Leonard Nolens in Ons Erfdeel

 

 

Dichter Leonard Nolens (Bree, 1947) krijgt een eredoctoraat van de Universiteit Gent. Ter gelegenheid daarvan vind je op deze pagina een overzicht van alle artikelen die sinds 1978 over Nolens’ werk zijn verschenen in Ons Erfdeel. Op één na kun je alle teksten online lezen.

Ambitie en intimiteit

“Wie ben ik in welke mensen? Die vraag wordt keer op keer, in allerlei variaties, gesteld in de poëzie van Leonard Nolens.”

Ad Zuiderent bespreekt Balans, Nolens’ recentste bundel in Ons Erdeel 2/2018 

 

Een drievoudige ontwenningskuur

Nolens is na de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren bepaald niet op zijn lauweren gaan rusten. Integendeel. Met Opzichtige stilte heeft hij opnieuw blijk gegeven van zijn meesterschap in existentieel bodemonderzoek.

Ad Zuiderent recenseert Opzichtige stilte (2014). Lees de volledige bespreking hier.

 

Geen noten op onze zang

Behalve een romantische lyricus, een erudiete estheet en een lichtelijk exhibitionistische navelstaarder is Leonard Nolens (1947) de laatste jaren ook een geduchte moralist geworden, die zich vlijmscherp en retorisch effectief uitlaat over het gebrek aan beschaving dat onze samenleving in toenemende mate kenmerkt.

Piet Gerbrandy bespreekt Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011). Hier vind je zijn recensie.

 

Gestalte geven aan de vluchtigheid

Gisterenavond heb ik met mijn geliefde lang zitten praten over het dagboek van Nolens, mijn worsteling ermee, mijn fascinatie, de wijze waarop het mij tot weerwoord prikkelt en mij ertoe aanzet mij opnieuw rekenschap te geven van mijn leven en schrijven. (...) Ik dronk te veel, sliep te weinig, en schreef dit stuk vanmorgen in één vloeiende beweging.

Piet Gerbrandy schrijft een weerwoord op het dagboek van Leonard Nolens. Lees hier de volledige tekst.

 

Een meervoudige persoonlijkheid in zijn tijd

Bres is in het toch al zo rijke oeuvre van deze dichter een indrukwekkend hoogtepunt.

Ad Zuiderent bespreekt Bres (2007). Volledige tekst hier.

 

Liefdesgedichten van Leonard Nolens

Zijn grootheid als liefdesdichter blijkt juist hieruit dat hij erin slaagt het ene gedicht van dicht op de huid te schrijven en in het andere op afstand te reflecteren op het verschijnsel liefde.

Ad Zuiderent recenseert Een fractie van een kus (2007). Volledige tekst hier.

 

Portret van de dichter als Antwerpen

Grote romantische thema's in een eenentwintigste-eeuwse verpakking liggen ook in deze bundel verankerd zoals blijkt uit deze omschrijving van zijn kerntaak als dichter: ‘Het echte werk is in mijn ogen en handen / Een warmbloedige manier van omgaan met leegte’ en ‘(...) het echte werk, / Dat is handenwringend heimwee.’

Joris Gerits bespreekt Een dichter in Antwerpen en andere gedichten (2005). Recensie hier.

 

Meer dan één dichtbundel

Leonard Nolens is in de wij-vorm op zoek naar de maatschappelijke rol die hij als persoon en dichter in de laatste helft van de twintigste eeuw speelde. Op een bezwerende wijze laat hij tussen al die vragen de identiteitsvraag steeds weer terugkeren.

Hans Groenewegen recenseert Derwisj (2003).

 

Kan men bestaan dankzij de verzen van Nolens?

Werkelijke introspectie en subjectiviteit krijgen, bij voldoende precisie en eerlijkheid, een algemene glans. Zo schept Nolens dus, met zichzelf, ook ons.

Marjoleine de Vos bespreekt Manieren van leven (2001).

 

Van levens die voorbijgaan

Het voorbijgaan van de tijd en van mensen voedt Nolens' inmiddels beroemde melancholie.

Dietlinde Willockx bespreekt Voorbijganger (1999)

 

Spiegelgevecht met zichzelf

Op die manier construeert Nolens met verve een portret van zichzelf als romantisch dichter bij wie het uitsluitend om het hoogste en het laagste gaat: leven, dood en zichzelf.

Frank Hellemans leest Een lastig portret. Dagboek 1994-1996 (1998).

 

De vrek van Missenburg

Nolens' overpeinzingen, die altijd eerlijk zijn - zonder daarom exhibitionistisch over te komen (een euvel waaraan sommige andere dagboekschrijvers in het Nederlandse taalgebied, ik denk aan Hans Warren, zich bezondigen) - bereiken vaak een genadeloze diepgang en zijn op een zeldzaam heldere wijze geformuleerd.

Recensie van Nolens' Dagboek 1990-1993 (1995) door Pascal Cornet.

 

Voor één minuut poëzie

Nolens’ werk heeft veel, zo niet alles aan een oerpijn te danken, die de meesten zo goed mogelijk verdringen, maar die voor hem de onuitputtelijke bron van zijn poëzie is.

Ed Leeflang bespreekt Honing en as (1994).

 

Kom en raak mij aan / Ik wil weer eenzaam zijn

Wie zoveel stijl op zo'n indrukwekkende wijze vermag te demonstreren, verdient de hoogste literaire onderscheidingen. En voor de psychologische, filosofische en existentiële diepgang van zijn werk mag Leonard Nolens voor mijn part gerust ook nog eens de Staatsprijs voor het essay krijgen.

Naar aanleiding van Hart tegen hart. Gedichten 1975-1990 overschouwt Dirk De Geest het oeuvre van Nolens tot en met de bundel Tweedracht uit 1992.

 

Blijvend vertrek

Het compromisloze zoeken naar de eigen identiteit en naar de ‘ideale’ vorm gebeurt met een consistentie en met een absoluutheid die alleen aan ‘de groten’ is gegeven.

Anne Marie Musschoot bespreekt Nolens’ Dagboek 1983-1989.

 

Van Dover naar Calais en terug

Nolens hanteert de paradox als een instrument voor een bijna psychiatrische zelfanalyse, tot er van hemzelf niets meer overblijft.

In een essay over poëzie staat Herman de Coninck lang stil bij Nolens’bundel Liefdes verklaringen.

 

Liefdes verklaringen

Nolens schrijft, ook in zijn laatste bundel Liefdes verklaringen, zware en nadrukkelijke, pathetischbezwerende, expansieve belijdenispoëzie. Maar zijn retoriek heeft een vaste vorm, een beheerste, trefzekere toon gevonden en vertoont een toenemend vakmanschap. (...) Aan de authenticiteit van deze dichter zal niemand meer twijfelen.

Anne Marie Musschoot bespreekt Liefdes verklaringen.

 

Het dagboek van de dichter

De dagboeknotities van Nolens vormen een zeldzaam ‘document humain’. Niet alleen als achtergrond waartegen de betekenis van de poëzie wordt verhelderd, maar ook als zelfstandig journaal onthullen ze in gestileerde vorm de uitzonderlijke diepte van het innerlijke leven van de schrijver.

Anne Marie Musschoot recenseert Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982.

 

Geboortebewijs

Het samen-zijn met, het versmolten-zijn met de geliefde betekent een bevrijding uit het alleen-zijn, uit de ‘alleenspraak’, waardoor de noodzakelijke drang tot schrijven op een verborgen plek en als ‘teruggetrokken enkelvoud’, evenwel niet wordt opgeheven.

Anne Marie Musschoot bespreekt de bundel Geboortebewijs uit 1988.

 

‘Het is belangrijk dat ik onbelangrijk blijf’

Aan deze poëzie ligt een fundamenteel pessimistische levensvisie ten grondslag. Het bestaan van het lyrische ik is een niet-bestaan, een leegte die steeds opnieuw moet worden ingevuld.

Anne Marie Musschoot presenteert de poëzie van Leonard Nolens in 1987.

 

Bezielde retoriek

De poëzie van Nolens komt over als een doorleefde, bezielde retoriek, een met overgave inspreken op de lezer en op zichzelf. Deze poëzie is eerder de poëzie van een sprekende, bezwerende, klagende stem, dan die van een vorm.

Hugo Brems bespreekt Hommage (1981).

 

Kraai dat lichaam tot een lamp!

De wereld zoals hij zich aan de dichter voordoet, vervult hem met walg. Vooreerst zijn er de konventionele, dode en onbevredigende bestaansvormen die zijn mogelijkheden beperken, zijn kreativiteit bedreigen en waarmee hij zich onmogelijk kan vereenzelvigen; (...) Tevens ervaart hij de drukkende last van traditie en kultuur.

Frans Deschoemaeker bespreekt Incantatie (1977).