De ontdekking van Moskou: de vruchtbare mislukking van Harry Mulisch

Tot twee keer toe is hij aangekondigd (in 1963 en 1981), maar nu is hij echt verschenen: De ontdekking van Moskou, de roman waarmee Harry Mulisch jarenlang worstelde en die hij uiteindelijk nooit afwerkte.

Het boek dat De Bezige Bij nu heeft uitgebracht, is dus onvoltooid, maar daarom niet oninteressant. Arnold Heumakers, een van de bezorgers van het boek en ook executeur-testamentair van Mulisch, schrijft in Ons Erfdeel 4/2015 een uitgebreide beschouwing over De ontdekking van Moskou. Volgens Heumakers is het onvoltooide boek "een vruchtbare mislukking".

Hij meent dat het een verhelderend licht kan werpen op een merkwaardige stijlbreuk in Mulisch' oeuvre, met name de cesuur tussen vroege romans als Het zwarte licht (1956) en Het stenen bruidsbed (1959) en later werk als De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992).

Heumakers' conclusie: "(…) ik ben ervan overtuigd: het is niet in de laatste plaats aan de lange, hardnekkige worsteling met deze steeds weer mislukkende roman te danken dat Mulisch de 'klassieke' vorm van zijn latere werk heeft gevonden, een vorm waarin intuïtie en begrip (…) op onnavolgbare wijze met elkaar samenvallen."

Het volledige artikel kun je hier lezen.

Heumakers bezorgde De ontdekking van Moskou samen met Marita Mathijsen. Zij schreef eerder voor Ons Erfdeel - in 2007, Mulisch leefde nog - ook een artikel over wat zij Mulisch' oerboek noemt. De ontdekking van Moskou mislukte volgens haar telkens weer omdat "Mulisch iets wil dat onmogelijk is, maar dat toch de essentie van zijn schrijven is". Mathijsen suggereerde zelfs twee oplossingen om de roman toch nog af te werken. Het heeft niet meer mogen zijn, maar mede dankzij haar is De ontdekking van Moskou in zijn onafgewerkte staat nu toch te lezen.

Haar stuk uit 2007 kun je hieronder lezen.

 

Oorlog met de tijd

Harry Mulisch’ worsteling met het oerboek

Amerika’s beroemdste Nederlander is de titel van een biografie uit 2005. Die beroemde Nederlander is niet Willem de Kooning, Jan de Hartog, Wubbo Ockels, Ayaan Hirsi Ali of Paul Verhoeven, maar de kunsthistoricus Hendrik Willem van Loon, die in 1903 emigreerde naar de Verenigde Staten. Zijn boek The Story of Mankind (New York, 1921) werd een enorme bestseller. Een hele generatie Amerikanen leerde geschiedenis kennen aan de hand van Van Loon. Zijn stijl is populair-wetenschappelijk, snel, overtuigend en door zijn vele optredens werd hij een soort Dr. Phil van de geschiedenis. Hij kreeg ook veel kritiek, met name van academici. Johan Huizinga vond zijn boek een product van pure wankennis, en de populariteit ervan beschouwde hij als een veeg teken voor de Amerikaanse beschaving.

In 1949 schafte de jonge Harry Mulisch zich een vertaling van Van Loons boek The Arts (1937) aan. Van Loon probeert hierin de hele westerse kunstgeschiedenis aan elkaar te breien. Van de 683 pagina’s dikke vertaling De mens en zijn kunst was in dat jaar de vijfde druk verschenen. Het boek staat nog steeds in Mulisch’ boekenkast, met onderstrepingen. Eén passage speciaal streepte Mulisch aan, in verband met Rusland. Van Loon laat hierin zien hoe de Russen vanaf de Tartaarse tijd tot diep in de middeleeuwen in een artistiek isolement verkeerden. Dan volgt de zin: “Hoe groot hun isolement was, leert ons een kleine gebeurtenis die plaats vond in 1492, hetzelfde jaar waarin Columbus Amerika ontdekte. Een expeditie, uitgezonden door een Oostenrijks bisschop om Moskou te ontdekken, keerde onverrichterzake terug.”

Columbus en Cusanus

Met deze paar zinnen begon een dramatische wending in het schrijverschap van Harry Mulisch. Mulisch, op dat moment tweeëntwintig jaar oud, had zijn piepkleine verhaal De kamer gepubliceerd gezien. Verder had hij de novellen Ik Bubanik en Tussen hamer en aambeeld al geschreven. Hij was begonnen aan Archibald Strohalm. Met het lezen van Van Loon gebeurde er iets dat hem jarenlang zou gaan bezighouden. Hijzelf krijgt bij wijze van spreken de opdracht om Moskou alsnog te ontdekken. Columbus ontdekte Amerika, maar was op zoek naar iets anders — de doorgang naar Indië. Zijn expeditie moet eigenlijk als een mislukking beschouwd worden. Daarnaast is er in hetzelfde jaar van de ontdekking van Amerika een Oostenrijks bisschop die zoekt naar Moskou en het niet vindt. Het bizarre van de tegenstrijdigheden en de coïncidentie moet Mulisch gefascineerd hebben. Twee ontdekkingsreizigers, de een gaat over zee, de ander over land, beiden zijn zonder succes op zoek naar iets dat bestaat, de een vindt niet wat hij zoekt maar wel iets anders geweldigs, de ander niets.

Voorlopig leidde de Van Loon-zin een verborgen bestaan in het hoofd van Mulisch. Tot hij op een gegeven moment ging lezen over een zekere bisschop Cusanus. Wanneer hij met deze figuur kennis maakte weet ik niet, maar in elk geval is Cusanus een sleutelfiguur in het werk van Mulisch. In zijn gepubliceerd werk kom ik hem voor het eerst tegen in Het woord bij de daad uit 1968: “Deze verbazende kardinaal — wiens boeken zelfs dialektische titels dragen [...] voerde in de vijftiende eeuw het mystiek-dialektische begrip van de ‘coincidentia oppositorum’ in: het samenvallen van de tegenstellingen, — zoals Hegel later het samenvallen van het zijn en het niets zou definiëren als het worden. Verder was hij een voorloper van Copernicus, ook zei hij als eerste dat de ruimte oneindig is, en vermoedelijk had deze dialektikus (over wie ik nog wel eens een boekje zal opendoen) iets te maken met de ontdekking van Amerika.” (pp. 113-114)

Waarschijnlijk heeft Mulisch hem leren kennen via een Duitse studie van Karl Jaspers uit 1964. Dit boek staat vol met onderstrepingen en aankruisingen in zijn boekenkast. Vanaf 1968 duikt Cusanus regelmatig in het werk van Mulisch op; in De compositie van de wereld neemt hij een flinke plaats in.

De Duitse bisschop Nicolaus Cusanus leefde van 1401 tot 1464. Zijn Duitse naam was Nikolaus Krebs von Kues. Hij is een filosoof, maar tegelijk een van die allround geleerden waar de late middeleeuwen een patent op lijken te hebben. Niet alleen ontwikkelde hij lenzen voor bijzienden en droeg hij bij aan de kalenderhervoming, hij stichtte ook een hospitaal, en hij zette de theorie van de coincidentia oppositorum op. Hij beweert dat tegenovergestelde zaken bij elkaar komen in een oneindig ver punt. Bestaan en niet-bestaan, zijn en niet-zijn, worden dan uiteindelijk gelijk. Mulisch ziet Cusanus zelf als een vereniging van tegendelen, want met zijn ene been staat hij nog in de metafysische middeleeuwen en het occultisme, met zijn andere in de empirische natuurwetenschap. Hij stierf in Todi in Umbrië, maar hij ligt op twee plaatsen begraven: zijn lichaam in Rome in de San Pietro in Vincoli, zijn hart in de Cusanusstift in Kues aan de Moezel. Dat zijn typisch zaken die Mulisch’ fantasie op gang brengen. Ook de Duitse naam van Cusanus en zijn sterfplaats moeten die functie gehad hebben: “Krebs von Kues” laat zich met enige welwillende klankassociaties vertalen als: “kanker uit kus”; uit “Todi” laat zich het woord “dood” afleiden.

Nicolaus Cusanus(1401-1464).

Op een gegeven moment heeft Mulisch een contaminatie gemaakt van de onbekende Oostenrijkse bisschop waar Van Loon naar verwijst, en Cusanus. In de realiteit is dit onmogelijk, want de reis van de onbekende speelde zich in 1492 af, toen Cusanus al 28 jaar dood was. Maar in Mulisch’ brein kon het wel: Cusanus wilde Moskou ontdekken. Er is wel een kleine link tussen Cusanus en de onbekende bisschop, en die loopt via dat fameuze jaar 1492. Aan het sterfbed van Cusanus was een bevriend arts aanwezig, die tevens aardrijkskundige was. Deze man was later de opdrachtgever van Columbus. Genoeg coïncidenties voor Mulisch om die twee aan elkaar te koppelen.

Een eerste versie...

En daarmee begon het oerboek van Harry Mulisch. In de inleiding op het speciale Maatstaf-nummer waarin de term “oerboek” gemunt werd, staan enkele vormen omschreven waarin oerboeken voorkomen. (1) Om echte materiële boeken gaat het niet, maar om ongepubliceerd werk dat van groot belang is voor het oeuvre. In de eerste plaats gebruikt de redactie de term “oerboek” voor een manuscript dat voorafgaat aan het debuut. In de tweede plaats noemen ze een manuscript een oerboek als het “een tekst [is] van de meer gerijpte auteur, die het nooit aan de uitgever ter hand heeft gesteld maar waaruit zich wel nieuw te publiceren werk blijft aftakken”. Het kan ook als “louter visioen in het hoofd van de schrijver bestaan en levenslang als inspiratie dienen of, tegenovergesteld, zijn terreur blijven uitoefenen”. 

De ontdekking van Moskou is als een foetus aanwezig in het oeuvre van Mulisch, zonder dat die ooit geboren wil worden. Daarmee hoort die in de tweede categorie thuis, nooit gepubliceerd, maar wel vruchtbaar voor nieuw werk. Mulisch zegt er zelf over dat hij in het begin van de jaren zestig allerlei dingen deed die niet lukten. De toekomst van gisteren, De zegelbewaarders, De oogappel, De ontdekking van Moskou, niets wilde tot een volwaardig literair werk groeien. De toekomst van gisteren en De zegelbewaarders werden gerecycleerd tot nieuwe boeken, maar De ontdekking van Moskou bleef liggen.

Het boek moest gaan over de duistere expeditie naar Moskou in de vijftiende eeuw. Een twintigste-eeuwse schrijver-journalist had zich voorgenomen om sporen van die expeditie terug te vinden. Het verhaal speelt dus in het heden en in het verleden. Maar de bisschop kon Moskou niet ontdekken, de schrijver kon die expeditie niet ontdekken, en Mulisch kon het boek niet schrijven. Het was allemaal een mislukking, in de woorden van Mulisch. (2)

Hoe ziet die eerste versie eruit? De eerste en tweede versie zijn bij elkaar in een map gestopt. (3) De oorspronkelijke manuscripten heeft Mulisch niet bewaard, alleen de typoscripten, die vele doorhalingen kennen. Volgens zijn eigen aantekeningen heeft hij eraan geschreven tussen 1961-1962. De eerste versie is niet in hoofdstukken ingedeeld, maar per “caput”. De eerste zin luidt: “Ik vroeg mij al jaren af, hoe het precies in elkaar zat met die Moskou-affaire; en toen ik vorig jaar een paar maanden bij mijn vrouw vandaan moest, besloot ik de zaak ter plaatse eens te onderzoeken.”

In deze versie is er geen duidelijke scheidslijn tussen de ik-figuur die als schrijver op zoek gaat naar de Moskou-expeditie en een ik-figuur die meegaat met “de bisschop” om de speurtocht te boekstaven. De ik-figuur heeft kiespijn en ruzie met zijn vrouw — elementen die de Mulisch-kenner zich herinnert uit De aanslag en uit Paralipomena orphica. Cusanus is in deze versie nog niet manifest aanwezig. De ik-figuur gaat iets doen wat Mulisch ook in het echt is gaan doen: namelijk proberen te achterhalen wie de bisschop was die een expeditie naar Moskou stuurde. Mulisch raadpleegde studies en ging ervoor naar het Oost-Europa-Instituut, waar hij Karel van het Reve sprak. Deze stuurde Mulisch een brief na hun gesprek (gedateerd 4 september 1961). Van het Reve kon hem niet helpen, al had hij er diverse mensen op aangesproken. Mulisch verwerkte zijn bezoek aan het Oost-Europa-Instituut in zijn eerste versie. Van die speurtocht naar het Moskou-verhaal kon de schrijver wel een levenswerk maken, zei een der professoren, en daarmee is Karel van het Reve bedoeld: “dan moest ik mij verdiepen in de werkwijze van de auteur, want natuurlijk was hij allang dood, zijn woonplaats opzoeken, zijn weduwe uithoren en zijn leerlingen, zijn her en der verspreide bibliotheek weer samenstellen en doorlezen, zijn aantekeningen nagaan, sporen in zijn korrespondentie volgen, helemaal in hem veranderen, de weduwe trouwen: alleen zo zou mijn moeite misschien beloond worden. Dat was natuurlijk revelarij van de hoogleraar, een aardige man overigens”. (4)

Van de eerste versie is in 1963 een dummy gemaakt, met een katern tekst van zestien pagina’s en negen lege katernen, dus in totaal zo’n honderdzestig pagina’s. (5) De Bezige Bij was er blijkbaar van overtuigd dat er een flink boek aan zat te komen. Maar het boek verscheen niet.

Dummy van 'De ontdekking van Moskou' uit 1963 (collectie Marita Mathijsen).

Ergens in deze tijd reisde Mulisch het leven van Cusanus na, in een open sportauto. Vanaf Kues, zijn geboorteplaats aan de Moezel, waar de oude gebouwen nog vrijwel ongeschonden te bezichtigen zijn, ging Mulisch op pad. Van Bernkastel-Kues trok hij naar Deventer waar Cusanus gewerkt heeft en dan naar Italië tot aan Todi in de Apennijnen waar hij gestorven is.

... en een tweede...

Kort daarna moet hij aan een tweede versie begonnen zijn. Ook deze leek voor Harry Mulisch levensvatbaar. Hij gunde in 1963 een voorpublicatie aan het tijdschrift Randstad, waarvan hij toen redacteur was en noemde het een “fragment; in statu nascendi”. Het begint met een echtelijke ruzie: “Zo begon het: met de slag van de deur nog in mijn oren kijk ik ziek uit het raam van mijn werkkamer in de mist, en een gevoel van vrijheid wordt in mij geboren.” (6)

De beide ik-figuren zijn hier duidelijk met witregels onderscheiden. Opnieuw is er ruzie met een vrouw, Verena, en opnieuw is er kiespijn. De ik gaat op zoek naar de expeditie. Hij schrijft er het volgende over: “In mijn jongensjaren heb ik er al over gelezen, nooit vergeten, dat fantastische verhaal over die onontdekte stad, Moskou. Als ik er een paar jaar later voor het eerst van had gehoord, had ik er misschien nooit meer aan gedacht, want alleen wat lange wortels heeft en tot daar terugreikt is vruchtbaar; daar is de grond.” (7)

Opnieuw liet Mulisch Het Boek liggen. Hij werkte aan twee nieuwe romans, De oogappel en De toekomst van gisteren. Beide romans mislukten, al kwamen er later wel nieuwe boeken uit voort. De oogappel werd De verteller en De verteller verteld; De toekomst van gisteren kwam, onder dezelfde titel als de beoogde roman, uit als een essayistische bundel.

Omslag van 'Randstad 5' (1963) met voorpublicatie van deel tweede versie. V.l.n.r. Harry Mulisch, Ivo Michiels, Hugo Claus, Simon Vinkenoog (Collectie Marita Mathijsen)

... en een derde...

In 1964 haalde hij het onvoltooide manuscript van De ontdekking van Moskou weer te voorschijn en begon eraan te werken. Twee jaar lang schreef hij er opnieuw aan, en vergeefs. Wel plukte hij eruit voor ander werk. Het verhaal Paralipomena orphica (1970), gepubliceerd in de gelijknamige bundel, is gedeeltelijk afkomstig uit De ontdekking van Moskou.

De derde versie ontstond, die 209 pagina’s omvat. Hij eindigt midden op een getypte pagina, waaronder in blauwe pen geschreven staat: “Hier breekt het manuscript af.”

De beginzin is deel van een soort voorwoord van “H.M.”: “Op 6 juli 1964, enkele dagen nadat er kanker bij hem was gekonstateerd, nam Dirk Herxen voorgoed afscheid van zijn zuster.” (8) Het verhaal is nog ingewikkelder geworden. Er zijn drie auteurs bij betrokken die in de twintigste eeuw leven of leefden. Herxen is de hoofdauteur. Hij is een schrijver die nooit tot de groten der aarde is gestegen, maar toch voor fijnproevers literaire waarde heeft. Deze schrijver neemt afscheid van zijn zuster, vestigt zich in een oude Italiaanse ruïne waar hij een bureau installeert op de stenen. Als hij op een dag niet meer zijn dagelijks kopje cappuccino komt drinken in de trattoria, gaat er iemand naar hem op zoek — hij wordt niet gevonden, maar is van de aardbodem verdwenen. Zelfs zijn kleren zijn er nog allemaal. De verdwijning van Herxen doet denken aan de latere plotselinge verdwijning van Quinten in De ontdekking van de hemel. Er wordt gezocht naar Herxens lijk, maar dit wordt niet gevonden. Zijn spullen gaan naar zijn zuster. Haar man, Brugman, neemt op zich om de nagelaten papieren van Herxen, die bezig was met de Moskou-expeditie, uit te geven. Daarbij voorziet hij de overgeleverde fragmenten ruimschoots van commentaar. Brugman is zelf in zijn jonge jaren de auteur geweest van een flutnovelle, Tussen hamer en aambeeld, waarvoor hij zich achteraf schaamde en die hij overal opgekocht heeft en zelfs uit bibliotheken gestolen om die te vernietigen. (9) Brugman voltooit de bewerking niet, maar sterft plotseling, waarna H.M. het verzoek krijgt de boel af te maken, met het uitdrukkelijke bevel van de zuster-weduwe om geen letter te veranderen in de teksten van beiden. Maar H.M. is het vaak niet eens met de toegevoegde commentaren van Brugman. Hij voegt noten toe aan de beide tekstlagen. In de laag van Herxen zit dan behalve de twintigste-eeuwse laag, ook nog de vijftiende-eeuwse verwerkt.

De derde versie is buitengewoon ingewikkeld en toch lijkt deze nog het meest voltooid, al is de kunstgreep van het afbreken van het manuscript waarschijnlijk ook een teken van onvermogen. Cusanus is manifest aanwezig. Wanneer en waarom ook deze versie afgebroken werd, is onduidelijk.

... en nog meer

In de stapel versies van De ontdekking van Moskou is er nog een vierde en vijfde “staat”, beide ongedateerd. De vierde “staat”, zoals Mulisch op deze versies geschreven heeft, omvat zeventig pagina’s, de vijfde is even omvangrijk. De beginzin van beide versies is gelijk: “Verstijfd, alsof Holbeins dood met zijn gespleten buik onder het dansen een afwezige blik op mij had geslagen, werd ik wakker.” De vijfde staat wilde Mulisch een “metaroman” noemen. Deze beide versies ontstonden omstreeks 1965.

Zestien jaar later, in 1981 nam Mulisch het manuscript opnieuw ter hand. Er bestonden inmiddels vijf versies, de ene nog gecompliceerder dan de andere. Hij begon aan de zesde versie. Er werd weer een dummy gemaakt, en weer werd het boek aangeboden aan de boekhandel. De dummy uit 1981 omvat weer zestien beginpagina’s, met een andere tekst dan die uit 1963. De beginzin met Holbein, uit de vierde en vijfde staat, is ook hier de eerste zin. De zoektocht naar Van Loon wordt uit de doeken gedaan. Opnieuw treedt Karel van het Reve op, die Mulisch begroet als “de Homerus van het kapitalisme”.

De uitgeverij was opnieuw te optimistisch geweest. De ontdekking van Moskou verscheen weer niet, maar er gebeurde wel iets anders.

Dummy van 'De ontdekking van Moskou' uit 1981 (collectie Marita Mathijsen).

De geboorte van "De aanslag"

Begin januari 1982 schreef Mulisch aan de verhaaldraad van het heden. Zijn hoofdpersoon-schrijver bleek een wees te moeten zijn. Mulisch bedacht een oplossing: “Men kan dan eenvoudig zeggen, dat zijn ouders niet meer leefden, maar ik heb het graag iets concreter. Aangezien hij ongeveer mijn leeftijd had, bedacht ik dat dat het gevolg kon zijn van een dramatische gebeurtenis in de oorlog: bij voorbeeld omdat zijn ouders bij een duitse represaille gefusilleerd waren, bij voorbeeld omdat voor hun huis een verrader was geliquideerd door het verzet […]. Ik dacht aan zo’n zes of zeven, desnoods tien bladzijden voor die episode, maar het werden er meer en meer, zonder dat het einde in zicht kwam: het begon uit te groeien tot een gezwel, een carcinoom dat mijn roman dreigde te vernietigen. Op 21 januari besloot ik operatief in te grijpen, de roman er van te bevrijden en het fragment uit te werken tot een afzonderlijke novelle. Ik nam een stanleymes en sneed de negenentwintig pagina’s uit het dikke folio-notulenboek, waarin ik werkte.” (10)

Daarmee is De aanslag geboren. In eerste instantie zou het een novelle zijn met de titel As, en die werd door De Bezige Bij aangekondigd. De novelle groeide echter uit tot een roman met de titel De aanslag.

Wie Mulisch' manuscript van De ontdekking van Moskou in de versie uit 1981 in handen krijgt, ziet dat het letterlijk waar is wat hij beweert: negenentwintig bladen (en dus eigenlijk achtenvijftig pagina's) zijn eruit gesneden. De ingreep begint op pagina 101, die zelf ook weer doormidden gehakt is, want het voorgaande gedeelte had nog niet met De aanslag te maken.

Heel kort daarna kreeg Mulisch zelf een carcinoom en werd in het ziekenhuis opgenomen. Het gezwel in zijn maag werd verwijderd. De aanslag keerde zich als een boemerang naar hem, zegt hij. (11)

 

“Dit is bloedeloos!”

En opnieuw bleef De ontdekking van Moskou liggen. Wel haalde Mulisch er nog meer uit, de novelle Voorval uit 1989 en ook De ontdekking van de hemel heeft elementen uit het oerboek. Eind 1994 kwam er als nieuwjaarsgeschenk van De Bezige Bij een facsimile uit van de pagina’s die uit De ontdekking van Moskou waren gesneden, onder de titel De Oer-Aanslag. (12) Mulisch liet het voorafgaan door een “Korte oriëntatie”. In die tijd overwoog hij opnieuw te beginnen aan zijn Moskou-expeditie. Hij bedacht de titel Het gerucht, maar tot meer dan een opzet kwam hij niet.

Uit 'De ontdekking van Moskou' gesneden beginpagina van 'De Oer-Aanslag'.

In zijn voorwoord bij De Oer-Aanslag liet Mulisch weten dat er wellicht een zevende versie in het verschiet lag. (13) Ik geloof niet dat die er komt. Een boek dat wil mislukken, moet niet geforceerd worden toch te lukken.

Het blijft wel intrigerend, waarom De ontdekking van Moskou wel boeken kan baren, maar zelf geen boek kan worden. Natuurlijk is het barende ongeschreven boek een formule die Mulisch bevalt. De dode Ada uit De ontdekking van de hemel beviel van een levend kind. Maar het kan toch niet de opzet van zijn zes pogingen zijn om te mislukken. Er moet iets indringend fout zijn aan het concept, en dat moet de oorzaak van de mislukkingen zijn.

Mulisch heeft zelf bij zijn papieren van De ontdekking van Moskou wat losse velletjes liggen met aantekeningen: “Dit is bloedeloos. Gaat niet over mensen. Dit niet meenemen in het zevende decennium van mijn leven! Het probleem hier is, dat het schort aan karakters.”

Is dit inderdaad het probleem: dat het boek bloedeloos is, en de karakters niet gaan leven? Falend schrijverschap dus? Inderdaad zijn de verwikkelingen te verknoopt en is het geheel bijna ontoegankelijk geworden door de vele lagen. Van de luciditeit die een raamvertelling kan hebben, is niets te bespeuren. Maar toch is dat niet het grootste probleem.

Het Boek Mulisch

De verklaring moet erin gezocht worden dat Mulisch iets wil dat onmogelijk is, maar dat toch de essentie van zijn schrijven is. Om hierin verder door te dringen is het noodzakelijk dat men zich realiseert dat er een soort archetype te construeren valt van Mulisch’ romans. Ik creëer hiervoor een nieuwe invulling van het begrip “oerboek”, namelijk het hypothetische boek waarin alles tot de essentie van iemands schrijven teruggebracht is en waarin alles voorkomt wat tot de essentie van zijn schrijven hoort.

Om dat oerboek van Mulisch te construeren, mix ik elementen uit zijn voornaamste boeken die wederkerende patronen laten zien. Zo komen we bij het archetype van Het Boek Mulisch. Daarin speelt een jonge man, een messiasfiguur, een enig kind, de hoofdrol. Vaak is die man een schrijver, een journalist of een wetenschapper. De messias kan ook de vorm van een oudere man aannemen: Christus als hij zesenzestig in plaats van drieëndertig jaar geworden was. De messias is een vrouwenvreter, maar zijn aantrekkelijke vrouwen zijn altijd vermommingen van moeders en de dood. Ze zijn Euridice en Jokaste tegelijkertijd, Euridice die uit het dodenrijk gehaald moet worden, en Jokaste, de moeder én vrouw van Oidipous. Deze Euridice-Jokaste vertegenwoordigt het grote probleem van de messias, want deze vrouw confronteert de messias voortdurend met het probleem van de lineaire tijd. De messias-hoofdpersoon krijgt een opdracht, die altijd te maken heeft met goedmaken of herstel van een historische fout. Maar alleen in de literatuur kan iemand uit het verleden of de dood teruggehaald worden en kan iemand een generatie overslaan door moeder en minnares tegelijkertijd te zijn. De poging van de hoofdpersoon om de tijd te verslaan loopt altijd op een catastrofe uit, maar een tijdelijke overwinning is mogelijk.

Hiermee zijn we bij het centrale thema in Mulisch boeken: de tijd, en hoe die verslagen en overwonnen kan worden. Synchronisatie van verschillende tijden is daar een middel voor. Als de vijftiende en de twintigste eeuw tegelijkertijd aanwezig zijn, is er geen verleden en geen heden, maar alomtegenwoordige tijd. Dat is de filosofie van Cusanus, die beweerde dat tegenstellingen altijd ergens een convergentiepunt hebben. De tegenstelling is dan slechts een paradox, een schijnbare tegenstelling, en ook dit is een deel van Mulisch’ oerboek.

In De ontdekking van Moskou is het synchroniseren van de tijd tegelijk het hoofdthema en het probleem. De messias uit de twintigste eeuw moet samenvallen met de messias uit de vijftiende eeuw, en in deze messias vallen Cusanus, Columbus en een onbekende Oostenrijkse bisschop samen. Mulisch krijgt het niet voor elkaar. Waarom niet?

De oplossing komt mij tamelijk eenvoudig voor. De messias uit de vijftiende eeuw is namelijk een echte roomse bisschop, zonder passie voor vrouwen. Cusanus is alleen maar bezig met zijn theorieën over de coincidentia oppositorum maar hij brengt ze niet in praktijk. Hij is onvruchtbaar, zoals priesters onvruchtbaar zijn. Hij weigert zich daarom te verenigen met de vrouwenliefhebber uit de twintigste eeuw die op zoek gaat naar de Moskou-expeditie. De synchronisatie mislukt omdat Mulisch een priester als hoofdfiguur gekozen heeft.

Twee oplossingen

Er zijn twee oplossingen om De ontdekking van Moskou alsnog af te maken. Mulisch maakt van de twintigste-eeuwse schrijver een brave seksloze Cusanus-achtige figuur, een Antoine Bodar op zoek naar de waarheid. Dan kunnen de bisschop en de schrijver samenvallen. Of Mulisch slingert Cusanus eruit en brengt er een flierefluiter van een bisschop in, die vrolijk onder de habijtjes van nonnen de tijd verslijt, op weg naar Moskou, en ergens halverwege ontmoet hij de abdis die voor hem de Jocaste-Euridice van zijn leven is. Maar nog beter lijkt me een derde oplossing: dat Mulisch De ontdekking van Moskou als een alchemistische broedmachine blijft beschouwen, die in zichzelf nog doorwerkt al is die afgesloten. God weet wat die nog voor verrassingen kan baren.

 

 

Noten
(1) De term “oerboek” komt in het WNT nog niet voor. Of de samenstellers van het speciale Maatstaf-nummer uit 1996 de eersten zijn die het woord gebruiken, kan ik niet beoordelen. Wellicht hebben zij zich laten inspireren door de titel van de facsimile-uitgave die van de handschriften van Mulisch’ eerste versie van De aanslag gemaakt werd, onder de titel De Oer-Aanslag. In beperkte oplage verscheen die eind 1994; in 1996 verscheen een handelsuitgave.
(2) HARRY MULISCH, De Oer-Aanslag, 1996, p. 10 en MARITA MATHIJSEN, Het voorbestemde toeval, p. 131.
(3) Voor het schrijven van dit artikel heb ik gebruik mogen maken van de documentatie zoals de schrijver die in zijn werkkamers bewaart.
(4) Maatstaf 1997, 47.
(5) De katernen zijn niet meer duidelijk te onderscheiden omdat het boek afgesneden en in de rug geplakt is. Een paginering ontbreekt.
(6) Uit: Maatstaf 1997, p. 53.
(7) Uit: Randstad 1963, 62.
(8) Deze tekst is nergens als fragment gepubliceerd. Ik citeer uit het typoscript.
(9) Mulisch zelf heeft een tijdlang zijn novelle Tussen hamer en aambeeld niet meer als deel van zijn oeuvre willen zien, en wilde dat die niet meer herdrukt werd. Daar is hij op teruggekomen in Mijn getijdenboek, p. 102 (“Waar haalde die grijsaard van bijna veertig jaar het recht vandaan om zo hard te oordelen over het werk van de negentienjarige?”) en het verscheen in zijn Verzamelde verhalen (1977).
(10) HARRY MULISCH, De Oer-Aanslag, 1996, p. 10.
(11) MATHIJSEN, Het voorbestemde toeval, p. 173.
(12) In 1996 is hier een publieksuitgave van gemaakt, met een transcriptie.
(13) HARRY MULISCH, De Oer-Aanslag, 1996, p. 10.


Literatuur

  • HENDRIK WILLEM VAN LOON, De mens en zijn kunst, Servire, Den Haag, 19495.
  • MARITA MATHIJSEN, Het voorbestemde toeval. Gesprekken met Harry Mulisch, De Bezige Bij, Amsterdam, 2002, 201 p.
  • HARRY MULISCH, “De ontdekking van Moskou (fragment; in statu nascendi)”, in: Randstad, jg. 5 (1963), pp. 52-73.
  • HARRY MULISCH, Het woord bij de daad, De Bezige Bij, Amsterdam, 1968.
  • HARRY MULISCH, Paralipomena Orphica, De Bezige Bij, Amsterdam, 1970.
  • HARRY MULISCH, Verzamelde verhalen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1977.
  • HARRY MULISCH, De compositie van de wereld, De Bezige Bij, Amsterdam, 1980.
  • HARRY MULISCH, Mijn getijdenboek, De Bezige Bij, Amsterdam, 1985.
  • HARRY MULISCH, De Oer-Aanslag, De Bezige Bij, Amsterdam, 1995 (nieuwjaarsgeschenk De Bezige Bij).
  • HARRY MULISCH, De Oer-Aanslag (toegelicht en bezorgd door MARITA MATHIJSEN), De Bezige Bij, Amsterdam, 1996.
  • Oerboek, speciaal nummer van Maatstaf, jg. 45 (1997), nr. 6.