Wanhopig, maar elegant - 40 jaar na de dood van Jacques Brel

Wanhopig, maar elegant - 40 jaar na de dood van Jacques Brel

De zwetende, springende en klapwiekende slungel die elk optreden als een topsportprestatie zag, in pak en das gevangen de burgerij fascineerde, kotsend opging en drijfnat en leeggezongen afging, is vandaag al veertig jaar dood. Jacques Brel, gestorven voor zijn vijftigste, op 9 oktober 1978. 

Luc Devoldere

“On raconte ce qu’on rate”, heeft Jacques Brel (1929-1978) in een interview ooit gezegd. Zou het inderdaad zo zijn dat men vertelt, zingt over wat men niet heeft gehad, wat men altijd gemist heeft?

Neem de liefde. Brel had een huwelijk, een vrouw en kinderen naar wie hij terugkeerde, maar niet om te blijven. Zijn laatste levensgezellin vocht na zijn dood een strijd uit met de familie om de nalatenschap. En de overheersende indruk blijft dat deze man misogyne trekjes had, en het liefst omging met andere mannen, in bruuske camaraderie: “Bien sûr les femmes infidèles” in ‘Voir un ami pleurer’.

Luister dan naar de “tendre guerre” – “de zoete oorlog van het minnen”, zoals Lennaert Nijgh het vertaalde – uit ‘La Chanson des vieux amants’ en ‘Ne me quitte pas’ met daarin de vreemd mooie woorden om iemand te overtuigen niet weg te gaan: “Je te raconterai / L’histoire de ce roi / Mort de n’avoir pas / Pu te rencontrer.” 

En luister naar ‘Madeleine’ (“C’est mon Amérique à moi”), die maar niet komt, maar op wie wekelijks, met bloemen pathetisch en zielig wordt gewacht, en Frida uit ‘Ces gens-là’, met wie hij wil ontsnappen aan een verstikkend milieu, waarin men elkaar klein en gevangen houdt.

Of hij staat erbij en kijkt ernaar, zoals op de luchthaven van Orly, waar hij getuige is van een hartverscheurend afscheid tussen twee geliefden, die elkaar opgeven: “Je crois qu’ils sont en train / De ne rien se promettre.” Want: “La vie ne fait pas de cadeau / Et nom de Dieu c’est triste / Orly le dimanche / Avec ou sans Bécaud” (uit ‘Orly’).

 

 

Ik heb de laatste maanden veel naar hem geluisterd. Brel was een romanticus pur sang, die zich niet neerlegde bij volwassenwording (“Il nous fallut bien du talent / Pour être vieux sans être adultes”, in ‘Chanson des vieux amants’), revolteerde tegen de medusa van de overal op de loer liggende verburgerlijking (in ‘Les Bourgeois’, maar ook in ‘Rosa’).

De zwetende, springende en klapwiekende slungel die elk optreden als een topsportprestatie zag, in pak en das gevangen de burgerij fascineerde, kotsend opging en drijfnat en leeggezongen afging, is al veertig jaar dood. Gestorven voor zijn vijftigste (“Mourir cela n’est rien / Mourir la belle affaire / Mais vielllir…ô vieillir!”, in ‘Vieillir’). Laatste concert in Roubaix op 16 mei 1967.

Al klinkt zijn pathos vandaag soms gedemodeerd, toch is het authentiek. Is dat de verklaring waarom het zo moeilijk is Brel te coveren? Omdat het pathos bij hem altijd flirt met zijn grens, met wat nog net kan? Soms overschrijdt hij ook wel die grens. Pathos schiet dan door en verzandt in pathetiek. De donquichotterie verliest dan zijn cervanteske ironie, zoals bijvoorbeeld in ‘La Quête’ uit de musical L’homme de la Mancha, waarin de hardnekkige poging om een onbereikbare ster te bereiken gedateerd en geforceerd overkomt.

Maar zijn métier staat buiten kijf. Liedjesteksten zijn geen poëzie: ze hebben de stem, de toon, de muziek nodig. Maar Brel haalt soms het niveau van de grote populaire poëzie, van Homerus tot Prévert, de poëzie die velen vervult en sporen achterlaat in het collectieve geheugen.

 

 

Als geen ander kan hij binnen het bestek van een chanson een verhaal in climax opbouwen door in het refrein subtiel variaties aan te brengen. In ‘Les Bourgeois’ schetst hij de verburgerlijking zo: op hun twintigste houden Jojo en Pierre zich voor Voltaire en Casanova; op zijn dertigste danst Voltaire “comme un vicaire” en Casanova “n’osait pas”; als gearriveerde notarissen spreken ze over Voltaire en Casanova.

In ‘Zangra’ wacht een militair in een fort op de vijand en zijn moment de gloire. Als de meisjes van liefde dromen, droomt de jonge kapitein van paarden. Als commandant van het fort toost hij op de paarden van Don Pedro terwijl die dat doet op zijn liefdes. En als hij jaren later de weduwe van Don Pedro gaat opzoeken, spreekt hij eindelijk over liefde, maar zij over zijn paarden. De vijand verschijnt eindelijk aan de horizon, maar hij is gepensioneerd: “je ne serai pas héros.” De totale mislukking van een leven is zelden navranter bezongen. Dezelfde variatie en climax vind je in ‘Les Flamandes’, die alleen maar dansen omdat het moet en rendeert, en in ‘Les Bonbons’, de feilloze zedenschets van de kleine, Brusselse bourgeoisie.

Jammer dat Brel ‘Mai 40’ geen officiële plaatopname waard achtte: de verwarring, de vernedering en de angst bij de inval van de Duitsers in mei 1940 wordt er trefzeker opgeroepen. Brel was elf jaar en ontdekt “éberlué / Des soldatesques fatiguées / Qui ramenaient ma belgitude”. De vrouwen uit het refrein klampen zich achtereenvolgens vast aan hun mannen, hun kinderen en uiteindelijk aan hun tranen. Het chanson eindigt zo:

D’un ciel plus bleu qu’à l’habitude,
Ce mai 40 a salué
Quelques Allemands disciplinés
Qui écrasaient ma belgitude,
L’honneur avait perdu patience,
Et chaque bourg connut la crainte,
Et chaque ville fut éteinte
Et les femmes,
Les femmes s’accrochèrent au silence.

Soms zou een mens van volkslied willen veranderen.

Brel is de meester van de metonymie, het pars pro toto. Flaminganten zijn “Nazis durant les guerres et catholiques entre elles”: het is hemeltergend onwaar, maar hoe schitterend verwoord in ‘Les F.’. Generaties proletariërs zijn opgegroeid “entre l’absinthe et les grand-messes” in ‘Jaurès’: idem. Dit lied is overigens een Internationale waard.

 

 

In ‘Voir un ami pleurer’ is Brels gave voor het concieze tot een hoogtepunt gekomen. Meer dan een opsomming en een volta heeft de chansonnier niet meer nodig:

Bien sûr il y a les guerres d’Irlande
Et les peuplades sans musique
Bien sûr tout ce manque de tendre
Et il n’y a plus d’Amérique
Bien sûr l’argent n’a pas d’odeur
Mais pas d’odeur vous monte au nez
Biens sûr on marche sur les fleurs,
Mais, voir un ami pleurer.

En dan heeft hij er waarschijnlijk enkele jaren over gedaan, zijn laatste, om de Markiezeneilanden, waarnaar hij gevlucht was, te vatten in vierentwintig regels, met genadeloze vergelijkingen:

Ils parlent de la mort comme tu parles d’un fruit
Ils regardent la mer comme tu regardes un puits
Les femmes sont lascives au soleil redouté
Et s’ il n’y a pas d’ hiver, cela n’est pas l’été

La pluie est traversière, elle bat de grain en grain
Quelques vieux chevaux blancs qui fredonnent Gauguin
Et par manque de brise, le temps s’immobilise
Aux Marquises
(…)

 

 

En dan, de laatste vraag: wat was Brel nu? Een Vlaming, of tenminste een onbegrepen minnaar van Vlaanderen; een Belg; een Fransman? Frankrijk heeft hem zeker ingelijfd. Hij heeft er, na frustrerende beginjaren, grote triomfen gevierd. Olympia lag uiteindelijk aan zijn voeten. Parijs verscheen als decor in zijn chansons. Hij heeft het bezongen. Hij kwam er uiteindelijk sterven.

Maar zijn accent hield hem Belg. Belg bleef een geuzennaam die hij oppakte als het hem uitkwam, en weer weggooide. Net zoals “Vlaming”. “Flamingant” daarentegen was zijn steen des aanstoots. Het betekende voor de Brusselaar, afkomstig uit een West-Vlaamse, verfranste burgerlijke familie, niet meer en minder dan een bekrompen en extreme nationalist.

Brel had weinig begrip voor de sociale en culturele emancipatie van de Vlamingen. Die nam hem zijn mythische Vlaanderen af, dat in de traditie stond van het Vlaanderen van Emile Verhaeren, Georges Rodenbach: een Vlaanderen zonder… Nederlands, maar met een onschadelijk, folkloristisch “Vlaams” waarvan men houdt omdat het de langue des choses is, terwijl het Frans natuurlijk de langue de culture blijft.

Tussen twee stoelen

Franstaligen die in Vlaanderen zijn blijven wonen, of zich Vlaming blijven noemen, zijn bij de onherroepelijke evolutie naar eentalige gebieden in België tussen twee stoelen gevallen. Ze vinden dat Vlaanderen hen is afgepakt. Ze reageren daar verschillend op. Maar nostalgie delen ze. Het is deze nostalgie naar een Vlaanderen dat nooit bestaan heeft die hun boeken en liederen vaak zo aangrijpend maakt. Brel is de laatste nostalgicus die Vlaanderen in het Frans toezong als een verloren liefde..

Neem ‘Le plat pays’, waarin hij met lucht, regen, mist, wind en kathedralen een niet bestaand land oproept; ‘Mon père disait’, waarin die vader Londen een voorstad van Brugge noemt (van mythisch Vlaanderen gesproken); ‘Marieke’, die ergens leeft tussen de torens van Gent en Brugge. On raconte ce qu’on rate.

Hij deed overigens hetzelfde met de haven van Amsterdam: hij bezingt het als een soort mythische haven waar eenzame mannen van de zee met opgespaarde verlangens eten, drinken, dansen en dan al hun lichaamsvochten lozen in vrouw en goot (‘Amsterdam’). “Ca sent la bière de Londres à Berlin”, natuurlijk (‘La Bière’). Bacchanalen van Bruegel en Teniers zijn nooit ver weg, en horen – helaas – bij Brels clichématige beeld van de oude Nederlanden.

 

 

‘Les Flamandes’ zorgde in 1959 voor een rel die nu wel heel ver lijkt. Vergelijk het met ‘Aux Flamandes d’autrefois’ van Verhaeren uit zijn debuut Les Flamandes (1883). Bij Verhaeren zijn de Vlaamse vrouwen met hun “chairs pesantes de santé” van een “lourde beauté”. Zij incarneren voor de woest gesnorde bard “notre idéal charnel”. Brel hangt een grimmiger beeld op van de danszucht van de gezonde Vlaamse deernen. Uiteindelijk lopen zij dansend… in de pas van de clerus die hen vroom en vlijtig houdt, trouw aan het evangelie van voortplanting en het vasthouden en doen groeien van de materiële welvaart.

Hij geselt Vlamingen, omdat hij zich één van hen voelt. Zoals altijd is het antoniem van liefde niet haat, maar onverschilligheid. De vrouwen in Auvergne en Bretagne waren even erg, merkte hij ooit op, maar omdat hij nu eenmaal “Vlaming” was, bespotte hij zijn vrouwen.

Hybride identiteit

Op het einde van zijn leven verbouwt Brel in een chanson, dat zijn laatste plaat ook niet haalde, een kathedraal (uit Picardië, Artois of Vlaanderen) tot schip om ermee naar Engeland, de Azoren, en door het Panamakanaal naar de Stille oceaan te varen. Vlaanderen ligt nu achter hem. Als hij er nog naar terugkeert, is het met een provocatie: ‘Les F.’ (‘Les Flamingants’) krijgen er voor het laatst van langs. Hij verbiedt hen “onze” kinderen te leren “blaffen in het Vlaams”: “à aboyer flamand”. Nu heet het dat het wegvluchten uit Brugge van de Noordzee (“voyez la mer du Nord elle s’est enfuie de Bruges”) een straf is.

Maar meestal vergeet men uit dit “chanson comique” de gepijnigde regels te citeren die de hybride identiteit van Jacques Brel (en van vele Belgen, enigszins verlegen over hun Belgitude en aarzelend tussen hun talen) samenvatten:

(...) quand les soirs d’orage des Chinois cultivés
Me demandent d’où je suis, je réponds fatigué
Et les larmes aux dents: ‘Ik ben van Luxembourg’

Een eerdere versie van dit stuk verscheen in Ons Erfdeel.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed