Vijftig jaar na mei ’68: op zoek naar de verloren autoriteit

In de jaren 1960 maakten de westerse samenlevingen sterke veranderingen mee, met mei ’68 als orgelpunt. Wat is daar een halve eeuw later van overgebleven in de Lage landen? We onderzoeken het op de website van Ons Erfdeel.

 

Tegenwoordig zitten de jaren zestig vaak in de beklaagdenbank, schrijft essayist Cyrille Offermans. De antiautoritaire jongeren van toen zouden de wegbereiders zijn geweest van de stijlloze burgers van nu die geen enkel gezag meer aanvaarden. Maar de avant-garde van de protestcultuur onderscheidde zich destijds door een grote sensibiliteit voor vormen van gezag die op geen enkele legitieme basis konden steunen. Het behoort tot de cynische grillen van de geschiedenis dat centrale concepten van de antiautoritaire tegenbewegingen van de jaren zestig een paar decennia later letterlijk maar met omgekeerde stootrichting opdoken in de reclame- en commandocentra van de ‘gedeterritorialiseerde’, supranationale concerns. Een halve eeuw na de contestatie van de jaren zestig, is er echter geen behoefte aan nog meer flexibiliteit, discontinuïteit en mateloosheid, er is behoefte aan nieuwe, niet-paternalistische vormen van autoriteit, gebaseerd op een grote, vertrouwenwekkende kennis van zaken en het vermogen die over te dragen op anderen.

door Cyrille Offermans

Eerlijk gezegd had ik niet gedacht dat Les Aveugles, een eenakter van Maurice Maeterlinck uit 1890, nog speelbaar zou zijn, gezien zijn loodzware symbolische pessimisme en zijn minimum aan theatrale mogelijkheden, maar dat bleek een misrekening: Guy Cassiers bracht het stuk in 2014 in een vertaling van Erwin Mortier op de planken.

Of zij daarmee bewezen dat De blinden wel degelijk speelbaar is, blijft de vraag; critici spraken niet helemaal ten onrechte van een tableau vivant en een installatie. Toch kon het stuk als artistiek statement over de schijnbaar hopeloze onbeheersbaarheid van de problemen van deze tijd enige actualiteit moeilijk ontzegd worden.

Een groep blinden, achtergelaten door een priester, doolt richtingloos en hopeloos rond, totdat blijkt dat de priester, uiteraard hun gids, dood is. Dan is er een waanzinnige vrouw met een kind dat kan zien, als enige, en het huilt: is dat kind de nieuwe ziener waar iedereen naar snakt? Maar dan is de vraag: huilt het kind niet juist om wat het ziet?

Klinisch psycholoog en psychotherapeut Paul Verhaeghe besluit zijn boek Autoriteit (2015) met een passende verwijzing naar het stuk. Hij ziet De blinden als ‘een metafoor voor onze tijd, met een duidelijke waarschuwing: er is geen leider meer, hij is dood en zijn terugkeer is pure inbeelding. We zullen het zelf moeten doen.’

Het kan haast niet anders of Maeterlinck moet Nietzsches onheilsbericht over de dood van God, dat de filosoof immers nog maar acht jaar eerder de wereld had ingestuurd, ter ore zijn gekomen. Zijn stuurloos dolende blinden doen immers onherroepelijk denken aan Nietzsches ‘dolle mens’ uit De vrolijke wetenschap (1882), die op klaarlichte morgen een lantaarn aanstak, de markt op liep en onophoudelijk riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’, hoewel het de lezer niet kan ontgaan dat zijn zoektocht helemaal geen zoektocht is maar een staaltje alarmerend politiek straattheater.

Ook het publiek moet ervan overtuigd worden: God is dood en dat is voor Nietzsche – anders dan tegenwoordig vaak gedacht wordt – niet iets om zich ondubbelzinnig op te verheugen, zijn dood heeft een immense existentiële leegte achtergelaten: ‘In welke richting bewegen wij ons? (…) Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? (…) Dolen wij niet als door een oneindig niets?’

 

De vlucht uit de tijd

Blijkbaar werd het overlijdensbericht van God ook door zijn lezers niet louter met instemmend gejuich begroet. Integendeel, de behoefte aan een geloofwaardig alternatief, een minder absoluut en dogmatisch maar toch boven- of niet-menselijke zingevende instantie, dringt zich omstreeks de vorige eeuwwisseling in talloze gedaanten op, ook bij grote delen van de geletterde Europeanen.

Na anderhalf millennium monotheïsme bleek een complete metafysische leegte maar moeilijk te accepteren. Vooral in literaire en artistieke kringen zocht en vond men surrogaten in een nieuwe mystiek, een containerbegrip voor een bont mengsel van (semi)religieuze en andere spirituele en irrationele overtuigingen en praktijken.

De invloedrijke, in het Frans publicerende Maeterlinck werd tot ‘apostel van het mysticisme’ gekroond, de nog invloedrijkere adellijke Lev Tolstoj heette ‘de mystieke graaf’. Naar het voorbeeld van de Russische schrijver werden er ook in Nederland communes gesticht op antimodernistische, puriteins christelijke grondslag.

Zo alomtegenwoordig was de door afkeer van de stedelijke, technologische en materialistische beschaving gevoede nieuwe mystiek dat er vrijwel geen schrijver te vinden is die er niet door beïnvloed werd, zich erdoor liet inspireren of zich genoodzaakt voelde er stelling tegen te nemen.

De bondigst geformuleerde kritiek kwam waarschijnlijk van de Vlaamse auteur Herman Teirlinck (1879-1967), die de ‘rare symbolen’ en ‘dampige zinspelingen’ in Maeterlincks Pélleas et Mélisande zonder terughouding als ‘groot bedrog’ kwalificeerde – maar wel onder de indruk was van de operabewerking van Maeterlincks wazige sprookje door Claude Debussy.

De eerste wereldoorlog markeert de scherpst denkbare breuk in de westerse beschaving op alle fronten. Niet eerder kan de ontreddering zo groot zijn geweest als in 1914, toen bleek dat het vrijwel collectieve oorlogsenthousiasme, in Duitsland en elders, niet tot een opgewekte mars naar het geluk van de nationalistische zelfbevestiging maar naar de totale vernietiging had geleid.

In radicale kringen had God al eerder afgedaan, nu moest elke vorm van zingeving eraan geloven. Het Zürichse Cabaret Voltaire, opgericht door de dadaïsten Hugo Ball en diens levensgezel Emmy Hennings, werd het toneel waarop ‘de vlucht uit de tijd’, zoals Ball zijn boeiende autobiografische intellectuele exercities in 1927 noemde, het radicaalst gestalte kreeg.

Zijn absurdistische performances hadden geen literaire pretenties (‘je moet van een gril geen kunststroming maken’), eerder waren het exorcistische rituelen: alle op zin, inhoud, communicatie gerichte elementen van de taal werden uitgedreven, wat restte waren losse, betekenisloze Urlaute waarop geen zinvolle reactie, en dus überhaupt geen vervolg mogelijk was. Absolute discontinuïteit en bodemloosheid gingen hand in hand.

Maar leven op een permanent nulpunt van ernst en zin bleek onmogelijk. In 1920 zocht Ball toch weer vaste grond onder de voeten, nota bene in de strenge ascese van vroegchristelijke woestijnheiligen in Syrië en Egypte.          

 

Culturele verwarring

De ‘jaren zestig’  geven een opmerkelijke reprise te zien van de culturele verwarring uit de late negentiende en de vroege twintigste eeuw, uiteraard met de nodige verschillen.

Het belangrijkste verschil is een schaalverschil: werd het overlijdensbericht van God destijds toch vooral gerecipieerd door een sociaal-culturele elite, nu bereikt het met een halve eeuw vertraging brede lagen van de bevolking.

De katholieke kerk doet een verwoede poging de schade te beperken. Ze zoekt contact met het twijfelende volk door afstand te doen van het eerbiedwaardige Latijn en de Gregoriaanse muziekcultuur, maar vergeefs, in die vlucht naar voren demonteert ze vooral haar eigen autoriteit.

Hoogstens draagt het verwaterde geloof bij aan de verbreiding van het ‘ietsisme’, dat in al zijn varianten toch vooral een compensatieprogramma is voor ongelovigen die hun ongeloof nog niet onder ogen durven te zien. We zijn getuige van een enorme opbloei van het spiritualisme, vaak van oriëntaalse origine.

Nietzsches ontnuchterende inzicht dat we dolen door een oneindig niets blijkt voorlopig voor menigeen onacceptabel, de vlucht uit de eenzijdig materialistische tijd leidt naar de wereld verzakende wijsheden van Hare Krishna en Timothy Leary, naar de artificiële paradijzen van alcohol en drugs, naar de idolatrie van massacultuur en sport, naar gebedsgenezers en andere kwakzalvers.

De Nederlandse essayist Rudy Kousbroek (1929-2010) maakte zich er (vooral) in Het avondrood der magiërs (1970) vrolijk over, misschien wel iets te gemakkelijk. Het irrationalisme, hoe lachwekkend vaak ook, is immers niet enkel irrationeel, er klinkt altijd een diffuus verlangen in door naar een ander, zinvol leven, vaak ook naar houvast, ja naar autoriteit.

Maar niet in de radicaalste sectoren van de beeldende kunst. Daar beleeft het dadaïsme een opmerkelijke comeback, ondanks Balls weerzin tegen institutionalisering van zijn symbolische afbraak van de instituties.

Maar de invloed daarvan op het dagelijkse leven was miniem, de obstinate weigering van de ‘neo-dadaïsten’ iets te willen leren van de Europese culturele erfenis leidde in de tweede helft van de twintigste eeuw nauwelijks of niet tot nieuwe, misschien vruchtbare schandalen maar tot volstrekte onverschilligheid en bijgevolg tot museumzalen nog killer en leger dan de kerken.

Iets van de oorspronkelijke vitaliteit van dada overleefde wel in de grootstedelijke subculturen van hippies, provo’s en andere ‘anarchisten’, die hun antiautoritaire houding inhoud gaven met geestige en speelse, vaak ook alleszins praktische voorstellen ter verbetering van de leefwereld.

Hun vrijgevochtenheid stond uiteraard op gespannen voet met de gevestigde machten, die op hun ludieke provocaties vaak met absurd onbegrip en bot politiegeweld reageerden, maar ook met hun minder vrijgevochten generatiegenoten die hun gefrustreerde behoeften aan leiderschap en zekerheid niet zelden nieuw leven inbliezen via een onvoorwaardelijke overgave aan de evenzeer dogmatische als moorddadige wijsheden van Mao, Ho Tjsi Min en Fidel Castro.

Tegen alle empirische evidentie in hielden deze zelfbenoemde revolutionairen zich blind voor het feit dat de arbeidersklasse inmiddels heel wat meer te verliezen had dan haar ketens.


Afscheid van de meritocratie

Tegenwoordig zitten de jaren zestig vaak in de beklaagdenbank: de antiautoritaire jongeren van toen zouden de wegbereiders zijn geweest van de stijlloze burgers van nu die geen enkel gezag meer aanvaarden, of het nu gaat om dat van de wetenschapper of de politicus, van de dokter of de leraar, de sociaal werker of de politie. Zij weten het altijd minstens evengoed en laten dat luidruchtig horen.

Vooral politici hebben de neiging hun oren te laten hangen naar de veronderstelde, ononderbroken via de media verhitte en alarmbereide volkswil, waarbij het steeds moeilijker valt uit te maken of die gemanipuleerde volkswil ook de uitdrukking is van hun eigen ‘volkse’ overtuigingen of hen alleen politiek-strategisch goed uitkomt.

Hoe dan ook is er sprake van een fatale cirkel. Laf en visieloos conformisme van de kant van politici versterkt de irrationele, geborneerde en vaak xenofobe reacties van de bevolking op de diepe crisisverschijnselen van de vroege eenentwintigste eeuw – en omgekeerd.

Ironisch genoeg wordt de kracht waarmee de volkswil zich ongeremd en ongehinderd meester maakt van de communicatielijnen vaak niet geduid als ‘re-infantilisering van de massa’s’ en een daardoor uitgelokt verlangen naar een omnipotente leider, zoals Freud, naar Londen uitgeweken voor de nazi’s, dat in zijn laatste geschriften zo indringend analyseerde, maar integendeel, als demonstratie van mondigheid en emancipatie, waarvan de oorsprong nota bene zou moeten worden gezocht in de protestcultuur van de jaren zestig.

Dat is fundamenteel onjuist. Bedoelde mondigheid is een affront van de mondigheid in kantiaanse zin die erin bestaat zich dapper van het eigen verstand te bedienen. De avant-garde van die protestcultuur – provo’s en kunstenaars, studenten en intellectuelen – onderscheidde zich door een grote sensibiliteit voor vormen van gezag die op geen enkele legitieme basis konden steunen.

Zij haalde autoriteiten van hun sokkel die er zelf het levende, vaak ook groteske bewijs van waren dat ze daar alleen op waren beland dankzij dubieuze privileges van herkomst of traditie, niet op grond van onbetwistbare uitnemendheid, van in parlement of collegezaal telkens opnieuw waargemaakte verdiensten.

De meritocratie, een vroegburgerlijk, bij uitstek Hollands, tegen de willekeur van kerk en adel gericht principe, vertoonde ongetwijfeld allang slijtageplekken, zeker is dat die dankzij economische en demografische ontwikkelingen in de jaren zestig overal duidelijk zichtbaar werden.

Dit is niet de plaats om de complexe contradicties en verwantschappen tussen de diverse antiautoritaire subculturen van toen en de veel homogenere commerciële massacultuur van nu uit de doeken te doen. Wel kan zonder veel risico de conclusie worden getrokken dat laatstgenoemde een ongekend dwingende en conformistische invloed uitoefent op alle sectoren van de samenleving.

Hoe geringer de invloed op hun leven wordt, des te meer wekt het resoneren van de stem van het volk in de media van de massacultuur de indruk dat het werkelijk iets te zeggen heeft. Tegelijk wordt hier duidelijker dan waar ook gedemonstreerd hoe vergaand het meritocratische principe, waaraan Europa zoveel te danken heeft, om zeep is geholpen.

Niet talent – afgezien van het talent van zelfpromotie – maar de combinatie van netwerk en toeval beslist over iemands succes en status. Nietzsches vrees dat met de dood van God ook elke verticale spanning uit de samenleving zou verdwijnen, en daarmee het verlangen naar zelfverbetering, wordt hier het grondigst bewaarheid.


De grenzen aan de groei

Het is gevaarlijk om over ‘de’ protestcultuur uit de jaren zestig te spreken, aangezien die in alle opzichten divers is, zowel qua voortrekkers, stootrichting, al dan niet doordachte methoden als motiverende ideeën.

Niettemin is er een gemeenschappelijke trek: of het nu gaat om tegen het gezag schoppende dichters, studenten, natuurbeschermers, antimilitaristen, feministen of stadsbewoners, in alle gevallen reageren zij op sociaaleconomische ontwikkelingen die de Lage Landen, en de rijke wereld in het algemeen, in zeer korte tijd een volstrekt ander aanzicht hebben gegeven.

In de eerste naoorlogse decennia kende met name West-Europa een nooit eerder vertoonde economische groei van ongeveer vijf procent per jaar. Dat had een eveneens ongekende groei van de welvaart tot gevolg: auto, tv, anticonceptiemiddelen, wasmachine, ijskast, vakantie, foto- en filmcamera – om al die luxe vast te leggen en er de buren, zo mogelijk, mee te overtroeven – kwamen binnen ieders bereik.

Daarbij zorgde de explosieve naoorlogse bevolkingsgroei voor een stormloop op de onderwijsinstellingen, ook uit de middenklasse. De verzorgingsstaat werd uitgebouwd, de kerken liepen leeg, de klassenstrijd bestond alleen nog in de fantasieën van hardleerse studenten.

Maar dat is niet meer dan de succesvolle kant van het verhaal. Want consumentisme en economische modernisering gingen gepaard met grootschalige herinrichtingsprojecten waarvan de keerzijde bestond uit afbraak, ontwrichting, kaalslag en sociale dwang. Ruilverkaveling, toenemende mobiliteit, stadsuitbreiding en winkelcentra veranderden stad en land – en lokten protest uit van studenten-, vrouwen-, stadsbewoners- en boerenorganisaties.

Dat juist Nederland, en Amsterdam in het bijzonder, het centrum werd van protest en vooruitstrevende hervormingen, maar ook van vreedzame samenwerking en tolerantie, is niet vreemd. De antiautoritaire mentaliteit zit de zeevarende Hollanders in het bloed. Op hun vaak jarenlange reizen in onbekende en barre omstandigheden waren ze aangewezen op eigen moed en improvisatietalent; voor ceremoniële plichtplegingen, laat staan voor omslachtige (door Norbert Elias wel wat eenzijdig als bakermat van de Europese schaamte- en etiquettecultuur geïnterpreteerde) hoffelijkheid, ontbrak de noodzakelijke stabiele context.

De latere antiautoritaire bewegingen konden, hoe onbewust dan ook, bogen op een eeuwenoude leerschool die teruggaat op het roemruchte maritieme verleden van de Nederlandse Republiek, het verzet tegen het corrupte katholicisme en de feodale Spanjaarden.

En ligt het niet voor de hand dat ook de voor buitenlanders zo afschrikwekkende Hollandse directheid voor een belangrijk deel de erfenis is van de nietsontziende veroveraarsbrutaliteit van de kolonisatoren uit de jaren van de Vereenigde Oostindische Compagnie?

Destijds werd de protestcultuur vooral vereenzelvigd met de spectaculairste uitingen daarvan: speciaal in Nederland provo en de muzikale underground. Hier en elders: de samenlevingsexperimenten en de ‘bevrijding’ van de seksualiteit, de democratiserings- en solidariteitseuforie, het studentenprotest met zijn bezettingen, de anti-imperialistische en antibewapeningsdemonstraties, en in het bijzonder de gewelddadige en criminele uitlopers daarvan in Duitsland en Italië.

Maar vanuit een later perspectief – minder geschikt voor spannende, opruiende, het burgermansfatsoen schokkende reportages – wordt het belang daarvan verre overtroffen door het wereldwijde ontwaken van een ecologisch bewustzijn.

Van niet te overschatten betekenis is de oprichting van de Club van Rome in 1968 en het door haar in 1972 uitgebrachte rapport De grenzen aan de groei, waarin voor het eerst een plausibel verband werd gelegd tussen economische groei en de desastreuze gevolgen daarvan voor het milieu.

De planeet aarde is niet eindeloos belastbaar en vraagt om een verstandig beheer, met onontkoombare gevolgen voor onze manier van leven – dat was ondanks alle latere kritiek op het rapport de niet mis te verstane boodschap.

Die boodschap werd in Nederland het bondigst geformuleerd door premier Joop den Uyl, in 1973, het jaar van de oliecrisis, tevens het jaar waarin de grote, tot op heden voortdurende neergang van de westerse economieën begon. ‘Zo bezien keert de wereld van voor de oliecrisis nooit terug.’

Dat was door Provo, al in 1967 uit angst voor verstarrende institutionalisering opgeheven, veel eerder voorzien. Roel van Duijn en de zijnen richtten zich in theorie en praktijk tegen ‘de consumptiemaatschappij’ met haar ‘verslavingen’, hoezeer die in de ogen van ‘het klootjesvolk’ ook als nieuwe luxe begroet werden; het spectaculairst in dit verband was het absurdistische straattheater – destijds ‘happenings’ genoemd – van de ‘antirookmagiër’ Robert Jasper Grootveld bij het Amsterdamse Lieverdje.

Na het fiasco van het communisme, dat zijn oorspronkelijke drijfveer van een niet door vervreemde arbeid gedomineerd leven nergens had waargemaakt, dat, integendeel, overal was gestrand in een bloedige dictatuur, pleitte Van Duijn, in het spoor van de geweldloze en pragmatische anarchist Peter Kropotkin voor kleinschaligheid, horizontale coöperatieketens, een sobere, de natuur respecterende levensstijl en een ethiek die ook het leven van dieren omvatte.
 

Nieuwe vormen van autoriteit

Het behoort tot de cynische grillen van de geschiedenis dat centrale concepten van de antiautoritaire tegenbewegingen van de jaren zestig een paar decennia later letterlijk maar met omgekeerde stootrichting opdoken in de reclame- en commandocentra van de ‘gedeterritorialiseerde’, supranationale concerns.

Het kritische begrippenrepertoire van de artistieke avant-garde van toen – flexibiliteit, mobiliteit, grenzeloosheid, identiteitsloosheid – was gericht tegen verhoudingen waarin mensen voor eens en altijd gedefinieerd leken door de omstandigheden waarin ze nu eenmaal ter wereld waren gekomen. Ze dienden de bevrijding uit de verstarring van onverdedigbare conventies en hiërarchieën, en het zicht op nieuwe ongekende werelden.

Maar ze beschreven ook ongewild en in alle scherpte een postmoderne wereld in wording die zich met fatale consequenties losscheurde van alle historisch gegroeide sociale en culturele bindingen, alle overgeleverde bronnen van zingeving en motivering.

Dat blijkt vermoedelijk het duidelijkst uit het grootse en visionaire ‘unitaire urbanisme’ dat beeldend kunstenaar Constant in New Babylon (1956-1974) ontwikkelde. In talloze ontwerpschetsen, tekeningen, aquarellen, grafieken, teksten, films en vooral constructies en maquettes geeft Constants per definitie onaffe project een tastbaar beeld van – nee, niet van gebouwen, huizen, woningen, want die zijn in zijn futuristische wereld van gelukkige werklozen achterhaald, maar van permanent veranderende omgevingen, van een in alle richtingen woekerende kunstenaarskolonie waarin mensen zonder bindingen permanent en onverplicht op drift zijn.

Het leven is er volledig gedecentraliseerd en gedematerialiseerd, daden hebben – net als in Balls Cabaret Voltaire – een voorgeschiedenis noch gevolgen.

De verwantschap met de Internationale situationisten van Guy Debord en de latere, vooral in de geesteswetenschappelijke faculteiten populaire anti-oedipale, rhizomatische filosofie van Deleuze en Guattari (een rizoom is een wijdvertakt wortelstelsel dat altijd aan de oppervlakte blijft) is evident – ook daar gaat het, grof gezegd, om de hyperromantiek van een permanente revolutie van nomaden in mobiele ruimten zonder eigenschappen.

Maar intussen is het neoliberaal geadopteerde concept van de mateloos flexibele mens in de behandelkamer van de psychiater even overtuigend gefalsificeerd als in talloze filosofische geschriften, onder meer in Authority (1980) en The Corrosian of Character (1998) van Richard Sennett, in Identiteit (2013) en Autoriteit van Paul Verhaeghe en in de kolossale Sphären-trilogie (1998-2004) van Peter Sloterdijk.

Architecten mogen in hun schaarse vrije tijd nog altijd frei schwebend dromen van hun nieuw-babylonische luchtkastelen, in hun werktijd ervaren ze meer dan ooit de zwaartekracht van strikte, op rendement gerichte programma’s van hun opdrachtgevers.

Er is geen behoefte aan nog meer flexibiliteit, discontinuïteit en mateloosheid, er is behoefte aan nieuwe, niet-paternalistische vormen van autoriteit, gebaseerd op een grote, vertrouwenwekkende kennis van zaken en het vermogen die over te dragen op anderen.

Het woord autoriteit komt van het Latijnse auctoritas, dat niet verwijst naar macht, maar naar gezag, waardigheid, reputatie, invloed. Een autoriteit is iemand die in onzekere omstandigheden zekerheid, beschutting, oriëntatie belooft aan iedereen die daar op grond van leeftijd, ontwikkelingsniveau of positie naar verlangt.

Het gemis daarvan in de kindertijd kan tot een als pijnlijk ervaren gebrek aan zelfvertrouwen leiden, tot ik-zwakte, een knagende onvrede die er op haar beurt toe leidt dat men, als Maeterlincks eindeloos dolende blinden, op zoek gaat naar een verlosser – maar juist van die verlosser weten we inmiddels dat die het autoritaire principe in zijn meest schaamteloze, irrationale en repressieve vorm belichaamt.

Om dat te voorkomen zijn langdurige en, afhankelijk van de omstandigheden, zo veel mogelijk horizontaal gestructureerde leer- en werkprocessen nodig die de autoriteit in de mensen zelf tot ontwikkeling brengen.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels in het jaarboek The Low Countries, editie 2017.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed