Geschiedenis van de Nederlandse literatuur

Begin 2017 is Ongeziene blikken verschenen, een boekje met nabeschouwingen bij de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur van de Nederlandse Taalunie, uitgevoerd onder leiding van Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom. In dit werk blikken de hoofdredacteuren terug op dit al in 1997 groots opgezette en nu voltooide project.

Eind 2016 was ook al De weg naar het binnenland verschenen, het deel over de literatuur van de achttiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden, geschreven door Tom Verschaffel.

Alle delen zijn kort na het verschijnen gerecenseerd in Ons Erfdeel, en nu de reeks compleet is, neemt Matthijs de Ridder de hele Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur nog één keer uitgebreid onder de loep in Ons Erfdeel 4/2017.

Hierna volgt een overzicht van de Ons Erfdeel-recensies. Ze zijn online te lezen.

DEEL 1A: FRITS VAN OOSTROM – STEMMEN OP SCHRIFT (BEGIN TOT 1300)

Besproken in Ons Erfdeel 5/2006. Jürgen Pieters heeft het in zijn recensie over het tweevoudig takenpakket van de literatuurhistoricus, die tegelijk vooruit en achteruit moet kijken, die als wetenschapper op vernieuwing gericht is en als monumentenverzorger op het verleden. Van Oostrom slaagt daar overduidelijk in: zijn werk “getuigt van [zo een] ‘prudente’ aanpak. Hij is gefascineerd door de vraag hoe het in het verleden daadwerkelijk was, dat spreekt voor zich. Maar tegelijk is hij bekommerd om de vraag wat dat verleden vandaag en morgen nog te betekenen heeft.” Stemmen op schrift is “een naslagwerk dat hoofd en hart tegelijk aanspreekt.” De volledige recensie is hier te lezen.

DEEL 1B: FRITS VAN OOSTROM – WERELD IN WOORDEN (1300-1400)

Besproken in Ons Erfdeel 3/2013. Wim Blockmans schrijft: “Van Oostrom is een meesterlijke verteller die de lezer steeds geboeid houdt door hem zoveel mogelijk te betrekken bij de ontstaansgeschiedenis van een tekst, de inhoud of verhaalstof, de verspreiding en het gebruik, de overlevering, de literaire vondsten van de Nederlandstalige bewerkers en het voortleven in latere eeuwen.” Het tweede deel van de middeleeuwse literatuurgeschiedenis besteedt daarnaast veel aandacht aan de veranderende literaire context. De volledige recensie is hier te lezen.

DEEL 2: HERMAN PLEIJ – HET GEVLEUGELDE WOORD (1400-1560)

Recensie in Ons Erfdeel 1/2008. “De titel van dit boekdeel verwijst naar het vluchtige en alomtegenwoordige karakter van literatuur in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stad, maar typeert ook Pleijs barokke en vaak hilarische stijl waarbij losbandige stadsklerken, pathetische kluizenaressen en scheldende pastoors over elkaars voeten struikelen”, schrijft Anne-Laure Van Bruaene. Pleij laat zien hoe de laatmiddeleeuwse literatuur “heel vaak een carnavaleske omkering of groteske aandikking van de werkelijkheid [is] en altijd een uitvergroting.” De volledige recensie is hier te lezen.

DEEL 3: KAREL PORTEMAN & MIEKE B. SMITS-VELDT – EEN NIEUW VADERLAND VOOR DE MUZEN (1560-1700)

Besproken in Ons Erfdeel 4/2008. “De auteurs koesteren de minor poet, de lokale dichter de man of vrouw van één enkele bundel, en laten zien hoe ook deze kleine dichters nauw vervlochten zijn met het literaire bedrijf. Hun boek toont het belang van culturele netwerken, waarin uiteindelijk de grote auteurs, zoals Vondel en Huygens in het Noorden, en Adriaen Poirters in het Zuiden, de verbindende schakels vormen. Gevolg is wel dat dit deel van de literatuurgeschiedenis enorm overladen is”, zegt René van Stripriaan. Dat is volgens de recensent echter een onvermijdelijk gevolg van de indeling van de reeks: de middeleeuwse literatuur beslaat drie delen, terwijl de “qua productie veel omvangrijkere bloeiperiode van de renaissance, barok en het classicisme in één deel bij elkaar” geplaatst is. De volledige recensie is hier te lezen.

DEEL 4 (I): INGER LEEMANS, GERT-JAN JOHANNES, JOOST KLOEK - WORM EN DONDER (1700-1800: DE REPUBLIEK)

Recensie in Ons Erfdeel 3/2014. Joep Leerssen noemt dit boek “een van de meest geslaagde delen van de ambitieuze reeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur”. Leemans en Johannes zorgen voor een eerherstel van de achttiende eeuw, die tot nu toe in ons taalgebied onder een suf imago leed. Geen stijve pruikentijd, maar een tijd “die bol staat van de politieke en religieuze conflicten, een eeuw van tijdschriften, zelfbewuste vrouwen, pedagogische idealen, goedkope recycling van het Grote Vaderlandse Verleden, intellectuelen en publiekspooiers, sentimenten en satires”. De volledige recensie is hier te lezen.

DEEL 4 (II): TOM VERSCHAFFEL – DE WEG NAAR HET BINNENLAND (1700-1800: DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN)

Wordt uitgebreid behandeld in Ons Erfdeel 1/2017 (februari). Jo Tollebeek situeert het boek van Verschaffel in de hele reeks: “Nu De weg naar het binnenland is verschenen (...) is de grote, door de Taalunie in 1997 opgezette Geschiedenis van de Nederlandse literatuur compleet. Deze reeks vormt de indrukwekkende getuigenis van een cultuur die niet schroomt haar hele literaire geschiedenis in één beweging te overzien. Maar waarom doet die cultuur dat? En hoe behandelt Verschaffel de literatuur uit die eeuw – een nauwelijks ontgonnen onderwerp over een cultuurperiode die altijd als een ‘schrale tijd’ is ervaren en gebrandmerkt (ook al in de achttiende eeuw zelf)?” Hier kun je het stuk van Jo Tollebeek lezen.

Joep Leerssen van zijn kant schrijft een diepgravende, lovende recensie: “Al bij al is dit een historische cultuursociologie aan de hand van letterkundig materiaal, en de auteur hanteert daarbij een open blik naar alle mogelijke invalshoeken en zichtlijnen. Meertaligheid, gebruik van Frans en Latijn? Check. Persoonlijke of intellectuele contacten met de letterkunde uit andere landen? Check – met name de invloed van Boileau’s poëtica is een hoogstandje. Toneelkunst, al dan niet in formele schouwburgen? Check. Culturele genootschappelijkheid? Check. Tijdschriften? Check. Het wordt allemaal in beeld gebracht met de stijl die we van deze historicus gewend zijn: gedetailleerde historische feitenkennis, vermogen tot synthese, en een genuanceerd, soepel, soms ironisch-lichtvoetig proza. Het resultaat is een meesterwerk; nooit eerder waren de Zuid-Nederlandse letteren van de achttiende eeuw zo omvattend, onder hun eigen voortekenen en met empathie over het voetlicht gebracht.” Lees hier de recensie van Joep Leerssen.

 
DEEL 5: WILLEM VAN DEN BERG & PIET COUTTENIER – ALLES IS TAAL GEWORDEN (1800-1900)

Besproken in Ons Erfdeel 4/2009. De auteurs van Alles is taal geworden hebben zich tot doel gesteld om “het beeld van stoffige huisvlijt, dorrig gemoraliseer en nationalistisch geschmier” van de negentiende eeuw duchtig bij te werken. Volgens Geert Buelens zijn ze daar echter niet voldoende in geslaagd. Vooral de traditionele aanpak van Van den Berg die “angstvallig dicht bij de canon” bleef, wordt door Buelens bekritiseerd. Het oordeel over de hoofdstukken van Piet Couttenier is positiever, maar in het algemeen is Alles is taal geworden “al te zelden een boek waarin een nieuwe visie op de literatuur wordt geboden.” De volledige recensie is hier te lezen.

 
DEEL 6: JACQUELINE BEL – BLOED EN ROZEN

Besproken in Ons Erfdeel 3/2016. Hans Vandevoorde is erg kritisch over dit deel: “Is het in Bloed en rozen van Bel al kommer en kwel? Laten we opsommen wat er wel is: veel aandacht voor triviaalliteratuur en tendensliteratuur, voor terecht vergeten romans en gedichten, en vooral heeft Bel een zwak voor oorlogen: de Boerenoorlog, de Eerste Wereldoorlog, de Russische Revolutie, de Spaanse Burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog. Misschien was oorlog het beste indelingscriterium geweest voor deze literatuurgeschiedenis.” De volledige recensie staat hier.

 
DEEL 7: HUGO BREMS – ALTIJD WEER VOGELS DIE NESTEN BEGINNEN (1945-2005)

Verschenen in Ons Erfdeel 4/2006. Met de titelkeuze Altijd weer vogels die nesten beginnen maakt Brems de cirkel rond. De Nederlandse literatuur “blijkt een literatuur te zijn die steeds weer wordt opengebroken, waarin nieuwe schrijvers en dichters zich afzetten tegen hun voorgangers - zonder dat de literatuur zelf eronder bezwijkt.”  Hoewel Arnold Heumakers enkele omissies en keuzes in het werk van Brems bekritiseert, valt zijn eindoordeel positief uit. Bovendien merkt hij terecht op dat “de meest recente literatuur zich het moeilijkst in kaart laat brengen, de historicus is nog te zeer een tijdgenoot.” De volledige recensie is hier te lezen.

Referenties:

  • Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 640 p.
  • Frits van Oostrom, Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1300-1400), Bert Bakker, Amsterdam, 2013, 656 p.
  • Herman Pleij, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1400-1560), Bert Bakker, Amsterdam, 2007, 960 p.
  • Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1560-1700), Bert Bakker, Amsterdam, 2008, 1.054 p.
  • Inger Leemans, Gert-Jan Johannes, Joost Kloek, Worm en Donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1700-1800: de Republiek), Bert Bakker, Amsterdam, 2013, 816 p.
  • Tom Verschaffel, De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden), Bert Bakker, Amsterdam, 2016, 332 p.
  • Wim van den Berg & Piet Couttenier, Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900, Bert Bakker, Amsterdam, 2009, 833 p.
  • Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 792 p.
  • Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom, Ongeziene blikken. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur: nabeschouwingen, Bert Bakker, Amsterdam, 2017, 96 p.