Vijftig jaar na mei ’68: ontzuiling in de Lage Landen

In de jaren 1960 maakten de westerse samenlevingen sterke veranderingen mee, met mei ’68 als orgelpunt. Wat is daar een halve eeuw later van overgebleven in de Lage landen? We onderzoeken het een maand lang op de website van Ons Erfdeel.

In dit essay richt Marc Hooghe alle aandacht op de ontzuiling. De greep van de zuilen op de cultuur en de mentaliteit van de bevolking is zowel in Vlaanderen als in Nederland sinds 1968 grotendeels verdwenen. De verzuilingsformule was in het verleden wellicht een goede manier om een diep verdeelde samenleving te ordenen. Maar de huidige, multiculturele samenleving is veel sterker versplinterd en veel diverser. Een nieuwe verzuiling kan daar geen antwoord op bieden.

door Marc Hooghe

Het is nog niet zo heel lang geleden dat de katholieke kerk de illusie koesterde dat ze een dominante invloed kon uitoefenen op het culturele en politieke leven in onze samenleving. In mei 1954 vaardigden de Nederlandse bisschoppen het mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd uit, waarin ze de gelovigen opriepen zich maatschappelijk te engageren in katholieke organisaties.

In één adem door kreeg het kerkvolk een verbod opgelegd om nog lid te zijn van de socialistische vakbond of de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming. Een lidmaatschap van de socialistische Partij van de Arbeid was uit den boze en er werden zelfs twijfels geuit bij de rechtgeaardheid van de katholiek die regelmatig naar uitzendingen van de socialistische omroep VARA zou durven te luisteren.

In België deed de bisschop van Brugge, monseigneur De Smedt, dat in 1958 nog eens dunnetjes over door vanaf de kansel op te roepen enkel en alleen voor de Christelijke Volkspartij te stemmen, en zeker niet voor de pas opgerichte nationalistische Volksunie: ‘wij verklaren dat stemmen op de Volksunie in de huidige omstandigheden zwaar zondig is’.

Sindsdien heeft de katholieke kerk zich meer en meer teruggetrokken op haar eigen levensbeschouwelijke terrein en onthoudt ze zich van directe inmenging in politieke aangelegenheden. Tijdens de jaren zeventig verzette ze zich nog wel tegen de legalisering van de abortuswetgeving, maar daarna viel de directe politieke betrokkenheid grotendeels stil.

 

Afscheid van het rijke Roomse leven

Toen Nederland en België euthanasie legaliseerden en het homohuwelijk invoerden, was er nauwelijks sprake van enig georganiseerd verzet vanuit de katholieke hoek. In Rome worden de Belgische en de Nederlandse kerkprovincie dan ook met enige argwaan bekeken: er zijn weinig plaatsen ter wereld waar de wetgeving zo manifest indruist tegen wat het Vaticaan wel zou willen. Het rijke Roomse leven dat in de jaren vijftig van de twintigste eeuw nog algemeen verspreid was, lijkt nu verder weg dan ooit tevoren.

Ook op andere domeinen is de verzuiling in onze samenleving geleidelijk afgebrokkeld. In Nederland fuseerden de socialistische en katholieke vakbond. In Vlaanderen kwam het niet zo ver, maar ook daar bekoelden geleidelijk de betrekkingen tussen de vakbonden en hun verwante politieke partij. Als we naar het verenigingsleven kijken, dan zien we dat de traditionele verzuilde organisaties geleidelijk terrein verliezen, ten voordele van allerlei nieuwe organisaties die zich meestal niet richten op één welbepaalde levensbeschouwing.

De ontzuiling was waarschijnlijk nergens zo ingrijpend als bij de massamedia. Al vanaf het begin van de opbouw van de zuilen in de tweede helft van de negentiende eeuw functioneerden dagbladen en tijdschriften als de vanzelfsprekende spreekbuizen van een levensbestemming. Toen de radio later zijn intrede deed, werd dat medium zonder al te veel verpinken opgenomen in de verzuilde logica, zij het met meer succes in Nederland dan in Vlaanderen.

Vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw verdween die band echter in een snel tempo. Journalisten bevochten hun onafhankelijkheid en wilden op een objectievere manier hun werk kunnen doen. De lezers haakten massaal af: zij kozen voor kranten die de inhoud brachten die ze wilden en ze lieten zich steeds minder leiden door partijpolitieke overwegingen. In Nederland verdween het socialistische dagblad Het Vrije Volk definitief in 1991. In Vlaanderen waren de socialistische partijbladen al ter ziele gegaan in 1978, en opgevolgd door het onafhankelijke dagblad De Morgen.

Al die evoluties betekenen natuurlijk niet dat de verzuiling volledig verdwenen is uit de Vlaamse samenleving. Zeker in de onderwijssector en bij de gezondheidszorg beheersen de verzuilde structuren nog altijd het veld. Daardoor verschuift het politieke debat grotendeels.

In Vlaanderen heeft de katholieke zuil niet echt een campagne opgezet om de wetgeving over euthanasie tegen te houden en dit vormt een heel contrast met wat enkele decennia geleden nog het geval zou zijn geweest. Maar de christelijke ziekenhuizen blijven wel bijzonder weigerachtig om de stap naar euthanasie te zetten, zodat de uitvoering van de wet in een groot aantal gevallen afhankelijk is van het lokale ziekenhuisaanbod.

Toch blijkt uit onderzoek dat er ook in dit verband een zeer grote schemerzone bestaat: hoewel de officiële ethische richtlijnen weinig interpretatieruimte toelaten, blijken er in de praktijk toch een groot aantal verschillende manieren te bestaan om tot een zo humaan mogelijk levenseinde te komen, ook in christelijke ziekenhuizen.

De greep van de verzuiling op de cultuur en op de mentaliteit van de bevolking is in elk geval danig verwaterd. Terwijl men in opinieonderzoek uit het begin van de jaren zeventig nog duidelijk de verschillende subculturen onder de bevolking kon herkennen, is dat onderscheid dertig jaar later zo goed als verdwenen. De politieke en culturele opvattingen van de bevolking worden niet langer bepaald door het lidmaatschap van een zuil, maar berusten op allerlei individuele combinaties van opleidingsniveau, sociaaleconomische status, levensbeschouwing, geslacht en andere achtergrondkenmerken.

 

Een nieuwe generatie neemt het woord

Dit proces van ontzuiling verliep natuurlijk zeer geleidelijk. Toch zijn er een aantal sleutelmomenten in deze evolutie, en die vallen, niet toevallig, allemaal in de tweede helft van de jaren zestig. Er is al heel veel inkt gevloeid over de vraag of mei ’68 inderdaad een breukmoment is geweest in de culturele ontwikkeling van de westerse samenleving.

Al bij al bleven de gebeurtenissen van mei '68 inderdaad relatief beperkt: in Parijs gingen enkele duizenden studenten aan het betogen, en op een bepaald moment slaagden ze er zelfs in hun protest te laten uitgroeien tot een algemene staking die de Franse economie lam legde. Maar goed een maand later was dat protest al doodgebloed en maakten de Fransen zich op voor een welverdiende zomervakantie. Het leek er even op dat generaal De Gaulle de touwtjes weer stevig in handen kon nemen.

Toch is de symbolische betekenis van mei '68 natuurlijk veel ruimer. In zowat alle westerse landen was er in die periode sprake van studentenoproer. De democratisering van het hoger onderwijs zorgde ervoor dat de universiteiten kraakten in hun voegen. Traditioneel waren universiteiten elitaire instellingen, die gewend waren kleine groepen studenten te ontvangen.

De geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog en de toegenomen welvaart zorgden er echter voor dat steeds grotere groepen jongeren hun weg vonden naar de universiteit, in totaal onaangepaste materiële omstandigheden. Het protest van de studenten was er vooral een tegen conservatieve en vastgeroeste instellingen, die de voeling met de maatschappelijke evolutie hadden verloren. Dat was al zo vanaf het begin van het protest, bij de Free Speech Movement die vanaf 1964 losbarstte aan de universiteit van Berkeley in Californië. De studenten eisten er toen het recht op om hun eigen politieke activiteiten in te richten op de campus, zonder bevoogding van de universitaire overheid.

Op het moment dat het protest overwaaide naar de Katholieke Universiteit van Leuven, speelde diezelfde dimensie daar nog altijd een rol. Aan de ene kant was de mobilisatie in Leuven natuurlijk nationalistisch van aard: de Vlaamse studenten wilden een splitsing van de toen nog tweetalige universiteit doorvoeren, zodat er een einde zou komen aan de aanwezigheid van Franstalige studenten en professoren in de Vlaamse stad Leuven.

Maar tegelijk ging het protest veel verder. De Belgische bisschoppen hadden toen nog een veel grotere invloed op het beheer van de universiteit, en hooghartig negeerden ze het studentenprotest. De verwachting was duidelijk dat de studenten zouden doen wat van hen verwacht werd, namelijk keurig de richtlijnen volgen. De verklaring van de bisschoppen dat de universiteit van Leuven nooit gesplitst zou worden, was olie op het vuur, en uiteindelijk bereikten de Leuvense studenten op relatief korte termijn hun doelstellingen. Het feit dat ze zo radicaal waren ingegaan tegen de ‘bevelen’ van de bisschoppen zorgde toen nog voor heel wat afkeurend gemompel.

De bezetting van het Maagdenhuis, het bestuurscentrum van de Universiteit van Amsterdam, in mei 1969 paste helemaal in die tijdgeest. Ook de Amsterdamse studenten eisten medebeslissingsrecht in de manier waarop hun universiteit werd bestuurd, en ook hier werden de gemoederen opgehitst door wat ongelukkige verklaringen van een rector die helemaal niet was opgezet met al die nieuwlichterij.

Ongeacht de lokale specifieke eisen van de protesterende studenten loopt er dus wel degelijk een rode draad door alle mobilisaties van die periode: een nieuwe generatie wilde het woord nemen en verzette zich tegen de dominantie van een oudere generatie die de structuren onveranderd wilde laten. Die oudere generatie bleef zich koesteren in de gloed van de jaren vijftig, toen ‘stabiliteit’ en ‘wederopbouw’ nog de ordewoorden waren.

 

Een gedeeltelijk ‘Aggiornamento’

Zeker voor de katholieke kerk was de periode rond 1968 een echt kantelmoment, en ook hier kunnen we spreken van een conflict tussen traditionele krachten en vernieuwers. Die vernieuwers hadden in 1958 nieuwe moed gekregen door de verkiezing van paus Johannes XXIII. Zijn beleid van ‘Aggiornamento’ hield de hoop in op een nieuwe, meer eigentijdse katholieke kerk die volop zou deelnemen aan de moderne samenleving.

Die hoop mondde uiteindelijk uit in het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), dat inderdaad zorgde voor een belangrijke modernisering van de katholieke kerk. Maar onder Johannes' opvolger Paulus VI werd dat moderniseringsproces nauwelijks verdergezet, en de hoop die was opgewekt, vervloog bijzonder snel.

Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld is natuurlijk de katholieke leer inzake anticonceptie. Het traditionele afwijzen van kunstmatige geboortebeperking kwam sterk onder druk te staan door de ontwikkeling van nieuwe middelen vanaf de tweede helft van de jaren vijftig.

Aanvankelijk reageerde de katholieke wereld relatief welwillend op deze nieuwe ontwikkelingen: vooraanstaande theologen verdedigden het standpunt dat de kerk zich niet al te afwijzend moest opstellen en zich niet moest inlaten met allerlei technische kwesties over welke middelen nu precies waren toegestaan en welke niet.

Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie werd sterk gepleit voor een algemeen pleidooi voor een ‘genereuze vruchtbaarheid’, waarbij de kerkvaders het aan de wijsheid van de gehuwde koppels zouden overlaten om uit te maken hoe die genereuze vruchtbaarheid dan wel het best gerealiseerd kon worden.

De encycliek Humanae Vitae van 25 juli 1968 maakt echter abrupt een einde aan al die speculaties door op autoritaire toon de vroegere afwijzing te bevestigen. Paus Paulus VI bleek helemaal niet van plan al te veel open debat toe te laten, en de toon van de encycliek maakte duidelijk dat de hele discussie wat hem betreft nu mocht worden gesloten.

Als we de hevige reacties op deze encycliek willen verklaren, moeten we ook rekening houden met de datum: de tekst werd afgekondigd nauwelijks enkele weken na het studentenprotest in Parijs. Bij dat protest, dat overal ter wereld uitvoerig op televisie te zien was, was de centrale slogan niet voor niets: ‘de verbeelding aan de macht’.

Nauwelijks enkele weken later publiceerde het Vaticaan een tekst, waarin op geen enkele manier werd ingegaan op de verlangens van de jongere generatie, maar waarin alleen de oude zekerheden werden herhaald. Veel mensen, en vooral ook veel katholieke gelovigen, zagen hierin een teken van een verstarring: de hoogste gezagsdragers binnen de kerk hadden blijkbaar het contact met de maatschappelijke ontwikkelingen verloren.

De periode rond mei ’68 symboliseert dus het conflict tussen twee tegengestelde tendenzen: aan de ene kant is er de opkomst van een nieuwe generatie, die niet meer de verschrikking van de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt. Zij is daarom ook minder geneigd zich snel tevreden te stellen met de toestand van economische voorspoed en culturele stabiliteit die zo kenmerkend was voor de jaren vijftig.

Door het hoge geboortecijfer van vlak na de oorlog gaat het hier bovendien om een uitgebreide generatie, die op die manier ook haar stempel kon zetten op het algemene maatschappelijke leven. 

Aan de andere kant zien we dat de instellingen niet in staat zijn om te gaan met die culturele vernieuwing, en eerder geneigd zijn zich in een egelstelling te plaatsen. Speculeren is natuurlijk altijd gevaarlijk, maar men kan zich toch afvragen hoe mei '68 zou zijn verlopen als de politieke, academische en kerkelijke autoriteiten wel in staat zouden zijn geweest de noodzakelijke vernieuwingen door te voeren. Dat deden ze niet, en juist dat conflict tussen maatschappelijke hervormingsdrang en de institutionele starheid luidde het einde in van het verzuilde leven in onze samenleving.


De verzuiling voorbij

Verzuiling wordt tegenwoordig bijzonder negatief bekeken. Men stelt verzuiling voor als een overblijfsel uit het duistere verleden en als een manier om groepen uit de bevolking tegen elkaar op te zetten. Kenmerkend voor deze visie is een pamflet dat de Vlaamse filosoof Leo Apostel in 1966 publiceerde. Daarin pleit hij voor een brede maatschappelijke dialoog: Apostel gelooft dat de verschillende groepen in de samenleving wel degelijk overeenstemming kunnen bereiken over moeilijke culturele en ethische problemen als ze meer met elkaar zouden praten. Daarbij doet het er volgens hem niet toe of men zich al dan niet baseert op een religieus wereldbeeld.

De bestaande structuren van de verzuiling verhinderen volgens hem het tot stand komen van die brede dialoog: katholieken praten enkel met katholieken, protestanten enkel met protestanten en ook de niet-gelovigen voeren hun gesprekken het liefst onder elkaar. Op die manier verarmt echter het intellectuele en morele debat, zo stelt Apostel.

Ruim vijftig jaar na het verschijnen van dit pamflet, kunnen we alleen constateren dat de argumentatie van Leo Apostel het heeft gewonnen: er is de afgelopen decennia niemand meer geweest die de verzuiling op intellectuele gronden heeft verdedigd. Verzuiling staat nu gelijk met het zich afsluiten van andere meningen en het zich afzonderen in het eigen grote gelijk.

Toch kan verzuiling wel degelijk een manier zijn om maatschappelijke verschillen te organiseren. Samenlevingen die worden geconfronteerd met fundamentele breuklijnen tussen bevolkingsgroepen beschikken over niet zo gek veel instrumenten om, ondanks die verschillen, toch nog te blijven functioneren, en verzuiling is daar één van.

Wat in de hele discussie vaak vergeten wordt, is dat de zuilen decennialang perfect hebben gefunctioneerd. Ze zorgden ervoor dat heel veel mensen op een actieve wijze deelnamen aan het maatschappelijke leven, via verenigingen voor katholieke imkers, protestantse voetballers of socialistische postzegelverzamelaars. En nee: dit is geen dichterlijke overdrijving. Elk van deze organisaties heeft ook echt bestaan. Zowel aan de Nederlandse als aan de Vlaamse samenleving namen heel wat mensen actief deel.

Wat we al evenmin mogen vergeten, is dat de verzuiling ervoor heeft gezorgd dat Nederland en België nog altijd bestaan als vreedzame politieke systemen. Het samenleven van verschillende gemeenschappen verloopt nooit gemakkelijk. Er zijn niet zo veel landen die er in slagen dit soort verdeeldheid tot een goed einde te brengen, kijk maar naar Noord-Ierland, Joegoslavië, Cyprus of Libanon. Nederland en België worden met dezelfde diepe tegenstellingen geconfronteerd, maar ze wisten die uitdaging lange tijd op succesvolle wijze op te lossen dankzij de verzuiling.

De Nederlandse politicoloog Arend Lijphart wees er al in 1968 op dat verzuiling een heel efficiënte wijze kan zijn om verdeelde samenlevingen bij elkaar te houden. Voor de burgers zelf wordt het een stuk gemakkelijker als ze gewoon in hun eigen kring een leven kunnen uitbouwen, zonder dat ze al te veel contacten hoeven te onderhouden met hun buren uit het ‘vijandige’ kamp.

Op het niveau van de politieke elite zorgen de zuilen uiteindelijk voor het noodzakelijke compromis. Lijphart gaat ervan uit dat de massa van de bevolking zich gemakkelijk laat opzwepen door ideologieën en door de opvattingen van de eigen groep. Ook de politieke elite vertrekt weliswaar vanuit die ideologische opvattingen, maar als puntje bij paaltje komt, is zij, veel meer dan haar achterban, geneigd om een noodzakelijk compromis te aanvaarden. De politici beseffen immers dat iedereen belang heeft bij een stabiele staatsordening, en dat alle groepen slechter af zullen zijn als men het tot een crisis laat komen. Het is de elite die de boel bij elkaar houdt, en niet de bevolking zelf.

Dit systeem, dat enkele decennia goed gewerkt heeft, vertoont echter ook een aantal zwakke punten. Ten eerste is er nog altijd de noodzaak voor een ‘overkoepelende loyaliteit’, zoals Lijphart het uitdrukt. Dat betekent dat de burgers van de samenleving in eerste instantie loyaal mogen zijn aan hun eigen groep: een katholiek mag zich in de eerste plaats katholiek voelen, en dan pas Nederlander.

Dat is een heel andere optie dan bijvoorbeeld in Frankrijk, waar we te maken hebben met een ‘gulzige’ staat die een volledige loyaliteit eist van de individuele burgers. Tegelijk moet er echter, ook in een verzuild systeem, nog altijd een zekere vorm van loyaliteit zijn voor het overkoepelende systeem. Als die vorm van betrokkenheid er niet meer is, dan heeft de bevolking ook geen enkele reden meer om het onvermijdelijke compromis te aanvaarden, en dan kan men het systeem net zo goed laten springen.

Vooral in België is het daarbij niet gemakkelijk die overkoepelende loyaliteit in stand te houden: de emotionele binding met de Belgische natiestaat is altijd al relatief beperkt geweest, en het is daardoor niet altijd even evident om militanten ervan te overtuigen dat het belangrijk is het systeem in stand te houden.

Een tweede zwakke punt is dat er een behoorlijke volgzaamheid wordt verondersteld van het gewone volk. De Vlaamse socioloog Luc Huyse wees er al in 1970 op dat die passiviteit de prijs is die betaald moet worden voor het vreedzaam oplossen van de conflicten: de achterban wordt gemobiliseerd als dit goed uitkomt voor de elite, maar de achterban aanvaardt ook het compromis als de zuilelite het ogenblik daarvoor geschikt acht.

Die volgzaamheid van de gewone leden zorgt ervoor dat de maatschappelijke conflicten nooit volledig uit de hand kunnen lopen. Juist die passiviteit wordt echter steeds problematischer. Naarmate de bevolking steeds hoger opgeleid wordt, slinkt de bereidheid om de consignes van de zuilelites zomaar op te volgen.

De nieuwe generatie die is opgegroeid onder het studentenprotest van mei '68 vertikt het zich nog langer aan te sluiten bij de verzuilde structuren, en probeert eigen organisaties op poten te zetten. Die organisaties zijn heel wat minder vatbaar voor het traditionele verzuilde compromis en ze laten zich moeilijker vatten in een van de grote pacificatiepacten, die zo kenmerkend zijn voor het Nederlandse en Belgische politieke systeem. De verzuiling wordt met andere woorden van onderen uit uitgehold.


Te ver doorgeschoten ontzuiling?

Hoewel er geen enkele vooraanstaande intellectuele stem meer is die nog het bestaan van de verzuiling verdedigt, merk je in het maatschappelijke debat af en toe wel enig heimwee naar deze periode. Vooral wordt dan de bezorgdheid geuit of het proces van ontzuiling er ook niet voor heeft gezorgd dat men het kind met het badwater heeft weggegooid.

De verzuiling zorgde tenminste voor enige politieke en levensbeschouwelijke betrokkenheid: heel veel mensen namen deel aan de activiteiten van de zuilorganisaties en kwamen in aanraking met een doordachte en coherente visie op de wereld. Dat is nu grotendeels weggevallen.

Misschien zijn we in de plaats daarvan naar een toestand van onverschilligheid geëvolueerd: wie maakt er zich nog zorgen over de grote ethische debatten in onze samenleving? Wie zorgt er nog voor een morele tegenstem tegen de toenemende invloed van commercialisering en globalisering?

Dat zijn terechte vragen, maar het is twijfelachtig of het proces van ontzuiling verantwoordelijk is voor deze culturele evolutie. De formule van de verzuiling heeft decennia goed gewerkt en ze heeft zowel het culturele als het maatschappelijke leven in Vlaanderen en Nederland verrijkt.

Maar je moet ook afstand kunnen nemen van instellingen die hun tijd hebben gehad. Het zijn de instellingen zelf die in de periode van mei ’68 de kans hebben gemist op een echt Aggiornamento: zij hebben er toen voor gekozen volgens een achterhaalde logica te blijven functioneren, die onvoldoende aansloot bij de nieuwe maatschappelijke gevoeligheden.

Morele debatten en een zekere behoefte aan spiritualiteit blijven een constante behoefte in de westerse samenleving, alleen is het een illusie te denken dat die behoeften nog op dezelfde manier ingevuld kunnen worden als in de jaren vijftig van de vorige eeuw.

De manier waarop we met moraliteit omgaan, is volledig veranderd. We geloven veel minder dan vroeger in een ethisch regime dat op strakke regels is gebaseerd, en waarbij die regels op een onveranderlijke wijze kunnen worden toegepast op alle concrete gevallen.

Binnen de westerse samenleving heeft men duidelijk gekozen voor een situatie-ethiek: het morele handelen wordt nu heel concreet beoordeeld in een individuele situatie, waarbij er veel aandacht is voor persoonlijke overwegingen.

Als het bijvoorbeeld over euthanasie gaat, dan kan men niet langer volstaan met te verwijzen naar zeer abstracte morele regels. Het debat zal zich nu veel meer richten op het concrete lijden van de individuele persoon, en binnen die context zal men zoeken naar een zo menswaardig mogelijke oplossing.

Het gaat hier om een algemene ontwikkeling binnen de Westerse samenleving en daarbij maakt het eigenlijk niet zoveel verschil uit of mensen gelovig zijn of niet. Er is geen enkele aanwijzing dat die ontwikkeling nog teruggedraaid zou kunnen worden.

De afgelopen jaren zijn er weliswaar enkele oproepen geweest om opnieuw het katholieke karakter van bijvoorbeeld christelijke scholen of ziekenhuizen te benadrukken, maar tegelijk zien we natuurlijk de leerkrachten, directies en dokters in die instellingen zelf steeds meer afstand nemen van de officiële katholieke leer.

De oproepen om terug te keren naar de officiële katholieke standpunten lijken dan ook vaak eerder bedoeld om een goede indruk te maken op de centrale instellingen in Rome, dan dat men inderdaad hoopt dat leerkrachten of dokters weer massaal de officiële richtlijnen zouden gaan onderschrijven en toepassen.

Uiteraard komen instellingen onder druk te staan door die trend van een situatiegebonden ethiek. Instellingen zijn goed in het formuleren van algemene regels, en ze kunnen in veel mindere mate een houvast bieden in heel concrete discussies over elk individueel geval.

Toch hebben de politieke en levensbeschouwelijke instellingen ook hier een kans laten liggen, door niet de overgang te maken naar een situatiegebonden morele praktijk. Situatie-ethiek komt vaak neer op een vertaalslag: hoe vertaal je hooggestemde verklaringen over respect voor het leven naar een heel concrete discussie over een menswaardig levenseinde voor iemand die ongeneeslijk ziek is en geconfronteerd wordt met een ondraaglijk lijden?

Een dergelijke vertaling is in principe mogelijk, alleen zien we dat de instellingen bijzonder weinig inspanningen hebben gedaan om hun morele boodschap op een meer eigentijdse, en daardoor doeltreffender wijze uit te dragen.

 

Geen rol meer voor religie?

De vraag is of het proces van ontzuiling verantwoordelijk is voor deze maatschappelijke evolutie. Studies van onder meer de Amerikaanse socioloog Ronald Inglehart tonen aan dat de overgang naar een situatie-ethiek een algemeen maatschappelijk verschijnsel is.

Naarmate de bevolking van de westerse samenlevingen beter opgeleid is, laat ze zich steeds minder leiden door algemene regels, en gaat ze er steeds meer van uit dat ze zelf wel in staat is om een moreel oordeel uit te spreken in concrete omstandigheden.

In de praktijk leidt dit tot een steeds grotere tolerantie voor gedragsvormen die vroeger als afwijkend werden bestempeld. Het gaat hier om een structurele transformatie, die gedreven wordt door twee ontwikkelingen: de vergrote welvaart en het gestegen opleidingsniveau.

Alle westerse landen waar welvaart en opleidingsniveau systematisch stijgen, maken op cultureel vlak dezelfde evolutie mee. Ook in landen die nooit verzuiling hebben gekend, zien we dat de traditionele levensbeschouwelijke of ideologische betrokkenheid in een snel tempo daalt.

In een land als Groot-Brittannië, waar de anglicaanse kerk het eenzijdig voor het zeggen had en waar er nooit verzuiling is geweest, ligt de kerkpraktijk nog lager dan in het eertijds verzuilde Nederland. De ontzuiling heeft dus geen noemenswaardige invloed gehad op het algemene proces van secularisering: godsdienst is gewoon minder belangrijk geworden in onze samenleving.

Uiteraard veroorzaakt dat proces van secularisering ook de nodige bezorgdheid. In zijn boek A Secular Age (2007) betoogt de Canadese filosoof Charles Taylor dat we ons vergissen als we denken dat we het religieuze element uit de samenleving kunnen bannen. Een geseculariseerde levensvisie kan volgens hem nooit een antwoord bieden op de fundamentele ethische problemen waarmee de samenleving en de mens worden geconfronteerd.

De vraag is echter of Taylor hier niet een al te beperkte en gedateerde visie hanteert op het fenomeen religie. De geïnstitutionaliseerde godsdiensten in Europa zijn in ieder geval op de terugweg. Ook gelovige christenen laten zich bij het bepalen van hun morele opvattingen niet langer leiden door de richtlijnen uit het Vaticaan. Bij de publieke opinie in Vlaanderen en België is er algemeen weinig begrip voor de morele strengheid van de officiële katholieke leer inzake bijvoorbeeld bio-ethische kwesties.

Maar betekent deze afkeer van de geïnstitutionaliseerde religies dat het morele en spirituele element volledig verdwijnt uit het leven van de modale westerling? Dat lijkt bijzonder twijfelachtig. Allerlei spirituele organisaties die inspelen op de emoties floreren als nooit tevoren. Hoewel men twijfels kan hebben over de mogelijke commercialisering en de intellectuele fundering van die bewegingen, voldoen ze voor veel mensen blijkbaar aan een spirituele behoefte.

Tegelijk woeden morele debatten als nooit tevoren, zij het misschien op plaatsen waar we ze niet verwachten. In televisieprogramma's zien we voortdurend nieuwe discussies oplaaien, en ook religieuze figuren als bisschop Muskens van Breda of kardinaal Danneels slagen erin belangrijke maatschappelijke discussies op gang te brengen.

Naarmate de kerken leeglopen, zou je kunnen stellen dat er meer dan ooit geluisterd wordt naar de stem van althans enkele mediagenieke religieuze leiders. Het morele element verdwijnt dus niet uit onze samenleving, alleen wordt het vluchtiger, en het krijgt veel minder op een gestructureerde wijze vorm. Dat betekent dat het ook kwetsbaarder wordt: als morele debatten vooral via de massamedia gevoerd worden, dan wordt het ook mogelijk om de culturele stemming van een land op relatief korte termijn te laten omslaan.

Het blijft daarom van belang dat er binnen de massamedia een voldoende brede waaier van opinies en meningen aan bod kan blijven komen, en dat men zich niet alleen richt op enkele boegbeelden die goed passen in een strak mediaformat.

 

Multiculturele toekomst

Zowel Vlaanderen als Nederland kan nu beschouwd worden als een samenleving ‘voorbij de verzuiling’. Vooral de jongere generaties hebben geen boodschap meer aan de vroegere ideologische zekerheden en zijn nauwelijks nog geneigd zich aan te sluiten bij de grote zuilorganisaties.

Alleen heeft de politieke elite het af en toe nog moeilijk om een manier te vinden om vorm te geven aan die niet langer verzuilde samenleving. Het verdwijnen van de vroegere scheidingsmuren maakt het leven van deze elite inderdaad een stuk minder overzichtelijk, maar ook hier heeft het weinig zin heimwee te koesteren naar hoe het vroeger was.

Als je alle aanwijzingen voor levenskwaliteit bekijkt (levensverwachting, toegang tot onderwijs en gezondheid, gendergelijkheid enz.), dan scoren België en Nederland zeer hoog. De levenskwaliteit ligt net iets hoger in de Scandinavische landen, maar over het algemeen doen de Lage Landen het zeer goed in de subtop: er zijn weinig plaatsen ter wereld waar zo'n hoge levenskwaliteit wordt bereikt.

Als we ervan uitgaan dat onze verzorgingsstaat mede het gevolg is van de verzuiling gedurende de twintigste eeuw, dan kan men moeilijk volhouden dat de verzuiling een negatieve invloed zou hebben gehad op onze samenleving.

En toch is er misschien ook een schaduwzijde aan onze ervaring met een verzuild systeem. De Lage Landen staan nu voor de torenhoge uitdaging dat ze op de een of andere manier zullen moeten zorgen voor de integratie van relatief grote groepen nieuwkomers, die uit heel verschillende cultuurgebieden afkomstig zijn.

Het aantal immigranten in Nederland en Vlaanderen is de afgelopen decennia al sterk toegenomen, en die stroom zal in de toekomst alleen maar sterker worden. Alle economische prognoses gaan er immers van uit dat de economie meer arbeidskrachten zal nodig hebben, en dat het geboortecijfer in West-Europa te laag ligt om aan die behoefte te voldoen. Een verdere economische migratie is in die omstandigheden de enig mogelijke optie voor de komende decennia.

Nederland en Vlaanderen hebben de afgelopen jaren elk op hun manier geëxperimenteerd met methoden om die stroom van nieuwkomers in goede banen te leiden, maar het is duidelijk dat er tot nu toe nergens een toverformule werd gevonden. Inzake onderwijs en participatie aan de arbeidsmarkt blijft de kloof tussen autochtonen en allochtonen bijzonder groot.

De vroegere succesformule, waarbij men de verschillende levensbeschouwelijke strekkingen op een min of meer harmonieuze wijze naast elkaar kon laten leven, blijkt niet goed te functioneren als het erom gaat groepen te integreren die cultureel wat verder afstaan van de mainstreamcultuur.

De vroegere verzuilde samenlevingen hebben het in de praktijk bijzonder moeilijk met het integreren van nieuwe religieuze of culturele minderheden en met het realiseren van een harmonieuze multiculturele samenleving. De verzuilingsformule kan immers niet zomaar uitgebreid worden naar nieuwe groepen van allochtonen. Daar zijn drie redenen voor.

Ten eerste is er de tijdgeest. We hebben er nu al enkele decennia van ontzuiling op zitten en bij de publieke opinie en de beleidsmakers is er duidelijk een voorkeur voor ontzuiling en zuiloverschrijdende samenwerking, ook al omdat dit nu eenmaal goedkoper is dan allerlei publieke voorzieningen dubbel of zelfs driedubbel aan te bieden. Juist in die omstandigheden is het bijzonder moeilijk om opnieuw een nieuwe, islamitische zuil uit de grond te stampen.

Ten tweede is er het feit dat het uitbouwen van een echte zuil behoorlijk wat schaal en expertise vergt: verzuiling betekent immers dat een publieke dienst apart wordt aangeboden, afhankelijk van de levensbeschouwelijke opties van de verschillende groepen. Je bouwt niet één grote, sterke universiteit, maar er komen aparte universitaire instellingen voor gereformeerden, katholieken en niet-gelovigen. Als je de middelen op die manier versnippert, is het echter al veel moeilijker om nog topkwaliteit te blijven leveren. De vraag rijst of de islamitische gemeenschap wel groot genoeg is en voldoende deskundigheid in huis heeft, om ook op die wijze een eigen zuil uit te bouwen.

Een derde mogelijk bezwaar is dat verzuiling er in feite op neerkomt dat men elkaar op een beleefde manier negeert: socialisten gingen in principe niet naar de katholieke cafés en omgekeerd. Juist voor immigranten, die zich nog volledig moeten aanpassen aan een nieuwe cultuur, is dat soort negeren dodelijk: zij krijgen onvoldoende mogelijkheden om zich doeltreffend te integreren in een nieuwe culturele omgeving.

De verzuilingsformule was in het verleden wellicht een goede manier om een diep verdeelde samenleving te ordenen. Er waren een beperkt aantal levensbeschouwelijke groepen, en bovendien konden zowel de samenleving in het algemeen als elk van die groepen afzonderlijk het zich permitteren om het principe van ‘soevereiniteit in eigen kring’ in stand te houden. De nieuwe multiculturele samenleving daarentegen is veel sterker versplinterd en cultureel veel diverser. Een nieuwe verzuiling kan daar geen antwoord op bieden.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Ons Erfdeel 2/2008, toen werd teruggeblikt op veertig jaar mei ’68.

Literatuur
  • Leo Apostel & Marcel Bots, Pluralisme en verdraagzaamheid, De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1966.
  • Leo Apostel et al., Zonder zuilen. Stappen naar een open samenleving, Kritak, Leuven, 1990.
  • Staf Hellemans, Strijd om de moderniteit. Sociale bewegingen en verzuiling in Europa sinds 1800, Universitaire Pers Leuven, Leuven, 1990.
  • Marc Hooghe, Het wordt nooit meer zoals vroeger. België een halve eeuw modern: 1945-1995, Van Halewyck, Leuven, 1995.
  • Luc Huyse, Passiviteit, pacificatie en verzuiling in de Belgische politiek, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, Antwerpen, 1970.
  • Luc Huyse, De verzuiling voorbij, Kritak, Leuven, 1987.
  • Arend Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, De Bussy, Amsterdam, 1968.
  • Paul Pennings, Verzuiling en ontzuiling: de lokale verschillen, Kok, Kampen, 1991.
  • Hans Righart, De katholieke zuil in Europa, Boom, Meppel, 1986.
  • Frans van Waarden, ‘Dutch Consociationalism and Corporatism. A Case of Institutional Persistence’, in: Acta Politica, jg. 36 (nr. 1-2), pp. 44-67.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed