Vijftig jaar na mei ’68: van bezit naar gebruik. Over deeleconomie

Vijftig jaar na mei ’68: van bezit naar gebruik. Over deeleconomie

In de jaren 1960 maakten de westerse samenlevingen sterke veranderingen mee, met mei ’68 als orgelpunt. Wat is daar een halve eeuw later van overgebleven in de Lage landen? We onderzoeken het op de website van Ons Erfdeel.

Bezit is voorbijgestreefd. Ruilen, geven en delen van goederen en diensten is het nieuwe handelen. Ziedaar, de essentie van de deeleconomie, een beweging die de jongste jaren ook in België en Nederland aan een sterke opmars bezig is en met scherpe tanden aan de wortels van het kapitalisme knaagt. Sharing is caring, roepen de voorstanders. Hun stem klinkt als een echo uit de idealistische jaren zestig. Is de deeleconomie echt schatplichtig aan de golden sixties? Ja, maar.

_door Tom Christiaens

Een vrijdagavond in Kortrijk. Op de gelijkvloerse verdieping van een voormalige textielfabriek, omgevormd tot creatieve ‘fabriek van de toekomst’, geven machines de toon aan. Studenten, ontwerpers, kunstenaars en andere speelvogels zijn druk in de weer in het Buda::lab. Terwijl de een geduldig wacht tot de 3D-printer een beeldje voltooit, laat een ander de lasersnijder een plaatje voor zijn fiets afwerken. Nog iemand tekent op de computer een ontwerp van een ventiel.

Het Buda::lab is een FabLab, een fabrication laboratory, een openbare werkplaats waar iedereen tegen een kleine vergoeding dingen kan maken. Er staan computergestuurde prototyping machines waarmee je ideeën kunt omzetten in tastbare producten. Een beetje FabLab beschikt over een elektronicahoek, een 3D-printer, een foliesnijder, een CNC-frees en een lasersnijder.

Je vindt in het Kortrijkse Buda::lab mensen uit verschillende sectoren en disciplines. Ze komen samen in één van de vele workshops waar ze nieuwe vaardigheden leren, en waar ze elkaar inspireren en uitdagen om samen voorwerpen te maken. Zo ontstaat een community van makers. Er wordt verwezen naar The Holstee Manifesto:

“Life is about the people you meet, and the things you create with them. So go out and start creating.”

Het Buda::lab is één van de zestig FabLabs die de jongste jaren in tal van Vlaamse en Nederlandse steden werden opgericht. Ze maken deel uit van een wereldwijd netwerk van meer dan zeshonderd werkplaatsen.

FabLabs zijn een mooi voorbeeld van wat de voorbije jaren de deeleconomie is gaan heten, met als centrale gedachte: bezit doet er niet meer toe, belangrijker is waartoe je toegang hebt. De creatievelingen in een FabLab zijn niet de eigenaar van de machines, ze hebben er wel gemakkelijk toegang toe en ze kunnen de machines maximaal gebruiken.

De logica hierachter is dat het geen zin heeft dat iedereen apart alle dure toestellen aankoopt als je ze goedkoper en eenvoudiger samen kunt gebruiken. Bovendien worden de makers aangemoedigd om ontwerpen en ideeën openlijk te delen binnen hun eigen kring en met andere FabLabs. Zo zijn het vaak kweekvijvers voor innovatie.

Community, toegang, delen, gebruiken: het zijn begrippen die de deeleconomie ten voeten uit omschrijven. Ze krijgt gestalte in een brede waaier aan initiatieven die op steeds meer bijval kunnen rekenen in alle uithoeken van de Lage Landen, van kleinschalige, lokale tot wijdvertakte, landelijke projecten.


In alle vormen en maten

De bekendste vorm van deeleconomie is het delen, ruilen, lenen of schenken van bruikbare spullen. Tot in de kleinste gemeenten vind je initiatieven waarbij goederen van eigenaar veranderen via informele diensten, zowel offline als online, vaak gratis, soms tegen een kleine vergoeding.

Op geefpleinen worden dingen weggeschonken, bij instrumentheken kun je werktuigen goedkoop uitlenen, tijdens Repair Cafés worden je defecte toestellen hersteld, en fashionista’s kunnen hun zelden gedragen kleren wisselen voor hippe kleren van anderen op een swishing and swapping event.

Heel populair is Peerby, dat in 2011 ontstond in Amsterdam, maar intussen door tienduizenden mensen wordt gebruikt in Nederland, België, Duitsland en Engeland. Via de mobiele app of website van Peerby kun je zaken als boormachines, ladders en hakselaars lenen en huren van mensen uit de buurt.

Het werkt vraaggestuurd. Je stelt online je vraag en jouw buren antwoorden of ze het jou willen uitlenen. Zo vang je drie vliegen in één klap: door te lenen geef je minder geld uit, leer je de mensen in je straat beter kennen en gaat de planeet erop vooruit, want er moeten minder producten worden gemaakt. En dat zorgt voor minder CO2-uitstoot.

Peerby is een sociale voorloper in de deeleconomie, omdat het platform is ontstaan vanuit de wil om een bijdrage te leveren aan het milieu of buurtleven. Andere voorbeelden uit Vlaanderen en Nederland zijn het Repair Café of Thuisafgehaald, waarbij je extra porties maaltijden kookt om tegen een kleine vergoeding aan te bieden aan je buren.

Daarnaast zijn er deelinitiatieven gegroeid uit financiële overwegingen, om te kunnen besparen. Dan gaat het over het gebruik van dure eigendommen. En niet alleen spullen die je zelf niet in huis hebt, zoals schaarliften of hoogwerkers, worden massaal gedeeld, evengoed auto’s en kamers aan toeristen.

Zo wint ook het idee van een gedeelde mobiliteit veld. Je kunt vandaag platformen vinden om transportmiddelen en aanverwanten te delen, van auto’s, fietsen en boten tot parkeerplaatsen, taxiritten en reizen. Voorbeelden zijn Uber, Cambio, Snappcar, WeGo, MyWheels, Samenrijden, Taxistop, Eventpool, Eurostop, Toogethr en Greeters.

Ruimte delen kan ook. Denk maar aan een woning (Oppas Taxistop, Huizenruil, Cohousing, Samenhuizen, Allesthuis), vakantieverblijf (AirBnB, couchsurfing), werkplekken (naaicafés) en kantoorruimte (Bar d’Office, Deelstoel) of een groentetuin (Tuindelen, Samentuinen).

Met initiatieven als gezamenlijk tuinieren, voedselteams en het delen van voedsel (Shareyourmeal, Thuisafgehaald) wordt gewerkt aan gedeelde voedselproductie. Daarbij ligt de nadruk op een ‘eerlijker’ relatie tussen producent en consument, waarbij de ecologische voetafdruk zo klein mogelijk wordt gehouden. Zo wordt vaak gewerkt met streek- en seizoensgebonden producten van bij de lokale boer.

En het hoeft niet altijd om tastbare voorwerpen te gaan. Je kunt ook kennis en vaardigheden, zorg, klusjes en zelfs tijd delen via informele netwerken (Sitly, WeHelpen, Croqqer, Klusup, Konnektid, Timebank).

Heel bekend is LETS ofwel Local Exchange Trading System, dat in 1982 ontstond in Canada en wereldwijd vaste voet aan grond kreeg. Het is een lokaal ruilhandelsysteem waarbij mensen klusjes voor elkaar uitvoeren zonder dat daarbij geld aan te pas komt. LETS-kringen gebruiken belastingvrije vormen van krediet die ze elk een eigen originele naam geven, zoals Noppes in Amsterdam of Stropkes in Gent.

Een LETS-lid kan bijvoorbeeld krediet verdienen door haar te knippen en dat later weer uitgeven aan een taart die door een andere persoon uit dezelfde LETS-groep wordt gebakken. Er zijn meer dan tachtig LETS-kringen in Nederland, ruim veertig in Vlaanderen.

Vermeldenswaard is ook het fenomeen van crowdfunding. Mensen brengen samen geld bijeen voor een doel, dat overigens niet per se sociaal hoeft te zijn. Zo heb je groepsaankopen waarbij je als particulier samen met andere gelijkgezinden kunt investeren in een duurzaam project, zoals de aanschaf van goedkope (groene) elektriciteit, condensatieketels of zonnepanelen.


Delen uit geldgewin

Deeleconomie begon als een sociaal experiment van particulieren, maar is  vandaag niet alleen meer dat, nu ook bedrijven de deelprincipes hebben omarmd om er geld mee te verdienen. Deeleconomie is een businessmodel geworden. Dat is niet onlogisch, want welke bedrijfsleider kan zich niet scharen achter een model dat gebouwd is op het beter benutten van niet volledig gebruikte goederen of diensten door ze samen te delen?

Focussen de meeste deelinitiatieven op particulieren, dan komen er steeds meer platforms bij die de deelgedachte integreren in business-to-businessmodellen.

Neem nu Floow2. Deze allereerste, wereldwijd actieve deelmarktplaats voor bedrijven laat toe korte metten te maken met overcapaciteit van materiaal en infrastructuur en de onderbenutte vaardigheden en kennis van personeel. Bedrijven uit de meest diverse takken, van bouwnijverheid tot zorgsector, laten online weten welke ruimte, goederen, diensten en medewerkers die ze tijdelijk niet gebruiken, willen delen met andere bedrijven. 

Je kunt er vanalles en nog wat huren en verhuren: van betonmolens, bedrijfswagens, vergaderplekken, parkeerplaatsen en printfaciliteiten tot zelfs een MRI-scanapparaat, een communicatieadviseur of designer. Asset sharing, heet dit. De initiatiefnemers van Floow2 maken zich sterk dat een bedrijf via hun platform meer omzet kan realiseren en kosten kan besparen.

De bekendste bedrijven die zich richten op particulieren zijn ontgetwijfeld Uber en Airbnb. De taxi-app Uber koppelt mensen die vervoer zoeken aan privéchauffeurs, waardoor die laatsten hun privévoertuig beter benutten en er een centje aan kunnen verdienen. Via de elektronische marktplaats Airbnb kunnen privépersonen kamers verhuren aan derden.

Uber en Airbnb zijn intussen miljarden euro waard. En dat zeer tegen de zin van de klassieke marktspelers. Zo neemt de professionele taxi- en hotelsector hen zwaar onder vuur omdat ze de markt zouden verstoren met oneerlijke concurrentie. De kritiek luidt dat Uber en Airbnb zich vermommen als de vaandeldragers van de deeleconomie, terwijl ze door hun disruptieve karakter, schaal en opzet in de praktijk eerder commerciële dienstenplatforms zijn die de oorspronkelijke deelprincipes misbruiken om er rijker van te worden.


Nieuwe economische realiteit

Zulke discussies, die wereldwijd aan de gang zijn, laten zien dat de deeleconomie het traditionele marktdenken sterk door elkaar schudt. Ze belichaamt immers een nieuwe economische realiteit, waarbij de macht langzaam maar zeker verschuift van de aanbieder naar de vrager en waar toegang tot goederen en diensten belangrijker wordt dan eigendom.

Het is een economisch én maatschappelijk model, gebaseerd op evenwaardige samenwerking tussen burgers onderling en tussen burgers en bedrijven.

De meeste deelinitiatieven handelen volgens het principe van resource-based economy, waarbij de economie en alle handelspraktijken gebaseerd zijn op efficiëntie, duurzaamheid en menselijke noden, en niet op winst of oneindige groei. De deeleconomie steekt haar tong uit naar het kapitalisme, waarbij overconsumptie, verspilling van grondstoffen en het vaak creëren van kunstmatige behoeftes de toon aangeven.

De meerwaarde van de deeleconomie voor de maatschappij is dus groot. Mensen en bedrijven die delen, kunnen kosten besparen. Verschillende vormen van gedeeld gebruik zorgen voor meer sociale cohesie en persoonlijke interactie. Tot slot profiteert ook het milieu mee omdat er minder goederen moeten worden geproduceerd.

En de cijfers liegen er niet om. In 2014 brachten Velt, Voedselteams, Autopia, Taxistop, Netwerk Bewust Verbruiken en Bond Beter Leefmilieu het Memorandum voor de deeleconomie in Vlaanderen uit om de Vlaamse overheid bewust te maken van het belang van dit nieuw economisch model. Daarin gaven ze een duidelijke meerwaarde aan van de deeleconomie.

Als een vijfde van de onderbezette woningen in Vlaanderen gedeeld zou worden met andere bewoners, zou dit de nood aan 300.000 extra wooneenheden tegen 2030 oplossen. In een stad waarvan de helft van de inwoners gebruik maakt van autodelen, zouden tot vijf keer minder wagens rondrijden. Als iedereen zijn defecte toestellen zou laten herstellen in een Repair Café zou de berg elektronisch afval met 70 procent verkleinen.

Bedrijven krijgen dan ook steeds vaker te horen dat ze de principes van de deeleconomie niet moeten bevechten, maar omarmen. Anders lopen ze hopeloos achterop en dreigen ze uit de markt geduwd te worden door nieuwe deelinitiatieven.

In alle sectoren doet de deeleconomie haar intrede en zitten de meeste, klassieke ondernemingen rond te kijken op zoek naar antwoorden om de concurrentie aan te gaan. Welke strategie voert bijvoorbeeld de horeca om weerwerk te bieden aan concurrenten als AirBnB, Campr, Chef aan Huis of Thuisafgehaald?

En de Vlaamse en Nederlandse overheid? Die creëert maar mondjesmaat een gepast wettelijk kader voor deeleconomie, terwijl de deelinitiatieven in sneltempo een steeds grotere impact hebben op ons economisch bestel. In Vlaanderen en Nederland ontbreken voorlopig cijfers, maar volgens Amerikaanse studies bedroeg de wereldwijde omzet van de deeleconomie in 2013 naar schatting 26 miljard dollar.

Als zelfs de Europese Unie de deeleconomie actief steunt kun je niets anders dan besluiten dat het geen marginaal gegeven meer is van spaarzame burgers en economische avonturiers.


Geen nieuw fenomeen

Met de deeleconomie waait dus een frisse wind door ons economisch bestel. Maar nieuw is dat fenomeen niet. Lenen, delen en ruilen is van alle tijden en kwam in de Lage Landen vooral voor in de periode voor de industrialisatie, toen de maatschappij nog niet georganiseerd werd door een markt en een staat.

Zo was er in de middeleeuwen sprake van ‘naoberschap’ of ‘nabuurschap’. Toen de Nederlandse regio’s Drenthe, Twente en de Achterhoek overwegend bevolkt waren door landbouwers waren de bewoners vaak op elkaar aangewezen. Daar gold de ‘naaberplicht’.

In deze hechte gemeenschappen deelden ze niet alleen lief en leed, maar ook tijd, materiaal en kennis. Uit noodzaak. Deze vorm van burenhulp was een kwestie van overleven, omdat ze in hun dorpen niet konden rekenen op goede openbare voorzieningen. Ook in agrarische gebieden in Vlaanderen was het lange tijd een traditie te zorgen voor elkaar en met raad en daad bij te staan waar kon.

Deze informele economische interactievormen raakten in onbruik door de industriële revolutie en de komst van de natiestaat. De markt en staat regelden voortaan het economische leven. Geven, delen en lenen gebeurde alleen nog in de privésfeer. We gaven nog wel eens water aan de plantjes van onze buur die op reis was, maar daar hield het op.

Vandaag worden deze vergeten interactievormen dus weer populair en worden ze zelfs op grotere schaal gebruikt. De huidige deeleconomie is eigenlijk het herintroduceren van die oude gewoonten en marktgebruiken. Alleen speelt de digitale technologie nu wel een zeer grote rol in het succes van deelinitiatieven. Maar daarover later meer.


Erfenis uit de jaren zestig

Wanneer Vlaamse en Nederlandse jongeren vandaag auto’s, huizen en spullen delen uit financiële en ecologische overwegingen, dan zijn ze ook schatplichtig aan de jaren zestig (en zeventig). Enkele deelinitiatieven gaan terug op experimenten die hun directe oorsprong vinden in dat tumultueuze decennium en de erop volgende jaren, waarin de samenleving in België en Nederland voorgoed veranderde.

Zo klinkt de maatschappijkritiek die we vandaag horen bij voorstanders van de deeleconomie heel erg sixties en seventies. Dat het anders moet met onze samenleving, dat het zo niet verder kan met de milieuvervuiling, de overconsumptie en de uitputting van grondstoffen. Dat we weer duurzaamheid moeten nastreven en gemeenschappen vormen, weg van verstikkende hiërarchische en bureaucratische systemen.

Geen week gaat voorbij of ergens in Vlaanderen en Nederland wordt wel actie gevoerd tegen de uitwassen van het kapitalisme ten koste van mens, werk en milieu. Vooral jongeren geloven steeds minder in het mantra van de eeuwige economische groei als die niet langer welvaart en welzijn kan garanderen.

Die misnoegdheid en waarschuwende vinger over de gang van zaken waren ook heel erg aanwezig in de jaren zestig en zeventig. Voor het eerst had je een generatie die (vrije) tijd had om fundamentele vragen te stellen. Of het wel de goede kant uitging met de samenleving? Haar motivatie was veeleer politiek en ideologisch gedreven, aangevuurd door ideeën van denkers als Herbert Marcuse en Karl Polayni, die alternatieven voor het kapitalisme formuleerden. Vandaag worden hun theorieën weer opgepikt, maar de voorstanders van deeleconomie handelen meer pragmatisch en rationeel dan principieel.

Niet zo in de jaren zestig. Maatschappijkritiek deed onder meer in 1965 de jongerenbeweging Provo ontstaan. Met de leuze ‘Beter langharig, dan kortzichtig’ hoog in het vaandel gingen de Provo’s vanuit Amsterdam op zoek naar alternatieven die leven, wonen en werken aangenamer moesten maken.

Vrije liefde, ecologie en milieu, emancipatie, democratisering, vernieuwing van de kunst en het in vraag stellen van autoriteit en consumentisme: het speelveld van Provo was breed. Provo hield toen nieuwe maatschappelijke vraagstukken tegen het licht en bedacht daarvoor vaak originele oplossingen die ze kenbaar maakten via ludieke acties en in de vorm van 'witte plannen'.

Lang voor het een trend werd, huldigde Provo het principe van delen, met een pleidooi voor individueel toegang tot collectieve producten en diensten. Zo hebben wij het fiets- en autodelen te danken aan de witte fietsen en witkarren van Provo.

 

Deelauto en -fiets

Meer dan een halve eeuw na haar ontstaan is de deelfiets die gratis of tegen geringe kosten door iedereen kan bereden worden, goed ingeburgerd. In meer dan 600 wereldsteden zijn vandaag 700.000 dergelijke tweewielers in gebruik en zijn ze een volwaardig, milieuvriendelijk alternatief voor vervoer in de binnenstad.

Hetzelfde succesverhaal kan Provo op zijn conto schrijven over het autodelen dat intussen in veel landen gemeengoed is geworden.

Provo was dus ver voor zijn tijd bezig met deeleconomie. En niet alleen als het ging over het mobiliteitsvraagstuk. Zo verschilt de roep van vandaag om woningen te delen (cohousing) en zo de woningnood tegen te gaan, nauwelijks van wat Provo voor ogen had in de jaren zestig. En met hen de krakers en de communes, ook in Vlaanderen.

In 1966 pakte de jongerenbeweging uit met het ‘witte huizenplan’. Wie toen een woning zocht werd opgeroepen leegstaande huizen te bezetten. Deurposten van verlaten woningen werden witgeverfd om aan te geven dat iedereen die geen onderdak had, erin mocht trekken. Het destijds leegstaande paleis op de Dam werd tot symbool van de woningnood uitgeroepen.

Vlaanderen kende geen gelijkaardige, krachtige beweging als Provo die de goegemeente wakkerschudde en het concept van delen bijbracht. Het zou tot de jaren zeventig duren vooraleer daar grondig mee geëxperimenteerd werd.

 

Digitale technologie maakt het verschil

Ondanks de gedeelde overtuiging dat de economie én maatschappij anders georganiseerd moeten worden, zijn de deelinitiatieven vandaag allerminst een kopie van de experimenten uit de jaren zestig.

Volgens Rogier De Langhe, economiefilosoof aan de Gentse universiteit, verschilt de huidige deeleconomie fundamenteel van haar voorganger door het gebruik van digitale technologie, het internet en de digital natives, de generatie die met moderne technologie is opgegroeid en er vlotjes mee omgaat. Die factor was onbestaande in de jaren zestig.

Dankzij de technologische mogelijkheden kunnen we ons vandaag makkelijk en zelfs globaal organiseren, het delen gemakkelijker maken en de kosten verlagen. Zonder het internet zouden initiatieven als Airbnb en Uber nooit zo vlug zo populair geworden zijn bij zoveel mensen.

Wat volgens De Langhe vaak vergeten wordt in analyses over de deeleconomie is het idee dat de digital natives een crisisgeneratie zijn. Zij waren 18 in 2000. Vanaf het moment dat ze politiek volwassen waren, werden ze geconfronteerd met 9/11 en de oorlog in Irak, die als onrechtvaardig werd beschouwd. Ze maakten sindsdien heel wat crisissen, mee, een financiële, een economische en een institutionele. De Langhe:

“Iedereen voelt dat er iets niet klopt. We zitten met een Frankensteingevoel. We hebben een systeem gecreëerd dat we niet meer onder controle hebben. Er is geen enkele beleidsmaker, econoom of politicus die ons vandaag vertrouwen kan geven dat het goed komt. Sinds de bankencrisis geven zelfs topbankiers vandaag toe het niet meer te weten welke kant het uitgaat. Logisch dan ook dat burgers reageren met eigen initiatieven waarbij ze niet meer afhankelijk willen zijn van overheden en bedrijven.”

De context van de jaren zestig was net omgekeerd. Toen had je een generatie die de grootste economische boom uit onze geschiedenis beleefde. Het waren niet voor niets de golden sixties. Iedereen kon een eigen huis kopen en op reis gaan. Energiezuinig leven en spaarzaam omgaan met ruimte waren nog niet aan de orde. Actie voeren tegen de economische gang van zaken was toen geen noodzaak, maar een principiële kwestie.

Nu is dat wel even anders, met zichtbare problemen als klimaatopwarming, grondstoffenschaarste, werkloosheid en een economische crisis. Steeds meer experts geven toe dat we vandaag de kost betalen voor de welvaart van de jaren zestig, toen er nog ongebreideld geproduceerd en geconsumeerd werd.

De deeleconomie is een poging om daar een duurzaam alternatief voor te verzinnen, zodat we niet opnieuw dezelfde fouten maken.

(oorspronkelijk verschenen in het Engels in The Low Countries 2017)
 

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed