Herinneringen aan Hugo Claus 

 

Hugo Claus

 

Tien jaar terug overleed Hugo Claus (1929-2008). Wat kunnen we toevoegen aan wat dezer dagen over de schrijver wordt gezegd, geschreven, getoond en vertoond? Hoofdredacteur Luc Devoldere vraagt het zich af in een beschouwing waarin hij vooral de dichter Claus de grootste overlevingskans toedicht. 

Ultima-laureaat Miriam Van hee, Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin en Ellen Deckwitz hebben we naar hun favoriete Claus-gedicht gevraagd. Zij kiezen respectievelijk voor een vers uit De Oostakkerse gedichten, ‘Nu nog’ en ‘Oude man met varken’. Op onze blog kun je de gedichten en de toelichting van de dichteressen lezen. 

Op de blog van Septentrion kun je terecht voor herinneringen aan Hugo Claus, een overzicht van zijn werk in Franse vertaling en een selectie van de beste Septentrion-artikelen over Claus. Ook bij The Low Countries vind je een mooi portret van Claus de Kameleon en een paar verzen in vertaling.

Bovenaan op deze pagina staat een reeks foto’s uit het beeldarchief van Ons Erfdeel vzw. Hugo Claus was een graag geziene gast o onze evenementen, zoals je uit die foto’s kunt opmaken. Adjunct-hoofdredacteur Dirk Van Assche herinnert het zich nog levendig: “Ik heb het geluk gehad Claus verschillende keren te ontmoeten en zelfs drie dagen met hem door het land te rijden op weg naar een door Ons Erfdeel georganiseerd evenement. Claus was de meeste charmante persoon die ik ooit heb ontmoet. Ik hielp hem in zijn huis in de Lange Lozanastraat om zijn kat de tuin in te jagen, hielp hem na een lange rit om uit de wagen te stappen, want zijn rug deed hem pijn, zag zijn podiumvrees voor hij in de Pacificatiezaal in Gent enkele gedichten moest voorlezen en hoorde hem daarna met grote presence en prachtige stem die gedichten voorlezen, alsof publiek en podium geen enkele invloed op hem hadden.”

 

Hierna volgt een bibliografisch overzicht van het belangrijkste dat Ons Erfdeel in de loop der jaren over Claus heeft gepubliceerd. Dat is heel wat (de zoekopdracht ‘Hugo Claus’ geeft 82 resultaten), dus hebben we de stukken opgedeeld per thema of genre (oeuvrestuk, recensie, Claus-studie... ) en titel van het gerecenseerde werk. Alle artikelen zijn online te lezen. 

 

Claus als dichter

“Hij is een van die zeldzame dichters die grootse verzen heeft afgeleverd waarin vaak een zwakke, soms lullige regel voorkomt. Je moet een groot dichter zijn om daarmee weg te geraken”, schrijft Luc Devoldere op onze blog. 

’s Mans dichterlijke oeuvre is uitgebreid behandeld in Ons Erfdeel. Anton Korteweg en Paul Claes hadden beiden een tijdlang een poëziekroniek in het tijdschrift, respectievelijk Het oog van de dichter en De Sleutel. Allebei bespraken ze een gedicht van Claus: Korteweg schreef over ‘In het museum van Chicago I’, naar het schilderij De heilige Hieronymus van Joachim Patinier, en Claes analyseerde ‘De ingewijde’

Claus-kenner Georges Wildemeersch, die onlangs nog Familiealbum publiceerde (De Bezige Bij, 2018) over de rol van familie in het leven en werk van de auteur, schreef voor Ons Erfdeel ooit een essay over de rol van de dode geliefde in het poëzie-oeuvre van Claus. Dat stuk vind je hier.

In 1989 pleitte Dirk De Geest voor eerherstel voor de recente poëzie van Hugo Claus: “Voortdurend neemt de dichter, in zijn verzen, afstand van zijn eigen emoties en zijn vroegere droombeelden, door middel van een distantiëring die zowel mild zelfkritisch als luidruchtig protesterend of genadeloos parodiërend kan zijn. Door die relativerende toon wordt het mogelijk om de eigen kwetsbaarheid en eindigheid onder ogen te zien, en tegelijk wapent het dichterlijke ik zich tegen elke illusie van absolute zingeving of de dogmatische boodschap van de bezadigde, tot inzicht gekomen ‘ouderling’.” Lees hier De Geests integrale pleidooi.

En al in 1967 ondernam Eric Standaert een zoektocht naar “een vrouw” in Claus’ erotische poëzie. Lees dat stuk hier.

Daarnaast zijn er nog een paar dichtbundels van Claus besproken:

Wreed geluk (1999): “De werkelijkheid, de werkelijkheid überhaupt, de dieperliggende werkelijkheid respectievelijk de onderliggende gedachte - zij en wij kunnen haar missen als kiespijn.”

Oktober ’43 (1998) - gedichten bij foto’s van Rik Selleslags

Gedichten 1948-1993 (1994): in deze uitgebreide recensie van Claus’ verzamelde poëzie, karakteriseert Hugo Brems ’s mans verzen als “weigerliedjes”.

De sporen (1993): “wat de poëzie van Claus zo fascinerend maar ook zo onvatbaar en voor tal van lezers zo irriterend maakt, is in deze bundel volop aanwezig. Een kijk op de wereld die tegelijk lucide en vervreemdend is, kleurrijk en ontluisterend, aangrijpend en vrijblijvend. Hoeveel verlies en aftakeling er in deze gedichten ook mogen zijn, de wereld blijft een foorkraam.”

Alibi (1985)

 

Claus als romancier

In zijn essay Bloedworst en kaas greep Kees Fens het oeuvre van Hugo Claus aan om het te hebben over het verschil tussen de Nederlandse literatuur en  “veel meer aan de oppervlakte van de aarde liggend Vlaams proza en poëzie”. Daarbij verwijst hij naar de schok die hij voeld na de eerste alinea van De Metsiers, Claus’ romandebuut: “De schok van het andere dat toch bekend is.”

Lees hier Fens’ essay en hieronder de recensies van heel wat overige Claus-romans:

Onvoltooid verleden (1998): “Hugo Claus heeft het ’m weer geflikt.”

De geruchten (1996): “Het unieke van zijn werk, ook van De geruchten, is nu juist dat kritiek en mededogen elkaar op volstrekt overtuigende wijze in evenwicht houden.”

Belladonna (1994): “Laat Claus ver buiten het bereik van de schijnwerpers in godsnaam niet enkel gaan genieten van zijn ongetwijfeld welverdiende rust, laat hem nog veel van zulke boeken schrijven. En die Nobelprijs, ach, wat kan het schelen.”

Een zachte vernieling (1988): “Zelfs voor de cryptogramliefhebbers heeft deze zo romantische roman dus nog iets in petto: puzzelgenot.”

Het verdriet van België (1983): een oedipale recensie. Volgens de auteur staat dit motief centraal in het hele werk van Claus. In Het verdriet van België is geen van de mannen los van de moeder, en de moeders zorgen er wel voor dat zij niet los kunnen komen. Claus’ magnum opus kwam ook aan bod in een essay van Marc Reynebeau over de historische beeldvorming in romans van Claus, Boon en Van den Broeck. 

Schaamte en Het jaar van de kreeft (1972): “Het jaar van de kreeft is één der interessante momenten van onze huidige letteren.”

 

Claus als toneelauteur

Verrassend misschien, maar Ons Erfdeel blijkt Claus het best te hebben gevolgd als toneelauteur, toch zeker wat aantal artikelen betreft. “In het theaterwerk van Hugo Claus vervaagt de scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid”, schreef G.F.H. Raat in een overzichtsartikel, waarin hij vaststeld dat zelfs in zijn realistisch ogende werken de niet-realistische tendensen niet mogen worden veronachtzaamd. Raat pleitte ook voor een grondige studie van het dramatische werk van Claus. Lees zijn stuk hier.

Hieronder volgt een lijstje van stukken waarbij Claus betrokken was met link naar de Ons Erfdeel-artikelen, van het schandaalstuk Masscheroen en het onlangs op kritiek gestoten Het leven en de werken van Leopold II naar bewerking als Macbeth en Orestes tot klassiekers als Vrijdag en Suiker.

  • De eieren van de kaaiman; De verlossing; Visite / Winteravond (1995, 1996 en 1991): drie keer eigen werk.
  • Claus in Amersfoort (1991): Het eerste Cultureel Festival Amersfoort stond in het teken van Hugo Claus, met onder meer de première van Richard Everzwijn (naar Richard III van William Shakespeare). “Amersfoort is de geschiedenis ingegaan als de eerste stad die Hugo Claus zo breed in de schijnwerpers heeft gezet.” 
  • Gilles! (1988): een 2,5 uur durende monoloog voor Jan Decleir
  • Blindeman en In kolonos (1985 en 1986, tweede stuk is bewerking van Sofokles): “Hugo Claus blijft in de greep van Oedipus. Of moeten we eigenlijk zeggen: behoudt zijn greep op Oedipus? Hij blijft het thema immers kneden en modelleren naar zijn eigen inzichten en obsessies. (...) Blindeman is barok, spectaculair, grof en meeslepend. In Kolonos is sober, ingetogen en sacraal. Langs totaal verschillende wegen wordt in beide produkties de antieke stof omgezet in fascinerend, hedendaags theater.”
  • Phaedra (1980), een Seneca-bewerking.
  • Macbeth (1979), naar Shakespeare.
  • Jessica (1977): eigen stuk, zelf geregisseerd.
  • Pas de deux en Claustrofobie (1973): “Meer dan Pas de deux is Claustrofobie de ontmoeting met ‘de spelende mens Claus’, een speler, die de ernst van zijn tijd door de magische kracht van klank en beeld tracht te overleven.”
  • Orestes (1976), naar Euripides.
  • Thuis (1975), eigen werk.
  • Blauw blauw (1973), naar Private Lives van Noël Coward.
  • Interieur (1971), eigen bewerking van zijn roman Omtrent Deedee (1963)
  • Het leven en de werken van Leopold II (1970): eigen werk, “een ‘spektakulaire’ mislukking.”
  • Vrijdag (1969): eigen werk, “een hoogtepunt.”
  • Vrijdag en De Spaanse hoer (1969 en 1970), eigen werk en bewerking van een 15de-eeuws Spaans stuk van Fernando de Rojas: Celestina
  • Tand om tand (1970), eigen werk.
  • Masscheroen (1967): dit stuk, waarvoor Claus een proces aan zijn been kreeg omdat hij naakte mannen opvoerde, kwam twee maal ter sprake. Hier (“Zoals naar gewoonte zal Claus met deze uitlatingen tal van mensen op de tenen hebben getrapt. Wie leeft zal zien”) en hier (“zijn anti-stuk Masscheroen heeft hem voorlopig de das om gedaan, want de goede zeden en de moraal gaan boven alles!”).  
  • Thyestes (1966): Seneca-bewerking, kwam twee keer aanbod. Hier en hier.
  • De dans van de reiger (1962): voor dit stuk kreeg Claus in 1967 de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelliteratuur, net als zeven jaar eerder voor Een bruid in de morgen, zes jaar later voor Vrijdag en twaalf jaar later voor Jessica.
  • Suiker (1958), eigen werk.
 
Claus als beeldend kunstenaar

Niet alleen als schrijver, maar ook als beeldend kunstenaar was Claus actief, zoals ook blijkt uit het onlangs verschenen boek Nieuwe tekeningen en gedichten (De Bezige Bij, 2018). Dertig jaar geleden recenseerde kunstcriticus Ludo Bekkers het monumentale boek Beelden, een overzicht van Claus’ plastische oeuvre. Bekkers noemde dat “soms wild en brutaal, soms gewild plagiërend, soms gekunsteld, soms heel teder. Een duivelskunstenaar die gevaarlijk intelligent te werk gaat om zijn publiek niet zozeer te misleiden dan wel voor zich te winnen, al beweert hij het tegenovergestelde”.

Lees het stuk hier.

 

Claus als brievenschrijver

“Hugo Claus wás al een alleskunner, nu blijkt hij ook nog een verdienstelijke brievenschrijver”, schrijft Cyrille Offermans in een recensie van twee brievenboeken: ‘Laat nooit deze brief aan iemand lezen.’ De briefwisseling tussen Hugo Claus en Simon Vinkenoog 1951-1956 (De Bezige Bij, 2008 en Brieven 1947-1962.  Hugo Claus & Roger Raveel (Ludion, 2007).

Lees het stuk hier.

 

Claus in vertaling

Het werk van Hugo Claus is veelvuldig vertaald. In Ons Erfdeel verschenen stukken over de Franse en Poolse vertalingen van respectievelijk zijn theater en zijn poëzie.

 

Claus-studies

Van een auteur die een eigen Studie- en Documentatiecentrum heeft, verwondert het niet dat er vele studies over hem zijn gepubliceerd. Ons Erfdeel besprak er verschillende: 

  • Hugo Claus. De jonge jaren (Polis, 2015) van Georges Wildemeersch (recensie); 
  • De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek (De Bezige Bij, 2013) onder redactie van Kevin Absillis, Sarah Beeks, Kris Lembrechts & Georges Wildemeersch, De Bezige Bij (recensie)
  • De mot zit in de mythe. Hugo Claus en de Oudheid (De Bezige Bij, 1984) en Claus-reading (Manteau, 1984) beide van Paul Claus (recensie)
  • Hugo Claus of Oedipus in het paradijs van Georges Wildemeersch (recensie)

 

Claus en de film

Hij schreef oorspronkelijke scenario’s, bewerkte zijn eigen romans en toneelstukken tot films én nam zelf ook plaats in de regisseursstoel. De films waarin Claus een hand had, zijn meermaals aan bod gekomen in Ons Erfdeel:

 

Claus in de herinnering

In de 60ste Ons Erfdeel-jaargang (2017) publiceerde Ludo Simons twee uittreksels uit zijn Autobiografisch Letterkundig Lexicon. Eén lemma was aan Hugo Claus gewijd:

Claus zag ik voor het eerst op de begrafenis van Streuvels in Ingooigem, in 1969. Na de première van Mira, in maart 1971, was er een diner in de Villa Lorraine, op uitnodiging van Paul Vandenbussche, de toenmalige baas van de omroep, en Jan François, Streuvels’ uitgever. Omdat we snoek aten, maakte ik een ongepast woordspelinkje. Maar Claus zei die naam niets. Ik kon mijn faux pas goedmaken als voorzitter van de jury die hem in 1986 de Prijs der Nederlandse Letteren toekende. Zoals bekend was het verschijnen van Het verdriet van België in 1983 niet geheel onopgemerkt voorbijgegaan; in elk geval liet Walschap een van zijn bijdragen voor Dietsche Warande & Belfort, die hij altijd bij mij in de bus kwam stoppen, vergezeld gaan van een briefje met de woorden: “Er is, als ge ’t nog niet zoudt weten, een magnum opus verschenen: ‘Het verdriet van België’.” Voor de jury was de bekroning van Claus dan ook vanzelfsprekend; voor Hubert Lampo helaas niet, maar dat hebben we later uitgepraat, toen ik in 1992 enigszins gehavend uit Johannesburg was teruggekomen. In 1999 verscheen onder de titel Als een oude Germaanse eik een boek waar Streuvels niet goed uitkwam. Claus was er niet over te spreken. Even later zat in onze brievenbus een dik pak, door hemzelf besteld, want hij woonde toen net om de hoek, nog dichterbij dan Walschap. Het bevatte twee lijvige manuscripten, de eerste en de tweede versie van het scenario voor de verfilming van De vlaschaard. Er zat ook een briefje bij: “Amice, indien je bezwarend materiaal nodig hebt om Ku Klux Klan-Speliers te honen, zul je misschien een paar adekwate adjectieven vinden in bijgaande antikwarische tekst.” Met als postscriptum: “Dit cadeau geef ik mezelf en dus jou op mijn verjaardag, vandaag.” We schreven 5 april van het jaar 2000.

 

Claus postuum

In 2011, drie jaar na Claus’ dood, publiceerde zijn biograaf Mark Schaevers onder de titel De wolken een selectie teksten “uit de geheime laden van Hugo Claus” (De Bezige Bij). G.F.H. Raat schreef er voor Ons Erfdeel een recensie over: “niet het leven van alledag, waarin hij contact had met andere mensen en vaak een pose aannam, was primair in zijn bestaan. Dat was “de zelfgekozen eenzaamheid” (p. 273), ook aangeduid als “een bijna morbied eenzaamheidsbesef” (p. 71), die hij in andere kunstenaars herkende en waarin hij zelf zijn imposante literaire oeuvre schiep.”

Ook in 2018, tien jaar na zijn dood, ziet heel wat Claus-gerelateerd werk het licht. Een deel daarvan zal dit jaar ongetwijfeld nog bod komen in deze Ons Erfdeel-jaargang. En over een jaar of vijf zou Mark Schaevers zijn biografie van de schrijver af moet hebben.

Wordt vervolgd.