Vijftig jaar na mei ’68: De tweeslachtige religieuze erfenis van de jaren 1960 in Nederland

In de jaren 1960 maakten de westerse samenlevingen sterke veranderingen mee, met mei ’68 als orgelpunt. Wat is daar een halve eeuw later van overgebleven in de Lage landen? We onderzoeken het op de website van Ons Erfdeel.

De religieuze erfenis van de jaren zestig in Nederland is tweeslachtig, stelt Ger Groot in dit essay. Niet de toenemende secularisering was kenmerkend, maar juist een modernistisch verzet tegen de ontbinding die onderhuids al voelbaar geworden was in de traditionele kerkelijkheid. Anno 2018 is de religie nog lang niet uitgespeeld – zeker niet in een land dat haar van oudsher zowel aan protestantse als katholieke zijde diep heeft gekoesterd. En wat met de nieuwgekomen islam? Díé is ‘nog niet door de Verlichting heengegaan’, zo wordt hem vaak verweten. Maar trefzekerder is misschien de vaststelling dat zij de jaren zestig nog niet heeft doorgemaakt. Díé erfenis, zoveel breder en relevanter dan de achttiende-eeuwse vraag naar het (dogmatisch beleden) bestaan van God, is voor een levende religieuze cultuur momenteel waarschijnlijk van veel groter belang. Dat is een riskante erfenis, met een ongewisse uitkomst.
 
door Ger Groot

Lange tijd was Nederland een van de meest katholieke landen ter wereld. Dat mag verbazing wekken. Als er één religieuze denominatie is waarmee Nederland steevast wordt geassocieerd, dan is het de calvinistische. De beeldende kunst (van Rembrandt tot Mondriaan), de literatuur (van Multatuli via Wolkers tot Maarten ’t Hart), de zeden (gordijnloze ramen met vrij zicht op een zondeloos interieur), de business (vlijt, zuinigheid en handelsgeest), de soberheid die geen toelichting behoeft: alles wordt, terecht of ten onrechte, geacht de geest te ademen van Calvijns Instituties en de Statenvertaling.

Het Nederlands zelf zou pas dankzij die laatste pas tot een echte cultuurtaal zijn uitgegroeid. Zelfs Nederlandse katholieken denken en doen in de ogen van zuidelijker Europeanen als verkapte calvinisten.

Toch was tot aan de jaren zestig meer dan de helft van de Nederlandse bevolking katholiek. Toegegeven: het merendeel daarvan woonde in de zuidelijke provincies ‘beneden de rivieren’, die lang als een soort koloniën (‘generaliteitslanden’) werden bestuurd en waar de bewoners weinig in de melk te brokkelen hadden.

Maar ook de noordelijker, overwegend protestantse gebieden telden belangrijke katholieke gemeenschappen: van Rotterdam, dat voor zijn arbeiders en havenwerkers vooral was aangewezen op immigratie uit het katholieke Brabant, tot het vissersdorp Volendam benoorden de hoofdstad, dat altijd manmoedig rivaliseerde met het tegenovergelegen, zeer protestantse eiland Marken.

Ook in Amsterdam was sinds de protestantse machtsovername (‘alteratie’) in 1578 de katholieke eredienst weliswaar officieel verboden, maar werd ze in talrijke schuilkerken oogluikend toegestaan. Pas toen in de grondwet van 1848 de laatste belemmeringen voor een herstel van de katholieke hiërarchie waren weggenomen en deze vijf jaar later daadwerkelijk haar beslag kreeg, bleek hoe krachtig de Roomse kerk haar onderdrukking had doorstaan.

Ook al werden de laatste ‘antipaapse’ bepalingen pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw uit de grondwet verwijderd, de herwonnen vrijheid leidde in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste tot een katholiek triomfalisme dat zich met grote neogotische volkskerken in stad en land in de kijker speelde.

 

Bont en overdadig

Dit was het tijdperk van het rijke Roomsche Leven, waarvan het weekblad De Katholieke Illustratie op (voor die tijd revolutionaire) fotopagina’s bont en overdadig getuigenis aflegde. Het was de tijd van de grote gezinnen die door het aanzienlijk minder kinderrijke protestantisme als een groot demografisch gevaar werden gezien, de rijke processies die zich alleen in de zuidelijke provincies op straat mochten begeven, de duizenden zwijgend biddende mannen die met hun Stille Omgang in het Amsterdamse red light district in heimelijk protest tegen die inperking het Amsterdamse Mirakel herdachten, de heerooms en kloosterzusters waarvan elke familie er wel enkelen telde, het uitbundig verenigingsleven langs strikt confessionele lijnen en de mateloze missioneringsdrift, waarin Nederland zijn overschot aan priesters, nonnen en broeders uitzond over de hele wereld ter verspreiding van geloof, gezondheidszorg en alfabetisering.

Numeriek heeft het aantal katholieken in Nederland nooit veel meer dan een ruime vijftig procent geteld, maar in geloofsijver overtrof het land elke andere natie. De Nederlandse tulpen die nog altijd de pauselijke zegen Urbi et orbi opsieren (‘Bedankt voor de bloemen’, zei paus Karol Józef Wojtyla in wankel Nederlands en het werd een gevleugeld woord), wortelen in een ver in de generaties terugreikende adoratie van de Heilige Stoel.

Het Zouavenleger dat in de jaren zestig van de negentiende eeuw de Pauselijke Staat vruchteloos verdedigde tegen de nationalistische troepen van Garribaldi, bestond voor niet minder dan een derde uit Nederlanders. Ze verzamelden zich in het Brabantse Oudenbosch, waar een klein museum nog altijd hun herinnering levend houdt.

 

Het barre land

Van die levenskracht en dat zelfbewuste triomfalisme is vrijwel niets meer over. Het katholieke verenigingsleven is verdwenen of opgegaan in neutrale organisaties. De vakcentrale NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond) fuseerde in 1976 met de ‘rode’ NVV tot de neutrale Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). De neogotische kerken van de architect Pierre Cuypers vielen ten offer aan de slopershamer of veranderden in tapijthallen of appartementencomplexen.

Alleen hier en daar rekt een parochiekerk nog manmoedig het leven, met een tot enkele tientallen geslonken, vrijwel uitsluitend uit bejaarden bestaand gelovigenbestand en een pastor die uit personeelsgebrek nog een handvol andere kerken te bedienen heeft.

In plaats van missionarissen uit te zenden naar verre landen overzee, importeert de Nederlandse kerkprovincie nu priesters uit andere werelddelen, omdat zij zelfs in de geslonken vraag niet meer uit eigen werving kan voorzien.

Van Romes meest trouwe en begeesterde volkskerk naar het barre land van een missiegebied: zelden zal het katholieke ontkerkelijkingsproces zo onthutsend snel en massaal verlopen zijn als in Nederland.

Achteraf gezien wekt die kerkprovincie de indruk een tot in het groteske opgeblazen ballon te zijn geweest, die bij het minste speldenprikje spectaculair leegliep. Ze liet de herinnering na van een bizarre, het hele leven tot in de verste uithoeken vullende overdadigheid, waarvan de resten liefdeloos verdwenen op de schroothoop van de geloofsafval.

 

Verstikkend en kleingeestig

De katalysator daarvan zou het Tweede Vaticaans Concilie (1962 – 1965) geweest zijn. Het beloofde weliswaar de kerk opnieuw ‘bij de tijd’ te brengen (aggiornamento), maar zou in werkelijkheid aan het licht hebben gebracht hoe reddeloos overleefd de katholieke wereld intussen geworden was.

Emblematisch daarvoor was de ‘documentaire over de jaren 1925 – 1935’ die de journalist, tekstschrijver en dichter Michel van der Plas in 1963 publiceerde onder de titel van de al genoemde rubriek uit De katholieke illustratie: Uit het rijke Roomsche Leven.

Puttend uit een groot aantal geschreven bronnen liet Van der Plas zien hoe verstikkend en kleingeestig dat leven wel niet geweest was. ‘Roomsch is troef’; ‘De beste romans deugen niet’; ‘God heeft de standen gewild’ en ‘Een rooie katholiek is een dooie katholiek’: met dergelijke citaten op het achterflap wist de lezer direct wat hij in het boek verwachten kon.

Het boek werd een beststeller, met meer dan tien herdrukken in korte tijd – terwijl in Rome het Concilie nog voortduurde. Tussen die twee bestond echter geen spanning of tegenspraak – althans, nóg niet. In die conciliejaren en de periode kort daarna leed de katholieke geloofsijver allerminst onder de ontmaskering van wat inmiddels als een overleefde bigotterie werd ervaren.

Zowel de grootse kernmomenten van Vaticanum II als de uitvaart van de zeer geliefde paus Johannes XXIII die het bijeen geroepen had, werden op de Nederlandse televisie massaal bekeken. De dood van de laatste in datzelfde jaar 1963 dompelde zelfs een deel van het niet-katholieke Nederland in rouw.

Intussen speelden op de achtergrond van het concilie vooruitstrevende theologen, exegeten en liturgisten een belangrijke rol als adviseurs en experts, zo revolutionair dat zij van lieverlee ook een publiek gezicht kregen. De Vlaams-Nederlandse theoloog Edward Schillebeeckx vormde (samen met o.a. de Zwitser Hans Küng, de Duitser Karl Rahner en de Fransman Yves Congar) de voorhoede van wat in Frankrijk al eerder ‘la nouvelle théologie’ werd genoemd.

In open gesprek met de filosofie (van existentialisme tot marxisme), geïnspireerd door een lezing van de Bijbel waarin de joodse wortels uitdrukkelijk werden onderkend en met een scherp oog op de vernieuwing van de eredienst naar de eisen van de tijd, maakten zij de grond rijp voor de moderniseringsbesluiten die op het concilie genomen werden.

Voor het eerst trad de katholieke theologie, die aan het lekenvolk tot dan toe weinig te zeggen had gehad, naar buiten in geschrifte en via radio en tv, die juist in die jaren pas een werkelijk massamedium werd. Zo populair werd de toen nog in witte dominicanerpij gehulde Edward Schillebeeckx dat hij aan het eind van de jaren zestig bij de socialistische VARA-televisie geïnterviewd werd door de journalistieke publiekslieveling Mies Bouwman in haar talkshow Mies en Scène, na elke uitzending steevast hét nationale gesprek van de dag.

 

Een tweede Reformatie

Theologie werd voor de gemiddelde katholiek in de jaren zestig een druk bediscussieerd verschijnsel, bijbelexegese een zaak waar men zich eindelijk druk over ging maken. Van oudsher waren ze zorgvuldig uit het zicht van het gelovige volk gehouden. Geloofszaken waren aangelegenheden van de clerus en van Rome geweest; de theorie erover hoorde (voor zover ze al bedreven werd) thuis op de seminaries.

Zelfs de heftige ‘modernistenstrijd’ van rond de voorgaande eeuwwisseling had aan die onwetendheid onder de leken geen einde gemaakt. Integendeel: de spanningen die deze (net als de latere ‘priester-arbeidersbeweging in Frankrijk) had opgeroepen had het leergezag er eens te meer van overtuigd dat het einde zoek zou zijn wanneer het ‘volk’ méér aangeleerd zou worden dan devotie en gehoorzaamheid.

Dankzij het Tweede Vaticaans Concilie traden de katholieke theologen en bijbelwetenschappers uit hun isolement – en vonden in Nederland een groot en ontvankelijk gehoor. Katholieke scholen organiseerden avonden waarin hun visies aan de ouders werden uitgelegd. Op radio en televisie werd er druk over gedebatteerd en onderwezen.

Het was de tijd waarin familiefeestjes in katholieke kring bijna steevast uitmondden in heftige theologische debatten: over de volkstaalliturgie, het priestercelibaat, de ‘werkelijke tegenwoordigheid’ van Christus in de hostie, de verwachting van het hiernamaals, ja het bestaan van God.

Wie achteraf op de katholieke jaren zestig in Nederland terugkijkt, ziet zich daar een soort tweede reformatie afspelen. De Bijbel, die katholieken tot dan toe alleen in een sterk ingekorte vorm mochten lezen, kwam voor hen ongecensureerd open te liggen en riep onmiddellijk vragen op.

In de liturgie keerde de priester niet alleen zijn gezicht naar het volk, maar maakte van de tot dan toe voornamelijk op vroomheid gerichte preek een belangrijk moment van onderwijs en verklaring. De plots verstaanbaar geworden taal van gebeden en gezangen riep zowel twijfel als de noodzaak van nadere verheldering op: wat werd er met al die daarin onderstreepte dogma’s wel niet bedoeld?

Volgens sommigen zouden geloofsdienaren hun kudde een stuk beter begrijpen wanneer zij, net als bij de protestanten, een gewoon gezinsleven zouden hebben. En was het ‘verzuilde’ isolement waarin het katholieke volksdeel een natie op zich was geweest, naar binnen gekeerd en op zichzelf betrokken, nog wel ‘van deze tijd’?

Lang niet iedereen was van de noodzaak van een verregaande modernisering overtuigd en velen begonnen twijfels te koesteren toen de aanvankelijk enthousiast begroete aggiornamento in Nederland revolutionaire trekken ging te vertonen. Maar aanvankelijk leken dat de groeipijnen te zijn van een nieuw elan, dat op menige plek in de katholieke kerk inderdaad doorbrak.

De nieuwe vrijheid waarmee over geloofszaken kon worden gesproken en de opwindende kennis daarvan die in die discussies en leeravonden in tot voor kort ongehoorde mate werd verdiept, leidde weliswaar tot verdeeldheid en onenigheid, maar bovenal tot het besef dat het geloof aan een nieuw leven was begonnen, misschien wel aan een wederopstanding uit wat meer en meer gezien werd als een glorieuze maar inmiddels doodlopende weg.

Tekenen dat het katholieke isolement, triomfalistisch maar ook steeds benauwender, op den duur niet houdbaar zou zijn waren er immers vanaf de Tweede Wereldoorlog al geweest. Of dat door de ervaring van het verzet tegen de Duitse bezetter in de hand was gewerkt, is de vraag. Ook de ondergrondse was langs confessionele en ideologische lijnen georganiseerd en verkaveld geweest.

Maar in de verwachting dat na de oorlog alles ánders zou worden, paste de wederzijdse afkeer en de gesloten mentaliteit van de zuilen niet langer. De ‘doorbraakgedachte’, waarin socialisten en christelijke stromingen wederzijds toenadering zochten, won veld.

Terug in het hok gefloten

Maar dat was nog te vroeg. In 1954 floten de Nederlandse bisschoppen in het beruchte ‘Mandement’ de gelovigen terug in het hok van de strikt katholieke wereld en haar organisaties. Lidmaatschap van de socialistische partij werd sterk ontraden, van de socialistische vakbond verboden.

Dat was slechts uitstel van executie: iets meer dan twintig jaar later fuseerden beide vakverenigingen tot één centrale. Het Mandement liep van begin af aan achter de feiten aan. Het verbod op het beluisteren van de socialistische VARA-radio werd vrolijk en massaal genegeerd. In de jaren zestig konden de bisschoppen weinig anders dan meegaan met de onstuitbare ontwikkelingen van het kerkvolk zelf.

Zij wilden inmiddels waarschijnlijk ook zelf niet anders. Kenmerkend was de rol van de Bernard Alfrink, die in 1954 als coadjutor-aartsbisschop nog het Mandement mede had uitgevaardigd. In de jaren zestig liet hij zich als Nederlands aartsbisschop kennen als een voorzichtig maar ontvankelijk kerkleider die in 1966, samen met de andere bisschoppen, een Pastoraal Concilie bijeenriep waarop een zeer grote rol was weggelegd voor de stem van de leken.

Voor de meest vooruitstrevenden onder de katholieken waren Alfrink en zelfs het Pastoraal Concilie nog veel te timide in hun hervormingsbereidheid. Voor de conservatieven, die zich gaandeweg steeds sterker begonnen te manifesteren, had zelfs Vaticanum II zich al bewogen op het randje van de aanvaardbaarheid.

Maar te midden van alle turbulentie van die tijd gold het intensieve gesprek tussen kerkleiding en leken op het Pastoraal Concilie internationaal als een lichtend en hoopvol voorbeeld van wat de kerk in de toekomst zou kunnen betekenen. Bisschoppen als Bekkers (ook hij voerde een memorabel tv-gesprek met Mies Bouwman), Bluyssen en tot op zekere hoogte ook Alfrink zelf genoten in Nederland binnen en buiten de katholieke kerk populariteit en aanzien.

Dat bleef niet zo. In de jaren zeventig greep het Vaticaan hard in en forceerde met de benoeming van nieuwe, aanzienlijk behoudsgezinder bisschoppen een koerswijziging die de Nederlandse katholieken moet terugbrengen in het vaarwater van haar traditionele trouw aan Rome.

Enige reden voor zorg had het Vaticaan wel. De meest radicale parochies (die zichzelf inmiddels ecclesia of naar protestantse snit ‘gemeente’ noemden) hadden zich de facto losgemaakt uit de kerkprovincie. Waar ooit de aanhankelijkheid aan de paus mondiaal onovertroffen was geweest, klonk nu scherpe kritiek op de verkalkte, ja zelfs perverse kerk- en machtsstructuur die de curie verweten werd. Gaandeweg leek de Nederlandse kerkvernieuwing te zijn uitgelopen op een werkelijke tweede Reformatie.

Maar de Romeinse gestrengheid had averechtse gevolgen. Steeds meer gemeenten en ecclesia’s die zich in de voorhoede van de vernieuwingsbeweging bevonden, maakten zich los uit het kerkelijek verband en hun verlies werd niet gecompenseerd door een massale toeloop naar behoudsgezinder parochies.

Het anachronisme van confessionele organisatie op elk denkbaar vlak verdween in rap tempo en liet een kerk achter die het volk alleen nog op strikt religieus gebied iets te bieden had. Voor zover het verenigingsleven überhaupt nog levend bleef tegenover een steeds sterker voelbare tendens tot individualisering in, opereerde het in een samenleving waarin religieuze en ideologische denominaties steeds minder werkten als scheidslijnen.

Toen Paus Johannes Paulus II in 1985 voor het eerst een bezoek bracht aan Nederland, viel hem een kille ontvangst te deel. Het merendeel van het ooit zo omvangrijke en begeesterde katholieke volksdeel kon het weinig schelen; een progressieve minderheid ervan overlaadde hem met kritiek en verwijten. Zij vormden de laatste erfgenamen van het enthousiasme dat in de jaren zestig de Nederlandse katholieken tot grote hoogten had opgestuwd. In zekere zin was de geloofsbeleving juist in die jaren groter dan ooit geweest; minstens had zij getuigd van een ‘rijk Rooms leven’ dat weliswaar van kleur maar niet van toewijding verschoten was.

 

In de marge van de samenleving

Langer dan een jaar of tien heeft dat niet geduurd. Sindsdien overleeft de katholieke kerk in Nederland in de marge van de samenleving. De ontwikkelingen van de jaren zestig zijn daar niet de oorzaak van. Ze versnelden hoogstens een proces dat pas enkele decennia later ook bij de mainstream protestantse kerken zou inzetten en daar inmiddels nog dramatischer vormen heeft aangenomen. Nederland ligt er in het begin van de eenentwintigste eeuw bij als een ontkerkelijkt land.

Toch mag de schijn niet bedriegen. Migrantenkerken en zowel het fundamentalistische als het opwekkingsprotestantisme vormen bloeiende haarden van ‘moderne’ religiositeit. De katholieke kerk mag een kwijnend bestaan lijden, het typisch katholieke areaal van ritualiteit, liturgische sensualiteit en gevoeligheid voor het mystieke dringt zich zowel in expliciet godsdienstige als in quasi-religieuze bewegingen en vieringen zichtbaar op, en beantwoordt daarin kennelijk aan een diepgevoelde behoefte.

Terwijl de kerkelijke organisatiestructuren verdwijnen, geniet de erfenis van godsdienstige vormen een toenemende, eclectische populariteit – variërend van ‘atheïstische liturgievieringen’ tot nutsbedrijven als ‘rent-a-priest’, die belangrijke levensmomenten graag van een passend cachet voorzien. Zelfs het van oudsher wetenschappelijk-rationele Humanistisch Verbond biedt inmiddels seculiere trouw- en begrafenisrituelen aan, waarin het opzichtig leentjebuur speelt bij de kerkelijke tradities.

Zo is de religieuze erfenis van de jaren zestig in Nederland in meerdere opzichten tweeslachtig. Niet de toenemende secularisering was daarvoor kenmerkend, maar juist een modernistisch verzet tegen de ontbinding die onderhuids al voelbaar geworden was in de overleefd geraakte, traditionele kerkelijkheid.

De koortsachtige vernieuwing en bezinning die daarvan het gevolg was, leidde in de daaropvolgende decennia tot een backlash die op zijn beurt echter even tijdelijk lijkt te zijn. Snel zullen de traditionele kerken zich niet herstellen, en al helemaal niet in de vormen van vóór de jaren zestig. Maar uitgespeeld is de religie nog lang niet – zeker niet in een land dat haar van oudsher zowel aan protestantse als katholieke zijde diep heeft gekoesterd.

Ongewisse uitkomst

Zelfs de nieuwgekomen islam zal zich op enige termijn vermoedelijk niet aan die dynamiek kunnen onttrekken. Vooralsnog manifesteert deze zich in een fundamentalisme dat in veel opzichten niet zo heel veel verschilt van het vooroorlogse katholicisme én calvinisme, althans in zijn strengere vormen. Díé islam is ‘nog niet door de Verlichting heengegaan’, zo wordt hem vaak verweten.

Maar trefzekerder is misschien de vaststelling dat zij de jaren zestig nog niet heeft doorgemaakt. Díé erfenis, zoveel breder en relevanter dan de achttiende-eeuwse vraag naar het (dogmatisch beleden) bestaan van God, is voor een levende religieuze cultuur momenteel waarschijnlijk van veel groter belang.

Dat is een riskante erfenis, met een ongewisse uitkomst. Het kan zijn dat zij alsnog met de religie radicaal komaf maakt. Maar waarschijnlijk is dat niet. Als de jaren zestig religieus érgens van getuigden, dan was het van een vlammend godsdienstig enthousiasme, niet van onverschilligheid. Juist aan die laatste lijkt de malaise van de huidige tijd bovenal te lijden.

De erfenis van de sixties toont zich misschien nu vooral in een knagende nostalgie naar een tijd waarin er levensbeschouwelijk nog werkelijk iets op het spel stond.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels in het jaarboek The Low Countries, editie 2017.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed