Vijftig jaar na mei ’68: de internationalisering van de Nederlandse blik

In de jaren 1960 maakten de westerse samenlevingen sterke veranderingen mee. Macht en gezag kregen klappen. Jongeren bevrijdden zich uit allerlei keurslijven. De tijden roken naar romantiek, het grote gebaar, het ludieke activisme. Het onmogelijke werd werkelijk. Wat is daar een halve eeuw later van overgebleven in de Lage landen? We onderzoeken het een maand lang op de website van Ons Erfdeel met artikelen uit het tijdschrift en uit het jaarboek The Low Countries.

In het hierna volgende essay (uit Ons Erfdeel 1/2008) schetst historicus Piet de Rooy hoe het Nederlandse blikveld in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds internationaler is geworden. Terwijl in de jaren vijftig Friesland en Limburg eigenlijk al een soort buitenland leken, liggen de verste vakantielanden nu binnen het bereik van elke Nederlander. Maar deze internationalisering heeft paradoxaal genoeg tegelijk tot een nieuw campanilismo geleid. De begrippen “vaderland” en “buitenland” hebben aan betekenis verloren.

door Piet de Rooij

Als ik probeer na te gaan welke beelden ik in de jaren vijftig van ‘het buitenland’ had, dan kom ik niet verder dan een wonderlijke Rorschachvlek. Sommige delen van het binnenland – Friesland en Groningen, Brabant en Limburg – golden vanuit de Randstad bezien eigenlijk al als een soort buitenland. Wat verder weg lagen dan landen als België en Duitsland, die om zeer uiteenlopende redenen min of meer bekend waren. Er was sprake van dat daar enige cultuur bestond, maar vooral veel natuur. Ook kon men er doorgaans beter eten dan in eigen land.

Daarbuiten waren dan gebieden waarheen Nederlanders geëmigreerd waren, de Verenigde Staten, Canada en Australië. In zekere zin waren dit fantasielanden, omdat men daar al in de toekomst leefde. Maar zoals men geboeid kan zijn door Jules Verne zonder de behoefte te voelen zich in luchtballonnen, onderzeeboten of maanraketten te begeven, zo kon men het bestaan van deze landen waarderen zonder enige neiging te hebben deze ook werkelijk te bezoeken. De luchthaven Schiphol verdiende in de jaren vijftig dan ook relatief meer aan dagjestoeristen dan aan daadwerkelijke luchtreizigers.

De rest was ‘de wereld’ waar men de dingen niet zozeer anders aanpakte, als wel niet verstandig omdat het daar te warm voor was, zoals in de tropen, of zelfs geheel verkeerd, zoals in de communistische landen. Dit laatste kreeg symbolisch gestalte door het verschijnen van een zekere Youri in de klas, in 1956 uit Hongarije gevlucht. Over zijn vaderland kwamen we niet veel te weten, we vroegen er ook niet naar. Belangrijker was dat hij een aanwinst bleek te zijn voor ons voetbalelftal.

Zoals er in de negentiende eeuw nog een scherpe grens was tussen de stad en het buitengebied, ‘de wildernis’ – ook al was er het besef van onderlinge verwevenheid –, zo wist Nederland in de jaren vijftig van de wereld, maar waande zich geborgen binnen de eigen grenzen.

Kleine natie, internationaal denkende elite

Dit gold voor de bevolking in het algemeen, die maar een beperkt zicht had op de verandering die zich inmiddels aan het voltrekken was. De Tweede Wereldoorlog en het verlies van Indië hadden ertoe geleid dat Nederland binnen een paar jaar gedwongen was te veranderen van een groot koloniaal rijk met een provinciaal denkende elite naar een kleine natie met een internationaal denkende elite, zoals H.J.A. Hofland eens schreef.

Al in 1946 werd door een aantal captains of industry het Nederlands Opleidings Instituut voor het Buitenland in Neijenrode opgericht, waarmee zij een keurcorps voor het bedrijfsleven wensten op te leiden. Naast de grote concerns als Koninklijke/Shell en Unilever was de gehele economie sterk gericht op de internationale handel: tussen 1950 en 1960 verdubbelden zich zowel de invoer als de uitvoer, in het daaropvolgende decennium zouden de cijfers zelfs verdriedubbelen.

Die oriëntatie werd nog het meest zichtbaar in Amsterdam en Rotterdam. Amsterdam had een luchthaven, die met veel inzet werd uitgebouwd om op wereldniveau een rol te spelen. Gezien de geringe omvang van Nederland betekende dit dat Schiphol een knooppunt moest worden in internationale netwerken, waar goederen werden overgeslagen en passagiers overstapten. Een vergelijkbare ambitie was merkbaar in Rotterdam, dat een van de grootste overslaghavens ter wereld zou worden.

Dit werd ondersteund door overheid en politiek. Tal van politici en hoge ambtenaren waren nauw betrokken bij de vormgeving van de Europese Economische Gemeenschap. De Nederlandse regering beschikte in de periode 1952-1956 zelfs over twee ministers van Buitenlandse Zaken (J.W. Beyen en J.M.A.H. Luns).

Er was sprake van groeiende internationale contacten op cultureel en wetenschappelijk gebied (onder meer op grond van de bezoeken aan de Verenigde Staten in het kader van de Marshall-hulp); ook de internationale sportcontacten werden aangehaald (de eerste vriendschappelijke voetbalinterland tegen West-Duitsland vond in 1956 plaats).

Wrede wildernis

Ondanks deze sterke wending van de elite naar het buitenland – waarbij zowel Europa als de Verenigde Staten de meeste aandacht kregen – leek het wel alsof de rest van de bevolking deze energieke activiteiten alleen maar gadesloeg. Het verzuilde bestel was er ook op ingericht om een scheiding te aanvaarden tussen leiding en aanhang. Met enige gepaste bewondering werden de helden binnengehaald als ze van boord kwamen of uit een vliegtuig stapten, maar van een sterke neiging om ook den vreemde in te trekken was niet veel te merken.

Een normaal mens overschreed in de jaren vijftig niet lichtvaardig de grens. Volgens de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek ging in 1960 ongeveer 40 procent van de Nederlanders op vakantie, maar slechts een kwart daarvan verliet in dat geval het eigen land. En dan het liefst in georganiseerd verband: de treinreizen met pelgrims naar Lourdes, de busreizen van Cebuto (Centraal Bureau Touringcarreizen) naar Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Italië.

Dit toerisme kan menigmaal slechts geleid hebben tot een versterking van het vaderlands gevoel. Dat was in ieder geval iedere keer nogal merkbaar als mijn ouders terugkeerden uit Duitsland: een interessant land, groot ook wel, maar het daar gekochte suikerbrood was het enige dat de moeite waard was om mee naar huis te nemen.

In de film De Noorderlingen (1992) van Alex van Warmerdam is dat ook het beeld dat van Nederland in 1960 wordt geschetst, een dorp beheerst door regels en religie, in the middle of nowhere, waarin de wereld van daarbuiten slechts bij vlagen te horen valt en dan als de geluiden uit een wrede wildernis: Kasavubu, Lumumba, Mobutu.

Onze Wereld

Daar zal in de jaren zestig verandering in komen: het buitenland zal ontdekt worden. Twee stromingen zullen de nieuwe belangstelling voeden: de beweging voor een eerlijker verdeling van de welvaart over de wereld en daarnaast een groeiende belangstelling voor de ‘grote politiek’, die tevoren aan een handjevol deskundigen was overgelaten.

Het begin van de behoefte om iets te doen aan de armoede in wat sinds 1952 in Frankrijk ‘de derde wereld’ werd genoemd, lag in de gedachte dat Nederland zelf steun kon verlenen – en daartoe misschien zelfs moreel verplicht was – aan arme landen in de wereld.

Dominee J.B.Th. Hugenholtz was geïnspireerd geraakt door het voorbeeld van Noorwegen, waar in 1952-1953 een nationale inzamelingsactie was gehouden ten bate van India. Vanaf 1953 hield pater Simon Jelsma op het Plein in Den Haag de zogenaamde ‘pleinpreken’ waarin gepleit werd voor wereldwijde vrede, armoedebestrijding en welvaartsverdeling.

In 1956 kwamen beide initiatieven samen in een Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (NOVIB). Vanaf 1957 publiceerde deze organisatie een blad Onze Wereld (dat in de jaren zeventig een oplage van honderdduizend exemplaren zou bereiken); tussen 1960 en 1965 werd jaarlijks een ‘anti-honger actie’ gehouden waarbij geld werd ingezameld voor een aantal projecten, gevolgd door meerdere specifieke inzamelingsacties.

Aanvankelijk ging het hier om een brede beweging, van Prins Bernhard tot Jan Tinbergen, waarbij morele verontwaardiging over de ongelijkheid in de wereld gepaard ging met de gedachte dat armoede een voedingsbodem vormde voor het communisme.

Steeds nadrukkelijker werd in het parlement gepleit voor het verhogen van het budget voor ‘ontwikkelingshulp’ tot één procent van het nationaal inkomen. Het vooraanstaande sociaaldemocratische kamerlid Geert Ruygers zei in november 1962: ‘Het betekent iets voor de positie van Nederland in de wereld, wanneer ons land als een van de eerste landen de 1 pct. zal hebben bereikt.’ 

Vanaf 1963 was er een aparte staatssecretaris voor Ontwikkelingshulp, geleidelijk zou de éénprocentsnorm worden gehaald (van het bruto nationaal product) en in 1966 werd het staatssecretariaat verheven tot een ministerschap.

Deze ontwikkeling vond zeer brede steun onder de bevolking: in 1962 vond een onderzoek plaats waarbij 94 procent van de geënquêteerden voorstander was van ontwikkelingshulp, vooral op grond van morele overwegingen.

In de jaren zeventig zal de politisering in deze beweging toeslaan. Het voortduren van de armoede zal dan in toenemende mate worden voorgesteld als het gevolg van het kapitalisme, de uitbuiting door multinationale ondernemingen, het egoïsme van het Westen – en al dit slechts vond haar oorsprong of beslissende steun in de Verenigde Staten.

Vietnam

De belangstelling voor de ‘grote politiek’ was – afgezien van enige discussie over de atomaire bewapeningswedloop – aanvankelijk gering. De studentenleider Ton Regtien stelde in 1967 hooghartig vast dat de studentenbeweging in één maand meer leden had gewonnen dan de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) in al haar jaren van bestaan. En die studentenbeweging was aanvankelijk vooral geïnteresseerd in een verbetering van het eigen universitaire bestaan.

Een kernstuk van de buitenlandse politiek, het lidmaatschap van de NAVO, was vrijwel onomstreden, ook al zou er een onderstroom zijn in de publieke opinie die van oordeel was dat de NAVO niet alleen een oplossing was, maar ook een deel van het probleem van de Koude Oorlog. De Verenigde Staten hadden nauwe militaire relaties met Spanje; Griekenland en Portugal waren zelfs lid van de NAVO. Die landen waren weliswaar tegen het communisme, maar niet zeer voor de democratie.

Een eerste incident van de binnenlandse onlusten waar Amsterdam in de jaren zestig zo bekend door zou raken, vond plaats in 1963, toen jongeren een NAVO-taptoe in het Olympisch Stadion verstoorden door knikkers voor de voeten te gooien van een Portugees militair muziekcorps: Portugal was immers kort tevoren in haar kolonie Mozambique verwikkeld geraakt in een oorlog met de bevrijdingsbeweging Frelimo.

Allerlei marginale groepjes en activiteiten werden aaneengesmeed en verbonden met een snel groeiend deel van de publieke opinie door de gebeurtenissen in Vietnam. Na de moord op Kennedy (november 1963) gingen in Nederland de vlaggen halfstok, maar dat was het laatste blijk van meeleven met de Verenigde Staten.

Vooral toen president Johnson, na de aanval op Amerikaanse schepen in de golf van Tonkin (1964), overging op een grootscheepse militaire interventie, konden de Verenigde Staten geen goed meer doen. Vietnam maakte in Nederland de wereldpolitiek overzichtelijk. Dit werd bovendien sterk bevorderd door de opkomst van de televisie.

Televisie-oorlog

In Nederland waren in 1956, kort na de introductie van dit nieuwe medium, 26.000 toestellen officieel geregistreerd, waarvoor per week drie uur lang programma's werden verzorgd. Wanneer in 1960 het aantal zenduren stapsgewijs omhoog wordt gebracht tot twintig, staat er in 585.000 huishoudens (20 procent van het totaal) een apparaat.

En dan gaat het snel: in 1964 staat er in de helft van alle huishoudens een toestel, vier jaar later is dat bijna 80 procent. Het wondermedium boeide: aanvankelijk keek op een doordeweekse avond vrijwel iedereen naar ‘de buis’, ongeveer een derde van de bezitters bekeek zelfs alle programma's.

Dat viel samen met een verandering in de habitus van de journalist: deze was niet langer een even cynische als pragmatische pennenlikker, maar een onafhankelijke geest, een newsgetter die zich als opdracht had gesteld de kwaliteit van de democratie te waarborgen. Deze vernieuwing was vooral zichtbaar in de actualiteitenprogramma's op de televisie, vooral in Achter het Nieuws van de VARA en Brandpunt van de KRO.

Op de televisie werd de wereld zichtbaar gemaakt en – naar de eisen van het medium – gedramatiseerd. De kracht van het medium werd ook al snel duidelijk: de actie Open het Dorp (1962) bleek veel geld en begrip te kunnen opleveren voor het stichten van een woongemeenschap van gehandicapten.

Daarna zou dit middel, de televisieactie, ook voor internationale problemen worden ingezet: de honger in India (1966), de burgeroorlog in Biafra (1969) en de watersnood in Bangladesh (1972). Maar wat in deze jaren wellicht de meeste indruk heeft gemaakt, waren de aanhoudende beelden van de oorlog in Vietnam, de eerste ‘televisieoorlog’.

Tegen het militair-industrieel complex

Het was ook rond Vietnam dat vredesbeweging en derde wereldbeweging samenkwamen in een sterk anti-amerikanisme. Dit verschijnsel werd overigens niet als anti-amerikanisme ervaren, integendeel: men liet zich inspireren door het beste wat de Verenigde Staten te bieden hadden, de beweging voor gelijke burgerrechten, de linkse studentenbeweging, folkzangers als Woodie Guthrie en Bob Dylan en niet veel later de Free Speech-beweging en de popcultuur uit San Francisco.

Progressief Nederland voelde zich verbonden met het goede Amerika, dat in een strijd verwikkeld was met het kwade Amerika. Het was een strijd tussen licht en donker, die soms letterlijk werd uitgevochten, zoals bleek bij de gevechten in 1968 ter gelegenheid van de Democratische Conventie in Chicago of bij de dodelijke onlusten op Kent State University (1970). En zoals het Amerikaanse ‘militair-industriële complex’ de eigen bevolking onderdrukte, zo probeerde het ook overal ter wereld bevrijdingsbewegingen te onderdrukken die streden voor vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Dat rechtvaardigde ook een groeiende betrokkenheid bij verschillende regio's, waar ofwel het Amerikaanse optreden bijzonder treurig werd geacht, dan wel de lokale bevrijdingsbeweging bijzonder hartverheffend. Cuba werd, omdat het aan beide voorwaarden voldeed, het nieuwe paradijs. Harry Mulisch bezocht het eiland in 1967 voor het eerst als verslaggever van het trendy blad Avenue, een jaar later opnieuw als deelnemer aan het Congresso Cultural in Havana. Hij berichtte vervolgens:

‘Voor mij is het geen probleem (...) in India heb ik gezien, hoe de mensen op straat van honger sterven – op Cuba heb ik gezien, hoe een jonge maatschappij, die uitbuiting, ziekte, onrecht, honger, analfabetisme, korruptie heeft afgeschaft, wordt gewurgd door de USA. Gekombineerd met hun volkerenmoord in Viet-Nam is daarmee wat mij betreft de kous af.’

Volgens anderen was ook het regime van Mao bezig in China een nieuwe mens en een nieuwe gemeenschap te vestigen. Aan deze illusie zouden Renate Rubinstein met haar Klein Chinees Woordenboek (1975) en de Belgische sinoloog Simon Leys met Ombres chinoises (1976) pas definitief een einde weten te maken.

Als riet in de wind

Wat ‘politiek’ geacht werd, was daarmee een wonderlijk mengsel. Enerzijds was het doortrokken van sterke morele opvattingen, een vrijwel exclusieve fundering in de Gesinnungsethik, anderzijds hulde het zich in het gewaad van de Verantwortungsethik: de Amerikaanse politiek was simpelweg onverstandig. De ‘volkswil’ was immers een tijdlang tegen te houden, maar zou op termijn onvermijdelijk de overhand behalen (Henriette Roland Holst: ‘De zachte krachten zullen zeker winnen in 't eind’).

Juist de combinatie van die twee vormen van legitimatie van de politiek maakte het mengsel zo krachtig, temeer waar het zo naadloos aansloot op een manier van denken die in Nederland na de Tweede Wereldoorlog dominant was. James Kennedy heeft in zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw (1995) laten zien hoe diep de elite ervan overtuigd was geraakt dat het weinig zin had om onvermijdelijke veranderingen tegen te gaan, hoe men dus beter mee kon buigen als het riet in de wind. Als men buigt, wil het perspectief nog wel eens teruglopen.

Daardoor ontging het menigeen dat er sprake was van een zeer selectieve waarneming; een zekere betrokkenheid bij het lot van de bevolking van de Oostbloklanden was bijvoorbeeld nauwelijks merkbaar.

Zo trokken in de jaren zestig onvermoeibaar allerlei demonstraties door de straten: ‘hun strijd, onze strijd: internationale solidariteit’. Vergeten was het oordeel van Marx, dat een verbroedering van opstandigheid lang niet altijd een verstandige gedachte was. Hoe dat ook zij, een dergelijk spreekkoor wees op een onvermoed voordeel van de internationalisering: het eigen krijgje was opgenomen in een wereldomspannende strijd en won daarmee aan diepgang en betekenis.

Ook in dit opzicht was de Vietnambeweging van belang. Een van de organisatoren van de Vietnammarsen was de quaker, leraar filosofie en sociale psychologie aan de Protestantse Sociale Academie in Amsterdam en lid van de Eerste Kamer voor de PSP, O.M. Boetes. Deze verklaarde in 1967: 

‘Bovendien zie ik thans in dat de kwestie-Vietnam, de wijze waarop Amerika, de westerse wereld, daar de moeilijkheid wil oplossen, niet een op zichzelf staand verschijnsel is. Er is sprake van een algemene mentaliteit, die de maatschappelijke organisaties in schema houden, waarin zij nu eenmaal zijn gegroeid. Naar mijn mening bestaat er een duidelijke verwevenheid tussen de kwestie-Vietnam en bijv. het gezag hier [Amsterdam] dat zijn status, zijn prestige, wil behouden. Er zit een stuk “heiligheid van het gezag” in. [...] Wij leven in een overgangstoestand; dit probleem treft men niet alleen op school, maar overal, in de hele westerse maatschappij.’

Daarmee kon men dus aan een wereldwijde revolutie deelnemen door in de eigen omgeving elke vorm van gezag aan te vallen. Zo werd de internationalisering van de blik een breed inzetbaar wapen. Nieuw Links in de Partij van de Arbeid – niet zozeer te beschouwen als een sterke ideologische vernieuwing van deze partij, maar veel meer als het overnemen van de macht door een nieuwe generatie goed opgeleide dertigers – maakte daar ook gretig gebruik van, zoals Frank Zuijdam heeft gedemonstreerd in zijn studie naar het debat over vrede en veiligheid in de PvdA tussen 1958 en 1977, Tussen wens en werkelijkheid (2001).

Zending en missie

Maar dit was een algemener verschijnsel: de internationalisering voldeed ook aan een dringende behoefte aan iets hogers. Het bood de mogelijkheid om deel te nemen aan de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Daar was behoefte aan.

Daniel Bell wees in 1960 op een probleem met zijn boek The End of Ideology. On the Exhaustion of Political Ideas in the Fifties. Met de opbouw van de klassieke verzorgingsstaat vrijwel afgerond (Bijstandswet en WAO van 1965 werden als sluitstuk gezien), hadden de sociaaldemocraten een legitimatieprobleem.

Een vergelijkbare situatie was er in confessionele kring, waar het kerkbezoek in snel tempo terugliep en de band met omvangrijke bevolkingsgroepen verloren ging. Het is opmerkelijk hoeveel – al dan niet voormalige – confessionele ambtsdragers in een zich seculariserende wereld een nieuwe levensopdracht zouden weten te ontlenen aan internationale problemen.

Nederland had al in het interbellum een stevige traditie gevestigd in het bedrijven van zending en missie. Die werd nu voortgezet op een nieuwe manier, waarbij het draagvlak in de eigen samenleving – die in een verzuilde periode vanzelf sprak, maar dat niet langer deed – nu krachtiger dan tevoren moest worden bewerkt.

Dit alles heeft ertoe geleid dat, om zeer uiteenlopende redenen, in de jaren zestig de blik zich boven de dijken verhief en uitkeek over de wereld. Maar dat betrof naar alle waarschijnlijkheid vooral de nieuwe middenklassen. Deze waren aanzienlijk in aantal toegenomen door de sterk verhoogde onderwijsdeelname: in 1950 volgde 27 procent van de twaalf- tot vijfentwintigjarigen onderwijs, in 1960 was dit gestegen tot 41 procent.

De universiteiten werden overstroomd door grote aantallen studenten. Vooral de studenten in de sociale faculteiten zouden zich krachtig laten horen in hun ambitie om actief bij te dragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen, zowel nationaal als internationaal, zoals het demokratisch manifest van de Studentenvakbeweging (SVB) in september 1963 beloofde. 

Dit alles liep parallel aan het begin van een fundamentele transformatie van een agrarisch ambachtelijke samenleving naar een postindustriële dienstensamenleving, met een geweldige groei in managementfuncties, met een bijpassende vraag naar ‘veranderingsdeskundigen’ zoals die in ruime mate aan sociale academies en sociale faculteiten werden opgeleid.

Dit verbreedde in een aantal opzichten de elite, waardoor zich de internationale blik ook verbreedde over de samenleving. Daarmee slopen echter ook een aantal kenmerkende eigenaardigheden binnen.

Het verleden? Irrelevant

Deze nieuwe middenklasse was nogal verwend door de meegaandheid van de zittende elite en dit leidde tot de ernstige miskenning van traditionele machtsverhoudingen en krachtlijnen in de wereld. Kenmerkend was dat juist in deze periode het verleden niet langer als relevant werd beschouwd, dat was immers vooral een aaneenschakeling van onverstand en onderdrukking. Een vak dat ‘wereldoriëntatie’ werd genoemd was wel voldoende.

Daarmee ging niet alleen veel historisch besef verloren, maar simpelweg ook veel kennis over de wereld: Habsburgse Rijk, Ottomaanse Rijk? Geen notie. Dit zou ook tot veel ontreddering leiden na de val van de Berlijnse Muur, toen bleek dat dit niet zonder meer leidde tot een grotere veiligheid en stabiliteit, maar tot een ‘terugkeer van de geschiedenis’, de onderdrukte, maar niet opgeloste tegenstellingen op de Balkan.

Het wegvallen van historisch inzicht leidde bovendien zowel tot een overschatting van de macht van de Verenigde Staten in de wereld, als een onderschatting van de verantwoordelijkheden van dat land. Niet alleen was het begrip ‘machtspolitiek’ wat uit het zicht geraakt, ook economisch beleid werd te veel gezien als van secundair belang.

De gedachte was veelal dat een verbetering van het leven, waar dan ook, verkregen zou kunnen worden door dit ernstig te willen en degenen die dat tegenhielden in een goed gesprek te overtuigen. Dat had in Nederland veel succes gehad in de jaren zestig, waarom zou dat niet als model geëxporteerd kunnen worden: Nederland gidsland?

De eerste test van deze gedachte, de crisis rond Nieuw Guinea (1962) liep niet goed af – nadat de Amerikanen hun positie in deze hadden gewijzigd moest Nederland snel bakzeil halen – maar dat verhinderde niet dat deze even beperkte als idealistische blik op de wereld ruim verspreid werd, zelfs de kern was van de ‘democratisering van het buitenlands beleid’ door de nieuwe generatie in de Partij van de Arbeid.

Intellectuele uniformiteit

Geleidelijk werd bovendien in deze jaren steeds duidelijker dat het buitenlands beleid, nadat het ontworsteld was aan Joseph Luns (minister van Buitenlandse Zaken van 1956 tot 1971), zo eensgezind progressief werd, of dat nu voortkwam uit traditioneel socialistisch internationalisme of uit een bekering van confessionelen die zich waren gaan schamen voor het eigen groepsverleden en dat nu goed gingen maken.

Deze homogenisering was nogal opmerkelijk. Want tezelfdertijd was de zelfopvatting dat Nederlanders ‘jeugdig, democratisch, creatief, tolerant, progressief, spontaan, betrokken, origineel, vrijgevochten, anti-autoritair, innovatief, egalitair, vrijdenkend, solidair, nonconformistisch’ waren, zoals de journalist en essayist H.J. Schoo het in 2004 zou samenvatten.

Maar dat was een mythe. Eerder was het omgekeerde het geval: Nederland werd vanaf de jaren zestig aan een verstikkend regime van conformisme onderworpen.

In 1996 liet een commercial van de Postbank een liedje horen van Eric van Tijn en Jochem Fluitsma, Vijftien miljoen mensen:

Vijftien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die schrijf je niet de wetten voor
Die laat je in hun waarde
Vijftien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die moeten niet 't keurslijf in
Die laat je in hun waarde

Het was zo’n succes dat het daarna nog apart is uitgebracht. Het was een even beknopte als melodieuze samenvatting van het zelfbeeld, maar buitenlandse waarnemers wezen vooral op het tegendeel. De Amerikaanse socioloog Derk Philips had in 1975 al gewezen op de benauwde groepsgerichtheid, de eveneens Amerikaanse historicus Kennedy bevestigde later dat beeld en waarschuwde voor de gevolgen van deze situatie, als er ooit eens harde tijden zouden aanbreken.

De ontzuiling had een intellectuele uniformiteit geproduceerd die op wezenlijke kwesties geen dissidente geluiden toeliet en het openbare debat reserveerde voor welvoeglijkheid. De daaruit voortkomende lichtheid van opvattingen maakte het ook mogelijk dat daarin zo'n snelle omslag plaatsvond op de overgang van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw. Toen een werkelijke internationalisering toesloeg – terrorisme en hedgefunds – was nationale contractie het bijna instinctieve antwoord.

In dit opzicht was de internationalisering van een brede elite niet zeer succesvol en eerder een mixed curse dan een mixed blessing. Daar komt nog bij dat de opwinding over ‘de jaren zestig’ – zoals die bijvoorbeeld nog zo doorklinkt in de studie van Hans Righart, De eindeloze jaren zestig (1995) – het zicht beneemt op een veel diepgaander verandering.

Een kwestie van schaal

Dat proces was het gevolg van het feit dat Nederland een klein land in de westelijke wereld was. De vestiging van één Amerikaans bedrijf in Nederland bijvoorbeeld was er voorpaginanieuws, maar het omgekeerde zou de kolommen van een dagblad in de Verenigde Staten niet halen.

Toen in het midden van de jaren zestig een ‘milde waanzin’ toesloeg in Amsterdam en de stad op zijn kop werd gezet door Provo, studenten en communistische bouwvakkers, was het kalme commentaar in The New York Times: ‘the Dutch stopped being dull’. Een groot land kan zich een internationale oriëntatie veroorloven, een klein land is ertoe genoodzaakt.

Grote landen hebben ook schaalvoordelen; de thuismarkt is daardoor zo groot dat internationaal handel gedreven kan worden tegen lage prijzen: het produceren van bijvoorbeeld een uur televisie is in Nederland vele malen duurder dan de aankoop van een uurtje Amerikaanse televisie.

Meer in het algemeen redt een binnenlandse productie van een klein land het alleen als deze goedkoop is, of als er een eigen kwaliteit geleverd kan worden, er iets bijzonders aan vastzit. En ten slotte verlenen contacten met ‘het buitenland’ in kleine landen status; alleen al uit prestigeoverwegingen zullen de contacten toenemen.

In het algemeen zal dus, zoals Karl Deutsch in The Propensity to International Transactions (1960) en Peter Blau in Inequality and Heterogeneity (1977) hebben uitgelegd, de internationale oriëntatie van landen omgekeerd evenredig zijn aan hun omvang. Een dergelijke oriëntatie is dus voor een deel wel een kwestie van kiezen en willen, maar meer nog een toegeven aan een onvermijdelijke zuigkracht, dan wel bezwijken voor een permanente verleiding.

De gevolgen van dit structurele mechanisme deden zich sterk gelden in de jaren zestig en werden merkbaar in het dagelijkse leven, vooral omdat in dat decennium de welvaart onder grote delen van de bevolking explosief toenam en daarmee de bereikbaarheid voor de markt.

Dorpse sfeer doorbroken

De dorpse sfeer, waarin een groot deel van de gewone bevolking op het ondermaanse voortploeterde, werd nu overal doorbroken. Niet alleen drong dankzij de televisie de wereld – althans: wat daar door de televisiemakers voor gehouden werd – de woonkamer binnen, ook de toenemende economische internationale verwevenheid werd alom merkbaar.

De regelgeving vanuit Brussel (aanvankelijk vooral op het terrein van de landbouw) werd belangrijker dan de handel op de regionale veemarkt; het Beursplein was niet langer voldoende, ook de koersen van Wall Street moesten worden bijgehouden.

Maar niet alleen dat. Veel sluipender nog drong een grote wereld het dagelijkse leven in. Voor jongeren kreeg dat vooral gestalte in de popcultuur, aanvankelijk buiten de ether gehouden door de omroepverenigingen te Hilversum, maar te beluisteren via the American Forces Network in München. Nog levendig herinner ik me de aankondiging: ‘This is Willis Conover speaking from Washington DC’, betrekkelijk langzaam uitgesproken, omdat hij zich realiseerde dat het Engels voor het merendeel van zijn luisteraars niet de moedertaal was. Hij draaide vooral jazzmuziek; rock-’n-roll viel te horen op Radio Luxemburg op de golflengte 208.

Niet alleen presenteerde Barry Aldiss van 1958 tot 1966 daar de Engelse top twintig, maar ook de Nederlandstalige uitzendingen waren tot het midden van de jaren zestig zeer populair; een aantal Nederlandse presentatoren hebben daar (de studio was in Brussel gevestigd) het vak geleerd. Daarna kwamen nieuwe zenders op als Radio Caroline, Radio London en vervolgens Veronica (1960).

Aanvankelijk viel dit opwindende geluid te beluisteren via de vaste radiotoestellen met het bekende groene oog, maar in 1957 werd de draagbare transistorradio geïntroduceerd, waarna de mogelijkheden explosief toenamen om in te tunen op de nieuwe jeugdcultuur.

Ook op het gebied van het eten zal juist in de jaren zestig de monotonie van het ‘eenvoudig doch voedzaam’ doorbroken worden. Het enige ‘vreemde’ voedsel was het Javaanse eten van ‘de chinees’, een in elke stad zichtbare verwijzing naar het koloniale verleden.

Maar geleidelijk verschenen er bijzondere producten op tafel – zo herinner ik me nog de eerste verschijning van paprika's (met gehakt gevuld). Rijst was wel bekend, maar in deze jaren begon de pasta aan een opmars, een enkele durfal waagt zich aan goulash of bouillabaisse.

Het grootwinkelbedrijf van Albert Heijn zou vervolgens Nederland in deze jaren massaal aan de sherry brengen, even later gevolgd door de uiterst goedkope literpakken Franse wijn onder de merknaam Pinard. De naam liet overigens merken dat de beheersing van het Frans nog niet optimaal was: ‘c'est du pinard’ betekent immers dat het bocht is.

In 1961 zou ook de opmars beginnen van het fonduestel; daarbij ging het eerst om vlees, daarna kaas en ten slotte om Chinese fondue (groenten en vlees in hete bouillon), waarna nog allerlei experimenten zouden volgen met chocola en stukjes fruit.

Toegenomen welvaart

Deze veranderingen hielden waarschijnlijk sterk verband met vakanties in het buitenland. Want weliswaar namen Nederlanders nog vaak veiligheidshalve aardappelen en groente mee in de auto, dat gebruik zou toch vervagen en daarmee de ervaring met andere levensmiddelen toenemen.

Toegenomen welvaart (er was een ‘loonexplosie’ in 1963), het korter worden van de arbeidsweek in de jaren zestig (van ruim 47 uur in 1960 tot 43 uur in 1970) en de toename van het aantal vakantiedagen in de jaren zeventig (van gemiddeld 21 dagen in 1960, via 23 in 1970 naar 31 in 1980), leidde tot een sterke groei in het aantal auto's.

Aanvankelijk werden die gebruikt om op zondag langs de snelwegen naar andere auto's te kijken (het zogenaamde bermtoerisme), maar vervolgens toch ook om de vakantie niet langer tot het binnenland te beperken. Het omslagpunt viel in 1975: in dat jaar werd 50 procent van de vakanties in eigen land, de andere 50 procent in het buitenland gehouden.

Daarnaast werd het vliegen in een aantal stappen goedkoper (invoering toeristenklasse in 1953 en economy class in 1958). Het aantal Nederlanders dat bijvoorbeeld naar de Verenigde Staten vloog, verdriedubbelde in de jaren zestig (en daarna nog eens in de jaren zeventig: tussen 1960 en 1980 vlogen er meer dan een miljoen Nederlanders naar de Verenigde Staten).

Paradox

Dit leidt ten slotte tot een paradox. De internationale oriëntatie die Nederland in de jaren zestig ging kenmerken, was voor een deel even welgemeend als oppervlakkig. Naarmate de publieke opinie meer tevreden werd over eigen individualiteit en tolerantie, eigen redelijkheid en ongebondenheid en bovenal seculier, werden tegelijkertijd grote delen van de wereld steeds meer onbegrijpelijk.

In diezelfde periode werd het land, zowel economisch als cultureel, steeds meer afhankelijk van de Verenigde Staten en Europa en drongen van heinde en verre elementen uit vreemde culturen het dagelijkse leven binnen, losgeweekt uit de oorspronkelijke context en opgenomen in een gecreoliseerde, internationale consumptiecultuur.

Onlangs vertelde een familielid uitvoerig over zijn vakantie in Thailand, een prettig land vond hij, mooie stranden, fraaie tempels en heerlijk eten: daar zou hij vaker naar toegaan. Naar Amsterdam ging hij overigens liever niet, die stad vond hij bedreigend en vreemd.

Een gevolg van de internationalisering zou wel eens kunnen zijn dat het verschil tussen de klassieke begrippen ‘vaderland’ en ‘buitenland’ aan betekenis verloren heeft, waarbij het vacuüm gevuld wordt door een alom waarneembaar campanilismo.

Deze artikels interesseren je wellicht ook:

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed