Wie is Zomergast Wim Opbrouck? Lees het in dit Ons Erfdeel-portret

Wie is Zomergast Wim Opbrouck? Lees het in dit Ons Erfdeel-portret

Zondag 13 augustus is de Vlaamse theaterman Wim Opbrouck de vierde in de reeks Zomergasten 2017 van de Nederlandse omroep VPRO. Twee jaar terug schreef Jos Nijhof voor Ons Erfdeel een uitgebreid portret van deze “gulzige alleskunner die niet alleen acteert en regisseert, maar die daarnaast componeert, zingt, danst en verschillende muziekinstrumenten bespeelt”.

Je kunt hieronder het volledige portret van Opbrouck lezen. 

 

NIKS MIS MET VREDE, LIEFDE EN BEGRIP

LEVENSKUNSTENAAR WIM OPBROUCK

In september 2010, bij aanvang van zijn eerste seizoen als artistiek leider van NTGent, overrompelde Wim Opbrouck (1969) met een deel van zijn vaste acteurs het Gentse operapubliek met een grandioos opgezette Aïda* van Verdi. De dame die overdag de kaartjes verkocht, de technicus van de late uren, de zakelijk directeur – alle medewerkers van het toneelbedrijf mochten mee het podium op om hun zangtalent ten beste te geven – en naar verluidt gaf vrijwel iedereen aan die uitnodiging gehoor. 

Geen wonder dat het niet minder dan een massaspektakel werd, waarin ook de toeschouwers naar hartenlust konden participeren. Griet Op de Beeck schreef in De Morgen: “Zelden meer samenhorigheidsgevoel gekregen in een theater als toen we daar met zijn allen – van wild gekapte fashionista’s en keurig geklede huisvrouwen tot zich nergens aan storende jongeren – in een-twee-drie fijn leerden samenzingen. Iedereen
deed mee, voorbij de schaamte. Of dat nu grote kunst is blijft de vraag, maar doet voor één keer ook niet zoveel ter zake.”

Aida* Foto Phile Deprez

Je kunt je afvragen hoe Opbrouck daar zelf over dacht: was hier sprake van “grote kunst” of niet? Wie zich ook maar enigszins verdiept in zijn persoon en zijn werk, kan het antwoord raden: het zal hem volledig worst wezen. In alles wat Opbrouck van nature is en beroepshalve uitstraalt, valt een verlangen op naar authenticiteit, naar een echtheid die het verschil tussen hoger en lager niet verdraagt. Hoewel de schrijvende pers doorgaans enthousiast reageerde op deze gedemocratiseerde, uitgeklede en in hapklare meezingbrokken opgedeelde Aida*, viel Opbroucks binnenkomst zeker niet bij iedereen in goede aarde. Reacties in het gastenboek op de website van NTGent laten zien hoe verrast het Gentse publiek was, en lang niet altijd aangenaam.

EEN HARNAS TEGEN DE BARBAREN

Hoe dan ook, de koerswijziging na het vertrek van Johan Simons, die zich vanaf 2005 vijf jaar aan NTGent verbonden had, was meer dan duidelijk. Simons volgde zijn Europese ambities en werd intendant van de Münchner Kammerspiele en Opbrouck stond voor de haast onmogelijke opdracht deze internationaal erkende theaterreus op te volgen. De beste afslag die hij kon nemen, was die van zijn eigen persoon en zijn eigen visie. Daarbij wist hij de combinatie van acteur en artistiek leider op wonderbaarlijke wijze vast te houden, terwijl hij zijn veelzijdige talent ook op andere terreinen bleef inzetten.

Op Opbroucks hang naar luchtigheid en kluchtigheid had niemand zijn voorganger ooit kunnen betrappen en de geloofsbrieven van Simons en Opbrouck waren – en zijn onverminderd – dan ook sterk verschillend. Optimism is a moral duty, het credo van de filosoof Karl Popper, zou de grondslag vormen, niet alleen van de genoemde Aida*, maar ook van de twee opera’s waaraan Opbrouck daarna nog zijn medewerking zou verlenen, een niet onomstreden Candide (2012) en een Parsifal (2014) die ik bijna een jaar geleden zag en die, althans in mijn beleving, bepaald geen hoogtepunt vormde.

Maar niet alleen in deze operabewerkingen, ook in zijn andere artistieke uitingen toont Opbrouck zich een onstuitbare wereldverbeteraar en onvermoeibare levenskunstenaar. Wat hem uiteindelijk met Simons verbindt, is een vurige passie voor theater, zij het dat die bij Simons veel meer gericht is op de rauwe en ontregelende kracht ervan, terwijl Opbrouck de man is van de schoonheid, van kunst als verbindende en verzoenende factor, en als “harnas tegen de barbaren”.

Toen Opbrouck aantrad als artistiek leider bij het Gentse ensemble, was hij daar al vijf jaar als acteur aan het werk. In 2006 werd hij genomineerd voor de prestigieuze Louis d’Or, de beste mannelijke hoofdrol, voor zijn vertolking van Christian Beck in De asielzoeker, een toneelbewerking van de roman van Arnon Grunberg, geregisseerd door Johan Simons. Het was Simons’ debuut in Gent en tevens het begin van een traditie in het dramatiseren van literaire teksten, waarvan we, terugkijkend vanaf 2015, gerust kunnen zeggen dat het een trend is geworden die parallel loopt met de neergang van het toch al weerbarstige toneelschrijfklimaat in de Lage Landen. 

De asielzoeker

Een tweede Louis d’Or-nominatie volgde in 2012 voor zijn rol van Orgon in Molières Tartuffe, een voorstelling van de Bulgaars-Duitse regisseur Dimiter Gotscheff. Net als een aantal van zijn schrijvende collega’s had Loek Zonneveld in De Groene Amsterdammer weinig theatrale kwaliteit in deze productie gezien: “Tartuffe als de Grote Wim Opbrouck Show (…). Deze bourgondische Vlaamse toneelspeler tuigt zijn Orgon op als een wandelende kerstboom met quasi-obscene, rabelaiseaanse tuttifrutti die op den duur nogal vermoeiend werkt en waartegen de spitsvondig redenerende evenknie & tegenpool Tartuffe (Koen De Sutter) wat bleekjes afsteekt.”

Tartuffe, Foto Phile Deprez

Dat Opbrouck niet alleen in staat is dergelijke groteske, extraverte personages te spelen, bewees hij onder meer in het seizoen 2012-2013. In Rood van John Logan, geregisseerd door dezelfde Koen De Sutter, speelde hij de rol van de kunstschilder Mark Rothko en in die voorstelling daalde hij af tot op de bodem van Rothko’s getormenteerde ziel. Rood, een zinderende dialoog tussen de kunstenaar en diens assistent (Servé Hermans), met als voornaamste onderwerp de creatie van een schilderijencyclus voor een trendy restaurant, stond ook in 2013-2014 op het repertoire en maakte een tournee in Vlaanderen en Nederland.

Opnieuw werd Opbrouck genomineerd voor de Louis d’Or. In zijn rapport schreef de jury van de VCSD-toneelprijzen: “Op uitzonderlijke wijze geeft hij inzicht in de kunstenaarsziel van Rothko en raakt hij technisch behendig aan diens gemoedstoestanden, van ingetogen en charmant tot verpletterend in zijn woede-uitbarstingen. Gaandeweg wordt zo het kunstenaarschap van Rothko – en dat van Opbrouck – in al zijn omvang ontsluierd.”

Wat mij in deze rol van Opbrouck intrigeerde, was de onvoorwaardelijke overgave aan het acteursmétier, waardoor persoon en personage min of meer samen leken te vallen. Let op: leken te vallen, want inderdaad is het pure techniek, doorgevoerd tot in de hoogste perfectie, waarmee Opbrouck dit wonder tot stand wist te brengen en waarmee hij bij de toeschouwer ademloze bewondering afdwong. Een buitengewoon interessante
voorstelling bovendien, met als thema de blijvend actuele spagaat tussen artistieke integriteit en commerciële uitbating.

ARTISTIEKE ALLESKUNNER

Het is vrijwel onmogelijk een opsomming te geven van alle terreinen waarop Opbrouck, opgeleid aan de Antwerpse Studio Herman Teirlinck, zich als kunstenaar begeeft en heeft begeven. Hij is een gulzige alleskunner die niet alleen acteert en regisseert, maar die daarnaast componeert, zingt, danst en verschillende muziekinstrumenten bespeelt, onder meer in zijn eigen band De Dolfijntjes. En niet alleen als podiumkunstenaar is hij actief: zo maakt hij boekillustraties en ontwerpt hij decors. 

Voor de niet-theatergangers in Vlaanderen is hij een nationale grootheid dankzij zijn optredens in films en televisieprogramma’s. Bekendheid verwierf hij bijvoorbeeld met De bende van Wim, een reisprogramma, uitgezonden op Canvas, rond drie vrienden die met de motor Europa doorkruisen. Naast Opbrouck waren dat de muzikant Jean Blaute en fotograaf Michiel Hendryckx. Tussen eind 2002 en begin 2006 zagen de tv-kijkers hoe het drietal in onder meer Duitsland, Frankrijk, Spanje en Portugal op zoek ging naar de lokale cultuur en natuur, met als middelpunt steeds de vriendschap van de “bendeleden” en hun persoonlijke interesses.

In de jaren voorafgaand aan NTGent speelde Opbrouck bij de Blauwe Maandag Compagnie in het legendarische Ten Oorlog – in een alom geprezen dubbelrol als de meedogenloze koning Richard II en de geruïneerde drinkebroer Sir John Falstaff – en behoorde hij tot de vaste artistieke kern van Het Toneelhuis, waar hij onder regie van Luk Perceval in spraakmakende producties speelde als De Leenane Trilogie, L.King of Pain en Macbeth. In zijn dubbele hoedanigheid als film- en toneelacteur wordt Opbrouck door menigeen gezien als een van Vlaanderens kopstukken, naast coryfeeën als Jan Decleir en Damiaan de Schrijver, met welk tweetal hij zijn bourgondische, dominante verschijning deelt.

Ten oorlog

In juni 2015 neemt Opbrouck afscheid van NTGent, althans in zijn functie van artistiek leider, een taak die hij vervulde in directe verbinding met zijn ensemble van acteurs en actrices, met theatermaker, schrijver en dichter Peter Verhelst, met de jonge regisseuse Julie Van den Berghe en met iedereen die als welkome gast dit “huis van spelers” betrad. Zijn afscheid is een goede aanleiding om kort in te zoomen op zijn allerlaatste wapenfeiten in het Gentse: drie producties waarbij hij artistiek nauw betrokken was, alle drie gezien in het seizoen 2014-2015.

In de eerste plaats de al genoemde opera Parsifal, het derde deel van de zogenaamde “optimisme-trilogie”, na Aida* en Candide. Peter Verhelst schreef een nieuwe tekst op basis van Wagners partituur en regisseerde de voorstelling samen met Opbrouck, die – hoe kan het ook anders – andermaal optradt als acteur en zanger.

Mijn gang richt zich vele malen vaker naar een toneelvoorstelling dan naar een opera, dus ik moet bij voorbaat erkennen dat mijn oordeel gekleurd is door een zekere onbekendheid met het genre. Toch waag ik me aan de uitspraak dat deze zowel tekstueel als muzikaal gestripte Parsifal in het algemeen niet het effect bereikte dat de makers ervan verwachtten. Hun goede bedoelingen sijpelen weliswaar door, maar dusdanig druppelsgewijs, dat de toeschouwer de aandacht verliest en slechts dan geraakt wordt wanneer de filosofische strekking minder beleden dan daadwerkelijk beleefd wordt, bijvoorbeeld in kleine, liefdevolle gebaren van de acteurs, in de subtiele aanraking van een kinderhand en de fragiele, persoonlijke anekdotes die met het publiek worden gedeeld.

Parsifal, Foto Kurt Van der Elst

Wagneriaanse retoriek en bombast worden nadrukkelijk geweerd, maar de zaal is te groot voor intimiteit en we kunnen niet allemaal op de eerste rij zitten. Dus de afstand blijft en dat botst met het doel dat de makers nastreven. Een Parsifal die van zijn sokkel valt, een down-to-earth benadering van een heroïsche opera, een omgeving waarin regisseur, zanger en acteur Opbrouck zich overduidelijk in zijn element voelt: het is er allemaal en het heeft potentie, maar de verbeelding van de toeschouwer wordt amper gekieteld en met een hoofd vol raadsels blijft hij zich lichtelijk verweesd voelen op dit feestje. “Parsifal is een voorstelling over afscheid, de troost van het ritueel en het belang van het kleine, nietige persoonlijke engagement”, aldus de makers. Met veel inspanning heb ik die boodschap kunnen begrijpen, maar nergens tot in mijn poriën ervaren.

FRIEDE, VREDE, PAIX, PEACE, PAX

Als het om afscheid gaat, hoe toepasselijk in dit licht van Opbroucks vertrek bij NTGent, dan had We Shall Overcome. Friede, Vrede, Paix, Peace, Pax zonder meer het karakter van een laatste saluut. Samen met zijn muzikale kompanen Ron Reuman (percussie), Axl Peleman (bas) en Roeland Vandemoortele (gitaar) bracht Opbrouck in de Minardschouwburg een paar weken lang een muzikaal afscheidsprogramma waarvan hij de regie volledig in eigen hand had en waarin hij zichzelf naar zijn diepste wezen blootstelde aan zijn vertrouwde publiek. Een eerbetoon aan de idealisten van toen en nu, aan de vredestichters die meer vertrouwen hebben in de kracht van het lied dan in het geweld van de oorlog.

We Shall Overcome. Friede, Vrede, Paix, Peace, Pax    Foto Phile Deprez

De Aida* heb ik indertijd niet gezien, maar ik vermoed dat het woord “aanstekelijk” evenzeer van toepassing was – voor sommigen althans – op die opera als op dit liedjesprogramma. Als een opgewekte spullenbaas dwaalt Opbrouck over het podium, bij menig nummer wisselt hij van instrument, hij houdt voortdurend contact met zijn muzikanten en met de zaal, blaast de community singing van de jaren zestig en zeventig nieuw leven in en straalt een blijmoedigheid uit alsof hij het land van hoop en glorie over enkele ogenblikken zal betreden.

Zichtbaar geniet hij, als hij de zaal weet te dresseren tot meezingen, in wisselende volumes en nuances, van Pete Seegers versie van ‘Guantanamera’ bijvoorbeeld, het lied over verzoening en verbroedering, dat als de onofficiële hymne van Cuba geldt – en dat in april van dit jaar, bij de handdruk van Obama en Castro, plotseling in een betekenisvolle gloed kwam te staan. En als de zaal tot slot, tijdens het zingen van ‘We Shall
Overcome’, in hogere sferen raakt door opbeurende regels als ‘We Walk Hand in Hand’ en ‘We Are Not Afraid’, ontstaat – het kan haast niet anders – precies dat samenhorigheidsgevoel dat Griet Op De Beeck ervoer tijdens de openbare zanglessen bij de Aida*.

Een heerlijke feelgoodavond, zeker voor de mensen van mijn generatie, die hun hart sneller voelen kloppen als ze alleen al het programmablad in hun handen krijgen gedrukt. Voor de pauze passeren onder meer Kurt Weill, Boris Vian, Wannes Van de Velde en Status Quo de revue; na de pauze krijgen grootheden als Bob Dylan, Bram Vermeulen en Pete Seeger een kans, en ook Nick Lowe, wiens ‘(What’s So Funny ’Bout) Peace, Love and Understanding’ de thematiek van de avond en het warmhartige positivisme van Wim Opbrouck als het ware in één regel samenvat. 

EEN LAATSTE DANS, EEN NIEUW BEGIN
Al doen we hem en zijn reputatie daarmee tekort, op een argeloze Nederlander komt de in het West-Vlaamse Harelbeke geboren Opbrouck tijdens een dergelijk optreden over als een op-en-top Vlaming, iemand met blaasorkesten, kermiskoersen en Mariaprocessies in zijn DNA. In En avant, marche!, een coproductie van NTGent en Les Ballets C. de la B. die op 22 april van 2015 in première ging, komen die eigenschappen volledig tot hun recht, en méér Opbrouck dan in deze voorstelling kun je waarschijnlijk niet krijgen. Het regisseursduo Frank van Laecke en Alain Platel werkt in En avant, marche! opnieuw samen, net als in Gardenia, de succesvolle coproductie van NTGent en Les Ballets C. de la B. van enkele jaren geleden.
 
Een plaatselijke fanfare (Koninklijke Muziekvereniging De Leiezonen uit Desselgem), een eenzame man (Wim Opbrouck) daartussen, onttroond en zoekend naar een herdefiniëring van zijn identiteit: En avant, marche! is als het ware één grote metafoor van een samenleving waarin gemeenschapszin en strenge regels gelden, en waar individuele ambities even vaak gestimuleerd als gefrustreerd worden. In een vrijwel woordloze sequentie, met heel veel schitterende muziek, trekt het drama voorbij en wordt een krachtig beroep gedaan op de verbeeldingskracht van de toeschouwer. Alles wat de makers er in de periferie over zeggen en schrijven snijdt ongetwijfeld hout, maar het mooie aan de voorstelling is vooral, dat iedereen er zijn eigen verhaal van kan boetseren, óók dat van Opbrouck bijvoorbeeld, van de scheidende man, die met instemming ziet dat het leven na hem verder gaat, natuurlijk verder gaat. Kort voor de finale, als de muziek – aangrijpende muziek waarbij men zich “bedroefd en goed” voelt om met de dichteres Vasalis te spreken – nog eenmaal robuust door de Schouwburg klatert, heeft hij samen met zijn partner Hendrik Lebon zijn laatste duet gedanst en heeft hij gezien dat het goed was. En het wás goed.
 

En avant, marche! Foto Phile Deprez
 
TERUG LANGS DE ARTIESTENINGANG
2015 is behalve het jaar van Opbroucks afscheid als artistiek leider ook het jaar waarin het Gentse stadstheater zijn vijftigjarig jubileum viert. Het startsein van de festiviteiten werd gegeven tijdens een groot verjaardagsfeest op 30 mei in de Schouwburg. ’s Middags werd Platform hernomen, Johan Simons’ dramatisering van de geruchtmakende roman van Michel Houellebecq. En in de avond werd We Shall Overcome nog eens beproefd, nu voor de grote zaal, waarna het feest in volle hevigheid kon losbarsten. Herinneringen aan de afgelopen vijftig jaar komen voorbij op een speciaal gebouwde website en in Theater in
een box, een gedenkboek over de geschiedenis van het Gentse toneelhuis, een publicatie waarvan de samenstelling, hoe zou het anders kunnen, wederom door Opbrouck gedragen wordt.
 
Wim Opbrouck is waarschijnlijk niet degene die de annalen in zal gaan als de gezichtsbepalende roerganger van die vijf decennia NTGent, al waren de (co)producties van de afgelopen vijf jaar grotendeels succesnummers. Zijn leiderschap van de Gentse kunsttempel was kort, en vooral: zijn betrokkenheid bij het stadsgezelschap moest concurreren met zijn individuele veelzijdigheid en de voortdurende hunkering zijn vleugels uit te slaan naar ongeveer alle disciplines binnen de podiumkunsten en daarbuiten. 
 
Qua dienstverband is Jef Demedts, die van 1977 tot 1991 in Gent het leiderschap bekleedde, de kampioen, en natuurlijk wordt het spannend hoeveel jaren Johan Simons – de pensioengerechtigde leeftijd al gepasseerd – nog aan zijn curriculum zal toevoegen.* Simons is als artistiek leider ongetwijfeld sturender en in zekere zin maniakaler dan Opbrouck, maar menigeen vraagt zich af hoe hij zijn herintrede in Gent gaat combineren met zijn taak als intendant van de Ruhrtriënnale, zijn bemoeienis met de fusie tussen Rotterdamse kunstinstellingen, en met alles wat er voor de komende jaren verder in zijn agenda staat.
 
Hoe dan ook, voor Wim Opbrouck zit het erop: de acteur heeft de manager eronder weten te krijgen, waarschijnlijk net op tijd. Zoals hij zelf aangeeft: “Het negatieve aspect van zoveel spelen is dat ik te weinig aanwezig was in het beleid, de kern van het beleid. Je stippelt de dingen uit, daarbij geholpen en gesteund door een team van fantastische mensen, maar als puntje bij paaltje komt, moet ‘de directeur’ op tafel kloppen
en knopen doorhakken. (…) Het zijn twee verschillende, zware jobs om te combineren. Doorgaan zou dus betekenen: stoppen met spelen! En dat is nooit een optie geweest.” 
 
Het publiek in Oost-Vlaanderen en ver daarbuiten kan dus gerust zijn: NTGent krijgt weer een artistiek leider pur sang, terwijl Wim Opbrouck, die in En avant, marche! weliswaar dansend het podium verliet, aan de achterkant, door de artiesteningang, terug zal komen, om via de verkleedkist en de schmink opnieuw het podium te betreden en het hooggeëerd publiek te behagen.
 
Jos Nijhof
 
* Intussen raakte bekend dat Simons NTGent opnieuw verlaat. Hij wordt vanaf  2017-2018 artistiek leider in het Schauspielhaus Bochum.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed