Vijftig jaar na mei ’68: de globalisering van de Lage Landen begon in de jaren 1960

In de jaren 1960 maakten de westerse samenlevingen sterke veranderingen mee, met mei ’68 als orgelpunt. Wat is daar een halve eeuw later van overgebleven in de Lage landen? We onderzoeken het op de website van Ons Erfdeel.

De Laaglandse jaren zestig begonnen al in 1958, met de Wereldtentoonstelling in Brussel, schrijft Geert Buelens, auteur van De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis. En de échte sixties speelden zich eigenlijk pas af in de jaren zeventig. In de sixties had je de Provo’s en de happenings, ‘Walen buiten!’ en ‘bourgeois buiten!’. Maar er was ook een fenomeen als Boer Koekoek en veel (retorisch) geweld. Die jaren zestig lijken ook nogal sterk op vandaag: er was globalisering, een culture war, een heropleving van nationalisme. Tegelijk introduceerde deze periode ook een gevoel van solidariteit waar eenentwintigste-eeuwse pleitbezorgers van een nieuw gemeenschapsgevoel nog veel van kunnen leren.

door Geert Buelens

Tot de jaren zestig was het makkelijk om je thuis als de wereld te beschouwen. Natuurlijk: ook in jouw naam werden delen van de wereld gekoloniseerd, maar daar merkte je als gewone burger veelal weinig van.

En je kon – zoals elke Belg weet – meermaals door oorlog op je grondgebied getroffen worden, maar hoewel de belangrijkste conflicten ‘wereldoorlog’ werden genoemd, hebben de meeste Europeanen die toch als een regionale strijd ervaren, een extreem gewelddadig treffen tussen buurlanden.

De doorbraak van de televisie als een massamedium en, vrijwel tegelijk, een versnelde dekolonisatie en massamigratie van ‘gastarbeiders’ brachten de wereld in de jaren zestig zowel concreet als symbolisch binnen in de levens van veel West-Europeanen, ook in de Lage Landen.

Zo kon het gebeuren dat wat in wezen interne Amerikaanse aangelegenheden waren – de strijd voor burgerrechten en tegen de oorlog in Vietnam – politieke, sociale en culturele bewegingen in Europa inspireerden. En omgekeerd konden de provo’s – die zelf beroerd Engels spraken en in het Nederlands schreven – een internationaal mediafenomeen worden en van Zweden tot de Verenigde Staten generatiegenoten inspireren.

Vietnam en de tegencultuur bepaalden in hoge mate de beeldvorming van dit decennium, maar hielden – alles wel beschouwd – slechts een minderheid van de bevolking bezig, ook bij de jongeren. De popcultuur die in de jaren zestig doorbrak – The Beatles, de minirok, een informele manier van zich kleden en met elkaar omgaan, ook relationeel en seksueel – transformeerde echter de levens van een hele generatie en hun nakomelingen.


Begonnen in Brussel, 1958

De Laaglandse jaren zestig begonnen allicht in 1958, in Brussel. De wereldtentoonstelling aldaar katapulteerde België niet alleen middels ingrijpende infrastructuurwerken opnieuw in de voorste linies van de moderniteit, ze bracht vooral ook al het nieuwe, spannende, visionaire en in sommige gevallen utopische uit nagenoeg de hele wereld samen en demonstreerde daarmee dat er een tijdperk vol mogelijkheden was aangebroken.

Ondanks alle geweld en crisissen – en die waren er in de jaren zestig volop, ook in de Lage Landen – is dat misschien wel het belangrijkste kenmerk van deze tijd: hij voelde open aan, een voorbereiding op de toekomst.

Die openheid werd ongetwijfeld door de economische groei gestut en door de wegens de babyboom opvallende jeugdigheid van de bevolking, maar hing – achteraf gezien – in de dagelijkse ervaring allicht ook samen met het feit dat de overheid minder dan vandaag de neiging had burgers tegen zichzelf te beschermen.

Ondanks een naar hedendaagse normen ontnuchterende hoeveelheid verkeersdoden waren autogordels niet verplicht. Roken was zo algemeen aanvaard dat het ook in televisiestudio’s, kantoren en auto’s vanzelfsprekend gebeurde. Campagnes tegen alcohol waren evenmin gemeengoed.

Voor die vrijheden wordt tot vandaag een hoge tol betaald, maar dat het toen allemaal kon, droeg onvermijdelijk bij aan een gevoel van zorgeloosheid dat in de huidige door gezondheid en veiligheid geobsedeerde samenleving veelal ontbreekt.


Vroege globaliseringsgolf

In de meningencarrousel die vandaag onvermoeibaar rondjes draait, heet het dat links (dan wel de als synoniem ingezette ‘culturele elite’ of, kortweg, ‘68’) deze vroege globaliseringsgolf indien al niet in gang heeft gezet dan toch zeker omarmd en gestimuleerd zou hebben waarbij de cultuur en eigenheid van de bevolking uit kosmopolitische verblinding bij het grof vuil zouden zijn gezet.

Daarbij wordt voorbijgegaan aan het eenvoudige feit dat de massamigratie van de ‘gastarbeiders’ op initiatief van het bedrijfsleven op gang kwam, op zoek als het patronaat was naar goedkope arbeidskrachten die hun neus niet ophaalden voor vuil en gevaarlijk werk.

Een krant als De Telegraaf steunde dit project en stuurde – evenzeer een teken van globalisering – in de zomer van 1965 een verslaggever mee met een Turkse arbeider die vanuit Rotterdam even zijn geboortedorp ging bezoeken. Tevreden werd vastgesteld dat de man niet alleen opgezet was met zijn baan (‘Olanda goed werken, veel geld verdienen’), maar dat deze hele operatie ook nog een beschavingsmissie was (‘Wat hebben deze twee jonge meisjes van Caikent van het leven te verwachten? […] Mogelijk zullen deze meisjes kunnen profiteren van de Westeuropese opvattingen, die de Turken eertijds mee naar huis zullen nemen.’)

De Europese Economische  Gemeenschap was al evenzeer een project van de bestuurlijke elite. Tijdens de jaren zestig kwamen er geen lidstaten bij, maar wel werd in 1965 het zogenaamde ‘Fusieverdrag’ getekend, waarmee de basis werd gelegd voor een aantal van de centrale Europese instellingen (Commissie, Raad van Ministers) die vandaag zo onder vuur liggen.

De ontwikkeling van de populaire cultuur kende ontegensprekelijk internationalistische indien al niet kosmopolitische trekken. Dat was in de moderne tijd altijd al zo geweest en ontwikkelingen in media en communicatietechnologie versnelden na de Tweede Wereldoorlog dat proces.

Tegelijk valt op hoezeer zogenaamd globale (in de praktijk vrijwel altijd Anglo-Amerikaanse, soms ook Franse) tendensen lokale varianten kenden, waarbij andere accenten werden gelegd en het eigene bepaald niet automatisch aan het algemene of vermeend universele werd opgeofferd.


Tegen eenheidsworst

Folkmuziek lijkt bij definitie een genre dat de eigen wortels en gemeenschap reflecteert. Dat deze muziek in de jaren zestig ook in de Lage Landen plots een enorme bloei kende, kwam echter door internationale tendensen, meer bepaald de uitzonderlijke bloei in de Verenigde Staten, waarbij zowel nieuwe stemmen (Joan Baez, Odetta, Judy Collins) als nieuwe liedjes (van Phil Ochs, Tom Paxton en bovenal Bob Dylan) deze muziek een ongekende impuls gaven.

Ook Vlaanderen en Nederland kenden vervolgens hun protestzangers (Armand, Ferre Grignard, Fabien Collin), maar niet alleen gingen zij (ook) in op plaatselijke gebeurtenissen (Miek & Roel in ‘Te Leuven’), in Vlaanderen bloeiden bovenal varianten in het dialect.

In de verschillende provincies werd aansluiting gezocht en gevonden bij de taal en het erfgoed van de streek en bij lokale bekommernissen. In Antwerpen was Wannes Van de Velde niet alleen betrokken bij vroege happenings om delen van de binnenstad verkeersvrij te maken, in zijn liedjes verzette hij zich ook tegen het gedachteloos slopen van de middeleeuwse stadskern.

Op de elite van die tijd (bouwpromotoren en politici) kwam dit uiteraard over als antimoderne, misschien zelfs reactionaire tegendraadsheid, maar achteraf gezien is het zonneklaar dat Van de Velde met zijn ecologische en urbanistische bekommernissen vooruit liep in een van de belangrijkste publieke debatten van de afgelopen decennia, ook internationaal: die van de stadsplanning en het leefbaar houden van kwetsbare lokale weefsels.

Ook de keuze voor het dialect was vol betekenis: zangers als Van de Velde gingen ermee in tegen de onpersoonlijkheid en eenheidsworst die gepaard leek te gaan met deze nieuwste fase van de moderniteit, of die nu Amerikaans, Europees of Hollands was.


Verdrukte volkeren

Een ander aspect van globalisering dat uiterst actueel aandoet is de opmerkelijke revival van het nationalisme tijdens de jaren zestig. Anders dan vandaag betrof het een veelal linkse (soms zelfs links-revolutionaire) variant.

Van Quebec tot het Baskenland en van Schotland tot Vlaanderen wogen nationalistische bewegingen op het politieke en maatschappelijke klimaat. In de eerste twee gevallen gebeurde dat ook via bomaanslagen en ander geweld, in de andere voornamelijk door optochten en politieke geschriften.

Veelbetekenend is dat die bloei door jongeren die zich aangesproken voelden door deze bewegingen vaak in het licht werd gezien van de dekolonisatie en de strijd tegen het zogenaamde Grootkapitaal.

Voor een progressief flamingantisch blad als De Nieuwe (1964-1984) moesten de Vlamingen zich zowel geestelijk als politiek emanciperen, maar datzelfde wensten ze ook de Angolezen, Vietnamezen en andere verdrukte volkeren toe.

Tijdens de geruchtmakende studentenprotesten in Leuven werd eerst ‘Walen buiten!’ geschreeuwd (gericht tegen de francofone elite in deze Vlaamse universiteitsstad), maar al snel ook ‘bourgeois buiten!’.

In dat klimaat werd uiteindelijk niet alleen de katholieke universiteit van Leuven gesplitst (en werd vanaf 1969 Louvain-la-neuve opgebouwd), maar werd ook de federalisering van België pontificaal op de politieke agenda geplaatst – in 1970 kwam een einde aan de unitaire staat.


Adieu aan spruitjeslucht

Voor Nederland lijken de jaren zestig het begin van de eigentijdse geschiedenis. De Gouden Eeuw is uiteraard een onuitputtelijke bron van nationale trots en voor veel ethische en politieke discussies blijft de Tweede Wereldoorlog een ijkpunt, maar voor het zelfbeeld van het land als een liberale en vooruitstrevende natie wordt toch vooral geput uit de jaren zestig.

Toen, zo wil het de overlevering, nam het land van nijvere en pragmatische kooplui eindelijk afstand van de ‘spruitjeslucht’ die de Nederlandse atmosfeer altijd had bepaald en werd de wereld omhelsd als een toverbal vol mogelijkheden.

De kern van deze transformatie voltrok zich in Amsterdam, naar eigen zeggen toen het ‘magies centrum’ van de stad, het land en de wereld.

Dat was natuurlijk erg relatief. Niet alleen ging er van Liverpool, Londen, San Francisco en Parijs een nog net iets grotere aantrekkingskracht uit, voor het gros van de Amsterdammers (laat staan de rest van het land) waren de nieuwe wasmachine, de eerste televisie of auto en, voor de jongeren, de nieuwste plaat van The Beatles toch net iets belangrijker dan wat een stel halve gare provo’s bekokstoofden aan het Spui.

Bovendien wordt in deze versie van de feiten gemakshalve vergeten hoezeer de jaren vijftig met Cobra en de Vijftigers voor een diepgaande omwenteling van de hoge cultuur hadden gezorgd.


Provo

In het licht van de latere geschiedenis van het land en van het huidige intellectuele en debatklimaat in Nederland is wat er in de jaren zestig rond Provo gebeurde niettemin van groot belang.

Het internationale imago van Amsterdam veranderde zo ingrijpend dat The New York Times de stad begin 1969 kon omschrijven als een plek van en voor hippies, provo’s, rebellen, homoseksuelen, drugs en tolerantie. Een jaar later beschreef een reporter van Rolling Stone vol ongeloof hoe op de VPRO-radio de prijzen van verschillende soorten drugs werden voorgelezen als betrof het de beursberichten.

Het leek allemaal zo vanzelfsprekend in het nieuwe Nederland, maar dat was het natuurlijk niet. Ook al gaf, zoals James Kennedy overtuigend aantoonde, de Nederlandse elite met een merkwaardig gemak mee met deze culturele revolutie, daaronder woedde in de jaren zestig toch iets dat we vandaag een culture war zouden noemen. Omroepen als VARA en VPRO zochten met hun programma’s doelbewust de grenzen van het betamelijke op en in samenspraak met vooraanstaande intellectuelen en uitgeverijen werd de zo gecreëerde commotie vakkundig geëxploiteerd.

Daarbij ging het (uiteraard) om religie en seks, maar belangrijker is wellicht de toon waarmee de nieuwe media-elite in deze discussies afstand nam van wat veelzeggend het ‘klootjesvolk’ werd genoemd. In het schijnbaar zo tolerante Nederland werden andersdenkenden weggezet als dom en gevaarlijk.

In Bericht aan de rattenkoning (1966), zijn boeklange analyse en participerende geschiedenis van Provo, stelde Harry Mulisch de kosmopolitische en vrijheid uitstralende stad Amsterdam zonder aarzelen tegenover ‘de provincie, waar de feodale geest van het GEZAG heerst’, een geest die politiek vertaald werd in de Boerenpartij van Boer Koekoek, de eerste duidelijk poujadistische partij van het land.

Koekoek voerde campagne met de slogan ‘Voor Recht, Vrijheid en Gezag’ en dat hij hiermee een behoorlijk parlementair succes wist te boeken geeft aan dat de reguliere partijen niet langer gezien werden als verdedigers van die waarden.

Bovenal bewijst het natuurlijk dat een substantieel deel van de bevolking – ook in de grote steden, waar de partij, anders dan de naam doet vermoeden, een groot deel van haar electoraat aantrof – wel degelijk deze waarden verdedigd wilde zien en niks moest weten van die radicale liberalisering van Nederland.

Dat de partij in de Tweede Kamer niettemin nooit meer dan zeven zetels wist te behalen, illustreert dan weer hoezeer Mulisch overdreef toen hij suggereerde dat Koekoek sprak voor nagenoeg iedereen buiten vrijplaats Amsterdam.

Door de vijand groter te maken dan hij in werkelijkheid was werden de Provo’s uiteraard nog heldhaftiger, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat die vijand er wel degelijk was; behalve Boer Koekoek nam vooral de populaire krant  De Telegraaf die rol met overtuiging op zich.

 

Vanzelfsprekend geweld

In de Nederlandse geschiedschrijving wordt er zelden op gewezen met hoeveel retorisch geweld dit alles zich voltrok en hoezeer de herauten van de culturele revolutie in hun geschriften ook het daadwerkelijke gebruik van geweld als een vanzelfsprekende optie presenteerden.

Mulisch vergelijkt de aanhangers van Koekoek niet alleen met de KKK, zich expliciet baserend op de in 1965 uitgekomen en toen veelgelezen vertaling van Guerrilla-oorlogsvoering van Mao zag hij Provo ook als de stoottroepen die de stadsguerrilla introduceerden in het Nederlandse politieke bestel.

Dat de Duitse Rote Armee Fraktion later in Nederland niet alleen sympathisanten maar ook daadwerkelijke steun mocht ondervinden, is in dat licht minder opmerkelijk dan dat er in het land zelf geen eigen terroristische beweging ontstond.

Hoewel Koekoek vandaag met reden als voorloper van Pim Fortuyn en Geert Wilders wordt gezien, blijven tegenstanders van Provo in de algehele beeldvorming gezien worden als de verliezers, als reactionairen en neofascisten die (dus) aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden. Zo lang dat het geval is, lijkt Provo de culture war gewonnen te hebben, maar het is bepaald niet zeker dat dit zo blijft.

De globalisering van de cultuur onder invloed van de massamedia kan ook geïllustreerd worden aan het relatieve gemak waarmee deze alles wel beschouwd beperkte groep onverlaten van Provo met hun ideeën en happenings de wereldpers haalden.

Ook Vincent van Gogh en Piet Mondriaan waren erin geslaagd tot de top van de internationale avant-garde door te dringen, maar dat deden ze vanuit Frankrijk. De heren van Cobra en Vijftig hadden al evenzeer duchtig aan de boom geschud, maar ook Appel, Corneille en Vinkenoog hadden hun netwerk en veel van hun wijsheid in Parijs opgedaan.

Dankzij de snelheid van de televisie en hun eigen mediawijsheid konden de provo’s (heel even) wereldberoemd worden vanuit Amsterdam. Zij brachten op tamelijk onschuldige wijze een idee in de praktijk dat terroristen iets later zouden perfectioneren: de snelste weg naar het journaal loopt via het gooien van een bom. Bij de provo’s betrof het een heel klein bommetje (een klapbom, in een van hun tijdschriften) en in 1966, bij het huwelijk van prinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg, rookbommen. Die beelden gingen de wereld rond, net als het even mediagenieke als originele (om niet te zeggen: visionaire) Witte Fietsen Plan.

 

Happenings

Overigens raakte lang niet alleen Provo een gevoelige snaar in het buitenland. Tot vandaag heeft Nederland (en via Fred Van Hove ook België) een heel bijzondere plek in de wereld van de free jazz en de geavanceerde gecomponeerde muziek. “Jazz + Classical Music + Absurdism” staat op het omslag van Kevin Whiteheads boek New Dutch Swing (1999) en samen met de titel van Robert Adlingtons Composing Dissent (2013) vat dat de unieke bijdrage van Misha Mengelberg, Willem Breuker, Han Bennink, Louis Andriessen en co. mooi samen.

Zij bewezen hoe spannend vrijheid en het overschrijden van grenzen kan zijn, hoe jazz, klassiek, theater en poëzie in elkaar kunnen overlopen en hoe democratisch en artistiek engagement zowel aan de avant-garde als aan volksmuziek en pop konden raken.

Avant-gardebewegingen waren ook in de eerste helft van de twintigste eeuw vaak uiterst mediageniek geweest, maar bij gebrek aan bewegende beelden, maakten de meeste burgers enkel via het geschreven woord kennis met hun ideeën en voorstellingen. In het tijdperk van de televisie veranderde ook dat en wel op dubbele wijze.

In toenemende mate zochten kunstenaars en muzikanten hun publiek op en kwam de kunst buiten het museum of de galerie terecht. Happenings op publieke plekken zorgden voor vaak spectaculaire beelden en gefronste wenkbrauwen bij een deel van het publiek – ideaal voor het journaal of actualiteitenrubriek. En langs die weg werden zo miljoenen kijkers bereikt die zelf nooit naar happenings of soortgelijke activiteiten zouden gaan.

Het effect daarvan bleef niet beperkt tot cultuurspreiding. Zeker omdat dit de jaren waren waarin ook kunstsubsidies fors werden uitgebouwd, vergrootte deze massale confrontatie met extreme kunst bij niet weinig kijkers gevoelens van afkeer en vervreemding ten opzichte van wat door delen van de zogenaamde silent majority werd ervaren als een al te permissieve samenleving.

 

Internationale aandacht en irritatie

De jaren zestig kunnen dus gezien worden als een vroeg moment in de naoorlogse globalisering, maar de Lage Landen zelf opereerden bepaald moeizaam op dat wereldtoneel. Dit decennium markeerde het laatste moment in de geschiedenis dat de buitenlandse politiek van zowel België als Nederland er echt toe deed en het onderwerp van aanhoudende internationale aandacht en soms ook irritatie vormde.

Zowel de al te gehaaste dekolonisatie van Kongo, de blijvende bemoeienissen met het grondstofrijke Katanga als de door de VS afgedwongen overdracht aan Indonesië van Nieuw-Guinea leidden in het buitenland tot scepsis en kritiek.

Tot een politiek en publiek gewetensonderzoek kwam het in de Lage Landen echter pas lang nadat bijvoorbeeld Hugo Claus de koloniale ideologie had geanalyseerd in zijn toneelstuk Het leven en de werken van Leopold II (1970) of psycholoog en oud-strijder Joop Hueting moest onderduiken nadat hij in 1969 op de televisie de Nederlandse oorlogsmisdaden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog had geopenbaard.


De seventies zijn de echte sixties

Een niet onware gemeenplaats wil dat de jaren zestig zich eigenlijk in de jaren zeventig afspeelden. Pas toen kreeg Nederland een echt links kabinet (Den Uyl, 1973-1977), werd het land internationaal bekend omwille van zijn gedoogbeleid voor abortus en softdrugs en was er een ruimhartig budget voor ontwikkelingssamenwerking, inclusief steun aan Cuba en bevrijdingsbewegingen in Angola en Mozambique. Hier probeerde een kabinet overduidelijk aan de goede kant van de geschiedenis te staan.

Tegelijk waren dit ook de jaren waarin het later zo vermaledijde vermanende linkse wijsvingertje niet alleen van actievoerders in parka kwam, maar ook van regeringsleden. Ministers liepen mee in betogingen tegen Franco (wat de gewone Nederlander allicht weinig of niets kon schelen), maar verplichtten ook bromfietshelmen en voerden een alcoholtest in.

Het linkse gedachtegoed was echter veel diepgaander in de samenleving verankerd dan louter verkiezingsresultaten laten vermoeden. Ook in Vlaanderen werd in de loop van de jaren zeventig duidelijk hoezeer de sociale beweging, de vredesbeweging, de vrouwenbeweging, de jongerenbeweging, de ecologische en de Derde Wereldbeweging communicerende vaten waren, waarbij de betekenis en het gewicht van het christelijk geïnspireerde middenveld niet mag worden onderschat.

Ja, ook in Vlaanderen liepen de kerken stilaan leeg, maar spiritualiteit en een diep gevoel van verbondenheid met achtergestelden dichtbij en veraf zorgden voor een generatie die idealen over christelijke naastenliefde misschien wel diepgaander beleefde dan hun diepgelovige voorouders.

Ook toen de economische crisis van de jaren zeventig en tachtig hard toesloeg, zorgden deze bewegingen ervoor dat het ideeëngoed uit de jaren zestig levendig bleef. Er was veel narcisme en egotripperij in de Golden Sixties, maar daarnaast introduceerde deze periode ook een gevoel van solidariteit waar eenentwintigste-eeuwse pleitbezorgers van een nieuw gemeenschapsgevoel nog veel van kunnen leren.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels in het jaarboek The Low Countries, editie 2017.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed