Mark Insingel in Ons Erfdeel

Op 3 mei 2015 is Mark Insingel tachtig geworden. In Ons Erfdeel 2/2015 schrijft Lars Bernaerts een uitgebreid artikel over het oeuvre van deze Vlaamse dichter. Op deze webpagina brengen we alles bijeen wat in de loop der jaren over Mark Insingel is gepubliceerd. Alle artikelen zijn online te lezen.


“In lussen gevat. Het oeuvre van Mark Insingel”

(Lars Bernaerts in Ons Erfdeel 2/2015)

Zeggen dat deze of gene literaire auteur een unieke stem heeft, is niet alleen een cliché, het is ook een pleonasme, misschien zelfs een tautologie. Wat is een auteur? Iemand met een unieke schriftuur. Hoe noem je iemand met een eigen schriftuur? Een auteur. Voor Mark Insingel (Mark Donckers, °1935) is zo’n clichématige cirkelredenering niettemin perfect op haar plaats. Insingel heeft een unieke stem in de Nederlandse literatuur, en bovendien berust die eigenheid voor een groot deel in het consequente gebruik van circulariteit als esthetisch principe en in de bewerking van clichés. Ik voeg er een al te waar cliché aan toe: het werk van Insingel heeft nog onvoldoende aandacht gekregen. Wie zijn werk leest, bekijkt of beluistert, merkt niettemin meteen hoe het de aandacht op een aparte, begeesterende manier in lussen weet te vangen.

Hier kun je de volledige tekst van Bernaerts lezen.


Anders dan de dood. Liefdesgedichten van Mark Insingel

(Bart Van der Straeten in Ons Erfdeel 4/2007)

In zijn recensie van de bundels Iets en Niets stelt Van der Straeten dat

“vormvastheid en emotionele diepte elkaar niet hoeven uit te sluiten, integendeel zelfs: dat een uitgepuurde vorm, wars van enig sentiment, de emotie extra krachtig uit de verf laat komen. Op zijn beste momenten schrijft Insingel fundamentele poëzie op leven en dood (…)”.

De volledige tekst vind je hier.

 

Uit de omsingeling

(Paul Demets in Ons Erfdeel 5/2001)

Demets bespreekt Gezichten, een bundeling van dertig jaar Insingel-poëzie. Hij noemt 's mans verzen ... 

“een ingehouden protest tegen uniformiteit en tegen de verknechting van de taal”

... en oordeelt dat bij deze dichter poëzie beeldende kunst wordt. Demets' integrale recensie staat hier.

 

De druiven die te hoog hangen

(Mark Maes in Ons Erfdeel 1/1995)

Uit deze bundel blijkt volgens de recensent dat bij Insingel onder een schijnbare wiskundige koelheid heel wat emotie gloeit:

“Het originele van Insingels poëzie is immers het blootleggen van zeer herkenbare, in een andere context wellicht banaal-gênante, menselijke verhoudingen door op een beperkte woordenvoorraad – een soort Basic Dutch – een aantal taaloperaties uit te voeren: voortdurende minimale verschuivingen, woord en wederwoord, stelling en vraagstelling, paradox en schijnbaar vicieuze cirkel. Door deze typische Insingeliaanse automatismen worden de dagelijkse taal en situaties plotseling nieuw, wordt het bekende verwondering, wordt de banaliteit gedeautomatiseerd (…)”.

Lees hier de volledige tekst.

 

Mark Insingels ‘De een de ander’

(Mark Maes in Ons Erfdeel 2/1992)

Bespreking van een prozaboek van Insingel dat op het eerste gezicht sterk afwijkt van zijn andere, meer experimentele werk. Maar dat is slechts schijn, schrijft Mark Maes:

“Het is zo toegankelijk en alles erin lijkt zo levensecht; het zijn ruim twintig portretten van onmiskenbaar West-Europese, ja Vlaamse kleine burgers (...) ‘Haar leven was als een schrift waarin al zo lang alles opgetekend was’, heet het in een van de stukken. En dan blijkt dat dit boek eigenlijk veel minder verschilt van het vorige werk van Insingel (…) Uit het citaat blijkt immers dat de overeenkomst tussen al deze portretten de moeilijkheid is om de voorgeschreven levenspatronen te ontsnappen om een autonomie manier van leven te ontwikkelen. Dat is vooral moeilijk voor de generatie van net vóór de jaren zestig, toen ineens alles mogelijk werd. Deze generatie krijgt in dit boek gestalte.”

De volledige recensie staat hier.

 

Mark Insingel: gedichten verzameld

(Geert Van der Speeten in Ons Erfdeel 4/1990)

Van der Speeten omschrijft in zijn recensie van Insingels verzamelde werk 's mans stilistische principe als het "liefdevol in elkaars armen laten rusten van taalfragmenten": 

“Hij brengt ze met elkaar in verband, wikt en weegt ze, vergelijkt ze, verandert ze in hun tegendeel zonder er de spankracht van aan te tasten en koppelt ze aan elkaar in een innige rondedans.”

De auteur gaat ook in op het verwijt dat Insingel een steriele formalist is en op de vraag of hij een prozaschrijvende dichter of een dichtende prozaïst is. Lees hier de volledige tekst met een kleine bloemlezing.

 

Spel zonder grenzen

(Hanneke van Buuren in Ons Erfdeel 5/1981)

Bespreking van de roman Mijn territorium.

“Insingel heeft, zo te zien, geen vast plan als uitgangspunt, maar de structuur maakt zichzelf onder het werk. En als dat eenmaal loopt, wikkelt die zich automatisch af. De tekst krijgt dan iets van een automaat, van een machine. De taal is het uitgangspunt en niet de inhoud zoals bij traditionele auteurs.”

Dat schrijft Van Buuren over Insingel, die volgens haar in Noord-Nederland nauwelijks bekend is.

“Maar Noord-Nederland weet ook pijnlijk weinig af van wat er al jaren in linguïstische experimenten te doen is. In Amerika echter geldt Insingel als een van de belangrijkste moderne auteurs (…) Als ik de Vlaming Insingel lees, bekruipt mij dan ook het griezelige gevoel dat Noord-Nederland wel erg in een uithoek ligt.”

Lees hier Van Buurens volledige recensie.

 

De taal zegbaar, zegbaar de taal

(Marcel Janssens in Ons Erfdeel 3/1975)

Bepsreking van de prozatekst Dat wil zeggen.

“Wie nog met traditionele verwachtingspatronen op deze tekst af zou komen, zou er deerlijk door teleurgesteld worden. Geen verhaal of plot, geen personages of psychologie, geen kronologie of finaliteit zijn in deze tekst te vinden. Hij vertelt niet of beeldt niets af in de gebruikelijke zin van het woord (…) Het komt me voor dat (…) de schrijver de taal zelf als medium van zegbaarheid en kommunikatie onderzoekt, afweegt, kritisch proef (…).”

De volledige tekst vind je hier.