? Omdat lijstjes volgens mij een weerspiegeling zijn van een fundamentele wending die het denken over kritiek de afgelopen jaren heeft genomen, en die ik zorgwekkend vind. Ruimhartige, kritische en onderbouwde cultuurbesprekingen tref je in de grote weekbladen en kranten niet of nauwelijks meer aan. Recensies zijn er te over – zelfs in bladen als Happinez of Linda –, maar die richten zich allemaal op het snelle oordeel en de vijf sterren die uitgedeeld moeten worden. Verder wemelt het in zulke publieksbladen van de interviews, columns, tips en lijstjes. De kritische cultuur is in de grote publieksmedia in een vind-ik-leuk-cultuur veranderd. De cultuurhistoricus in mij is daardoor gefascineerd, maar de cultuurconsument in mij vindt het treurig dat hij voor een wat uitvoeriger bespreking naar pakweg DW B, De Reactor en Ons Erfdeel moet uitwijken. Het zijn prachtmedia, daar niet van, maar ze bereiken uiteraard een publiek dat veel kleiner is dan dat van de grote kranten en bladen.

Waarom doe ik toch mijn voordeel met deze lijstjes? Omdat ze eenvoudigweg onmisbaar zijn geworden in onze geëxplodeerde, geglobaliseerde, gedigitaliseerde cultuur. Elke dag verschijnt er een Nederlandstalig literair werk dat de moeite zou kunnen zijn, vier keer per week start er ergens in Nederland een festival. Niets is tegenwoordiger gemakkelijker dan een digitale foto maken, een filmpje, een eigen muzikale track. Met één muisklik kan ik bovendien Arabische satire, Japanse metal idol of Braziliaanse psychedelica op mijn scherm toveren. In dat duizelingwekkende cultuuraanbod floreert het lijstje, dat zich snel en enthousiasmerend uitspreekt voor werken die de moeite waard zijn.

houvast in bange tijden

Steeds meer heb ik het idee dat de opbloei van canons in de afgelopen tien jaar óók met deze cultuuromslag te maken heeft. Vaak wordt de aandacht voor canons, die in het noorden van het taalgebied na de verschijning van de Canon van Nederland (2006, recensie in Ons Erfdeel) geweldig toenam, geïnterpreteerd in het licht van een conservatieve omslag kort na de eeuwwisseling. Het postmodernisme was voorbij, de angst voor het verlies van de eigen cultuur kwam op, en de canon bood houvast in bange tijden, dat is dan het idee. Tegelijkertijd lijkt de de grens tussen lijstje en canon in de hedendaagse cultuur maar dun. Een canon kan nog met zoveel institutioneel gewicht worden opgeladen, zodra hij gaat functioneren in de maatschappij is het verschil met pakweg een toplijst van People & Entertainment nog maar gradueel: beide lijsten krijgen de rol van een consumentenadvies.

De afgelopen maanden verschenen twee boeken die nieuwe literaire canons presenteren, waarvan de ene zich expliciet als ‘canon’ presenteerde en de andere eerder als ‘lijst’. De ‘dynamische canon van de Nederlandstalige literatuur vanuit Vlaams perspectief’ werd in de zomer van 2015 voorgesteld en in digitale vorm beschikbaar gesteld. Dit prestigieuze initiatief van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) werd onlangs gecompleteerd met het boek De canon. De 50+1 mooiste literaire werken uit de Nederlanden, uitgegeven door de (uiteraard Vlaamse) uitgeverij Vrijdag. Bij het Nijmeegse Vantilt verscheen rond de zomer De Leeslijst. 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur, gemaakt door een grote groep letterkundigen, veelal werkzaam aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Dit boek doet presenteert zich veel meer als een (lijvige) lijst dan als een canon. Op de achterflap staat pontificaal dat deze bundel 222 boeken voorstelt "niet omdat het moet, maar omdat het leuk is". De dynamische canon vanuit Vlaams perspectief heeft een veel ‘officiëler’ status en zou de komende jaren een prominente rol kunnen spelen in het onderwijs en bij de keuzes om titels te herdrukken of te digitaliseren.

De canon

Over de dynamische canon vanuit Vlaams perspectief schreef ik al een artikel voor Ons Erfdeel, dat in het novembernummer zal verschijnen. Voor dit blogbericht laat ik de reflectie op de tekstkeuze en op de canonopvatting van de selectiecommissie daarom achterwege en concentreer ik me op de boekuitgave De canon. Daarin wordt ieder canonwerk voorgesteld met een summiere biografie van de auteur, waarna een heel beknopte bespreking van het werk volgt en een fragment uit het werk. De biografie en bespreking zijn zó kort, dat ze niet veel meer kunnen doen dan een handreiking bieden aan mensen die volkomen onbekend zijn met het werk. De medewerkers zijn er over het algemeen wel in geslaagd écht laagdrempelig te zijn, door geen jargon te gebruiken en daarnaast enthousiast en met liefde over de canontitels te schrijven.

Sommige gekozen fragmenten rechtvaardigen dat enthousiasme: Hadewijchs ‘Lied 16’ is prachtig (met schitterende regels als ‘Mi gruwelt dat ic leve’ en ‘Mijn herte levet in onthopen’), Anna Bijns’ woedende veertiende refrein tegen het lutherse denken spreekt nog altijd tot de verbeelding, Vondels ‘Uitvaert van mijn dochterken’ ontroert. Ook van veel moderne dichters zijn één of twee aansprekende gedichten gekozen. De meer verhalende teksten komen over het algemeen veel minder tot hun recht, vooral omat de keuze voor een fragment zo willekeurig lijkt. Waarom zijn de regels 62-77 en 230-246 uit Van den vos Reynaerde geplukt, twee fragmenten die buiten de context van het hele werk weinig te betekenen hebben? En is voor iemand die Max Havelaar niet gelezen heeft het kleine fragment over Saïdjah ook maar enigszins te begrijpen?

Het grootste probleem van De canon is dat de inhoud volledig overlapt met die van de website www.literairecanon.be: daar zijn dezelfde bio’s, besprekingen en fragmenten te lezen. Het boek ziet er met zijn harde kaft fraai uit en het blijft prettiger om teksten op papier te lezen dan op het beeldscherm, maar het is eigenaardig dat de boekuitgave niet op een of andere manier complementair is aan het webproject. De website biedt zelfs meer: er is beeldmateriaal te vinden (in het boek staan geen afbeeldingen), er wordt verwezen naar (digitale) tekstedities en secundaire literatuur, en soms wordt het materiaal écht tot leven gebracht. Zeer waardevol is bijvoorbeeld de link naar het gedigitaliseerde Gruuthusehandschrift en de opname van enkele liederen uit het handschrift, beide recentelijk beschikbaar gesteld door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Zo wordt de grote kracht van literairecanon.be zichtbaar: op het internet kan een tekst multimediaal worden aangeboden en tot leven worden gewekt.

DOORKLIKKEN

Het is de bedoeling dat de website vanaf november geleidelijk aan een nog bredere context gaat aanbieden. In de verantwoording staat: "Vanuit de detailpagina’s van alle canonwerken kun je vanaf dan doorklikken naar andere belangwekkende literaire werken over hetzelfde thema, uit hetzelfde tijdsgewricht of dezelfde literaire stroming. Verder doorklikken leidt ook naar een internationale context: vergelijkbare werken uit anderstalige literaturen worden getoond, maar ook invloeden uit andere disciplines van de kunsten." 

Ik zie daar reikhalzend naar uit en zou het waardevol vinden als ook aan de doorwerking van de gekozen canonwerken aandacht zou worden besteed. Kunnen we voortaan lezen over de talloze adaptaties van Max Havelaar (theaterbewerkingen, een verfilming, het Suske en Wiske-album De halve Havelaar), worden we doorgelinkt naar Ramsey Nasrs vertolkingen van gedichten van Herman Gorter en Willem Kloos, kunnen we de jazz beluisteren waardoor Lucebert beïnvloed werd?

Op dit moment vinden we in het boek en op de site al wel enige informatie over de doorwerking van sommige titels. Soms is die informatie waardevol (Beatrijs en Elckerlijc), soms is ze véél te algemeen gehouden: "Het boek blijft tot op heden vele jonge schrijvers inspireren, hetzij inhoudelijk, hetzij stilistisch." Deze uitspraak staat in het stukje over Reves De avonden, maar hij zou op elk ander boek van toepassing kunnen zijn. Hopelijk is de site in de toekomst ertoe in staat te laten zien op wie en hoe De avonden dan precies invloed heeft uitgeoefend.

De Leeslijst

De Leeslijst kiest een totaal andere strategie dan het canonproject: de keuze is niet smal, maar bijzonder gul, en de redactie komt er rond voor uit dat die keuze sterk subjectief is. Waar de dynamische canon aangeeft een consensus te willen registreren die in Vlaanderen over Nederlandstalige titels zou heersen, staat in de verantwoording van De Leeslijst nadrukkelijk: "De lijst is enkel en alleen samengesteld op basis van de voorkeuren en prioriteiten van Nijmeegse docenten en onderzoekers."

Voor de middeleeuwen leidt dat tot een lijst waarvan weinigen zullen opkijken, maar vanaf de zestiende eeuw staan er vrij veel verrassingen op de lijst. Van sommige werken heb ik niet of nauwelijks gehoord: Rutghera van Ecks album amicorum, Jan de Marres Jacoba van Beieren, E.J.B. Schoncks De Bonheurs uit de mode, Augusta Peaux’s Nieuwe gedichten, Bert Decortes Germinal… Daarnaast wordt van veel canonieke auteurs een minder bekend werk gekozen: van J.J. Cremer Kees Springer in en buiten de kerk (niet Fabriekskinderen), van Marcellus Emants Lilith (niet Een nagelaten bekentenis), van Gerard Walschap Sibylle (en niet Houtekiet)Deze ongebruikelijke keuze zal het lezen en doorbladeren van dit boek voor bijna elke lezer een ontdekking maken.

De vraag is wel: wie is die beoogde lezer precies? Het feit dat dit project zich zo nadrukkelijk als een werk van Nijmeegse onderzoekers presenteert, doet vermoeden dat het in het onderwijs op de Radboud Universiteit gebruikt gaat worden. Ik vind het zelf echter moeilijk voor te stellen hoe dit boek in het hoger onderwijs zou kunnen functioneren. Alle stukjes zijn niet langer dan twee pagina’s, en aangezien bij ieder lemma ook een illustratie is opgenomen, blijven er niet meer dan ongeveer drie kolommen over. Soms slagen auteurs er uitstekend in om in weinig woorden een groot punt te maken. Zo vergelijkt Rob van de Schoor in zijn lemma over Lodewijk Mulders Iets uit den tijd, toen ik nog een lief vers maakte de novelle met de gelijknamige toneelbewerking, om zo te laten zien "waarom het Nederlands toneel in de negentiende eeuw weinig aanzien genoot: de fijnzinnige, geestige observaties van de ik-verteller in de novelle hebben plaatsgemaakt voor een meer nadrukkelijke en daardoor wat grovere humor van de toneelpersonages". Jos Joosten kiest er in een aantal lemma’s voor vooral institutionele kwesties te belichten. Zo geeft hij aan de hand van de recentste (en misschien wel onbekendste) titel van de lijst, Gerjon Gerbers Aan gort, een schets van het huidige festivallandschap en de opkomst van chapbooks buiten het literaire centrum Amsterdam.

Wel moet de lezer al over een aanzienlijk historisch kader beschikken om deze 222 beknopte essays met elkaar in verband te kunnen brengen. Daarmee valt het boek een beetje tussen een aantal doelpublieken in. Het is ten dele geschikt voor neerlandici die werkzaam zijn in het vak, maar voor hen zijn de korte stukjes wat aan de oppervlakkige kant. Het zet voor studenten canonieke titels op een rij, maar voor die studenten ontbreekt tegelijkertijd het grote historische verhaal. Plezierlezers ten slotte zijn  misschien minder naar zo’n groot verhaal op zoek, maar voor hen is het dan weer moeilijk om te bepalen dat Gorters Mei écht breed als een meesterwerk wordt beschouwd, terwijl dat voor Frans Kusters’ De landschapsfotograaf en andere verhalen niet geldt. Waar te beginnen met lezen, als je weet dat het onbegonnen werk is deze 222 titels systematisch door te werken?

TEGENGESTELDE PADEN

Deze twee nieuwe canons hebben twee radicaal tegengestelde paden gekozen: de dynamische canon zet louter onbetwiste meesterwerken op een rij, wat duidelijkheid biedt maar ook een groot gebrek aan diversiteit blootlegt (zie daarover mijn artikel in Ons Erfdeel); de Nijmeegse canon heeft talloze onbekende werken naar boven gehaald, maar biedt daarmee weinig handvatten daadwerkelijk dát te gaan lezen wat werkelijk hoog aangeschreven staat. Ik vraag me af welke van deze twee strategieën in de huidige lijstjescultuur de beste papieren heeft. Ik denk dat de Nijmeegse uiteindelijk beter past bij de recente leescultuur, maar dat de Vlaamse aanpak aanzienlijke voordelen heeft voor gebruik in het middelbaar en hoger onderwijs.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed