‘als hier het echte leven staat te lezen, mij best, ik zag genoeg’

Menno Wigman (1966-2018)

“Ik hoop dat het je goed gaat en dat het lot ons nog eens samenbrengt: in een herberg, een straat in Parijs of Rome.” Dat schreef Luc Devoldere, hoofdredacteur van Ons Erfdeel vzw, vanmiddag, 1 februari 2018, in een e-mail naar Menno Wigman. Hij wilde de dichter attenderen op een stukje dat hij had geschreven over diens gedicht ‘Burger King’:

Burger King

Was er een tijd dat ik hier boven stond,
mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,
niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in
een taal te denken die geen tanden heeft?
Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.

Dus slof ik door de leeszaal van de straat
en blader maar wat door de Burger King,
gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos
eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek.
- Als deze wanhoop ons Walhalla is,

als hier het echte leven staat te lezen,
mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal
betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,
eerder verbaasd dat alles wat zo laag
en lelijk is zo sterk en stevig staat.

De mail is nooit gelezen. Een paar uur na de verzending kwam via uitgeverij Prometheus het tragische bericht dat Menno Wigman eerder die dag was overleden aan de gevolgen van een hartziekte. “Zijn dood is een slag voor de Nederlandse poëzie”, schrijft de uitgeverij over Wigman, “een van die weinige dichters die zowel zijn vakgenoten als het grote, in literatuur geïnteresseerde publiek voor zijn dichtkunst wist te winnen”. 

Het is inderdaad een droevig ontwaken, één dag na de met verzen gevulde Poëzieweek. Ons Erfdeel vzw deelt in het verdriet om deze grote dichter, die “eeuwen en eeuwen te laat” is geboren, deze Baudelaire die “moet leven in de polder en de Vinexwijken van deze eeuw”, deze man die is “opgetrokken uit verleden, maar wandelt door het absolute heden”, zoals Luc Devoldere hem omschreef.

In dit filmpje van de VPRO leest Wigman een gedicht voor en zie je hem “wandelen door het absolute heden” van Amsterdam, waar hij meer dan dertig jaar woonde en waarvan hij een tijdlang stadsdichter was.

 

 

Wigman was een graag geziene gast in de kolommen van onze publicaties. Oud-hoofdredacteur Jozef Deleu koos vier keer een gedicht van Wigman voor zijn tweejaarlijkse selectie ‘Le dernier cru’ in ons Franstalige tijdschrift Septentrion. In Un grand cru, een tweetalig Frans-Nederlandse bloemlezing met vijftig gedichten uit de Laaglandse letteren die Deleu voor ons in 2015 samenstelde, sloot Wigman de alfabetisch geordende rangen met ‘Levensloop’ / ‘Le Cours d’une vie’.

In Septentrion presenteerde niemand minder dan Gerrit Komrij ’s mans oeuvre aan het Franstalige publiek in een fraai stuk , getiteld ‘Le nouveau décadent est arrivé’ (2004). Zeven jaar later, in 2011, was Menno Wigman één van de dichters die uit eigen werk voorlas tijdens ons evenement ‘Gare du Nord’, in het Brusselse Bozar, ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van Septentrion (zie de foto hieronder). In de loop van die jaargang werd in het blad ook een tweetalig Frans-Nederlandse bundel van Wigman gerecenseerd.

Onder de titel Window-cleaner Sees Paintings verscheen ook een tweetalig Engels-Nederlandse verzamelbundel van Wigman, waaruit je hier een gedicht kunt lezen. In ons Engelstalige jaarboek The Low Countries schreef Piet Gerbrandy een uitgebreid stuk over het hele oeuvre van Wigman, ‘All Said Before. Menno Wigman’s Ennui’, dat je hier kunt lezen. Onderaan in dit bericht vind je de Nederlandse versie van Gerbrandy’s stuk.

Zelf vertaalde Wigman ook poëzie, onder meer van Baudelaire, Else Lasker-Schüler, Rilke, De Nerval en Leopold Andrian.

WIGMAN IN ONS ERFDEEL

Ook in het tijdschrift Ons Erfdeel kwam Wigman meermaals aan bod. Jozef Deleu selecteerde twee keer een gedicht van hem voor zijn ‘Keuze’, en vier van zijn bundels werden gerecenseerd.

In 2001 besprak Dietlinde Willockx Wigmans tweede bundel bij een grote uitgeverij, Zwart als kaviaar, waarvoor hij in 2002 de Jan Campert-prijs kreeg. Voor ‘Misverstand’ uit die bundel ontving hij in datzelfde jaar de Gedichtendagprijs. Willockx schreef over Wigmans “neoromantische universum waarin ironie en cynisme hand in hand gaan met weemoed en overgevoeligheid. Het parlando overheerst, de toon is dikwijls scherp en werkt soms naar een pointe toe. Toch overtuigen vooral de tedere gedichten. Daarin weet Wigman vaker het anekdotische of de humoristische vondst te overstijgen”. Hier kun je Willockx’ volledige recensie lezen.

In 2012 recenseerde Laurens Ham de verzameling essays Red ons van de dichters en de dichtbundel Mijn naam is Legioen, waarin het gedicht ‘Promesse de bonheur’ staat, dat Wigman in onderstaand filmpje voorleest:

 

 

Ham treft in Mijn naam is Legioen “prachtige gedichten die een meedogenloze toon met een gepast soort mededogen – of een schoonheidsliefde – combineren” aan. In Red ons van de dichters vindt hij misschien wel de kern van Wigmans oeuvre: “het gaat me om de inzet, de wanhoop, de schoonheid en de onvergelijkbare brutaliteit van deze poëzie”, citeert Ham de dichter en voegt eraan toe: “Juist die torenhoge verwachtingen van literatuur, tegen beter weten in, geven het oeuvre van
Wigman betekenis.”

Lees hier de volledige recensie van Ham.

In 2016 besprak Bart Van der Straeten de – voorlopig? – laatste bundel van Menno Wigman, Slordig met geluk. Een dag voor zijn dood raakte bekend dat Wigman met deze bundel genomineerd is voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs. De dichter verwijst in Slordig met geluk naar de “mysterieuze hartkwaal” die hem confronteerde met de kwetsbaarheid van zijn lichaam, zijn eigen feilbaarheid. Van der Straeten ziet een nieuwe fase in Wigmans dichterschap:

Aan het einde van de bundel lijkt de spreker, enigszins verrassend, in het reine te komen met zichzelf. In ‘Geluk heeft een adres’ wordt “een dag/ van koffie, kamerjassen en geluk/ om niks” beschreven – en het eindigt met het paradoxale vers “Toch mooi dat dit/ gedicht niet nodig is.” Alsof hij afscheid neemt van de poëzie. Alsof hij de literatuur niet meer nodig heeft als legitimering voor het leven. Wat dan in de plaats komt? De ‘Liefde’ – zoals het voorlaatste gedicht van de bundel heet:

De winter van misnoegen is voorbij.
Zie hoe ik parel in het voorjaar. - Jij!
Ik zwierf zo lang van ik naar ik naar ik
en nu zie ik alleen nog jouw gezicht.

[…]
Daarmee lijkt Slordig met geluk het werkstuk te zijn van een dichter die zich in een overgangsfase bevindt – een dichter die zijn oude, egocentrische, decadentistische veren aflegt en die zich na een diepe crisis weer verzoent met zichzelf en met de wereld. [… ] misschien leidt de hernieuwde verzoening met de wereld, die aan het einde van de bundel aangekondigd wordt, tot een nieuwe Wigman: een dichter die niet langer het verval bezingt, maar de verwondering.

Hier staat de volledige recensie van Bart Van der Straeten.

Tot slot kun je hieronder het oeuvrestuk van Piet Gerbrandy over Wigman lezen.

 

WAS ALLES AL GEZEGD

Het ennui van Menno Wigman

Vernieuwing is onmogelijk. De aarde draait haar rondjes om de zon, zomers maken plaats voor winters, mensen worden geboren en trachten alvorens te sterven enkele kopieën van hun DNA achter te laten, en iedere generatie doet zijn best de essentie van het bestaan onder woorden te brengen, alsof niet alles al duizenden keren gezegd is. In plaats van er het zwijgen toe te doen of een totaal nieuwe vorm van expressie te zoeken, cultiveren we de herhaling, die zich in het werk van beeldend kunstenaars, muzikanten, dansers en dichters manifesteert als ritme. Wereldwijd wordt poëzie al vele millennia gekenmerkt door geperiodiseerde herhaling, of het nu gaat om metrische en muzikale patronen, een grafische regelmaat op papier of cyclische structuren op het niveau van de betekenis. Daar komt bij dat poëzie haar onuitroeibaarheid voor een deel te danken heeft aan het feit dat ze tot een traditie behoort. We vinden het een ontroerende of geruststellende gedachte verbonden te zijn met de honderden generaties die ons zijn voorgegaan. Een poëzie die elke band met het verleden zou willen doorsnijden is alleen al daarom niet levensvatbaar.

Dat neemt niet weg dat dichters en andere kunstenaars vooral de afgelopen twee eeuwen vaak geprobeerd hebben de traditie radicaal te vernieuwen, hetgeen heeft geresulteerd in vrije verzen, prozagedichten, montagetechnieken, radicale meerstemmigheid en woeste experimenten op het terrein van visuele vormgeving. Baudelaire en Mallarmé, Pound en Eliot, Trakl en Celan hebben de literatuur in die mate opgeschud en binnenstebuiten gekeerd dat veel van wat tegenwoordig aan poëzie wordt gepubliceerd op het eerste gezicht nauwelijks lijkt op werk van Horatius, Petrarca, Li Shang-yin en Shakespeare. Toch is de vernieuwing betrekkelijk. Uiteindelijk gaat het ook de meest revolutionaire dichters nog steeds om de fundamentele ritmes van het bestaan, die zelfs in gefragmenteerde chaos hoorbaar en zichtbaar blijven. Vandaar misschien dat er altijd dichters zijn geweest die besloten zich neer te leggen bij het bestaan van de traditie en afzagen van elke claim op originaliteit.

Als er nu één Nederlandstalige dichter genoemd moet worden die zich van deze problematiek bewust is, is het wel Menno Wigman (1966). In zijn debuutbundel ’s Zomers stinken alle steden (1997) staat een gedicht met de titel ‘Jeunesse dorée’:

Ik zag de grootste geesten van mijn generatie
   bloeden voor een opstand die niet kwam.
Ik zag ze dromen tussen boekomslagen en ontwaken
   in de hel van tweeëntwintig steden,
heilloos als het uitgehakte hart van Rotterdam.

Ik zag ze zweren bij een nieuwe dronkenschap
   en dansen op de bodem van de nacht.
Ik zag ze huilen om de ossen in de trams
   en bidden tussen tweemaal honderd watt.

Ik zag ze lijden aan een ongevraagd talent
   en spreken met gejaagde stem: –
was alles al gezegd, nog niet door hen.

Ze waren laat. Aan geen belofte werd voldaan.
   De steden blonken zwart als kaviaar.

Men hoeft niet lang naar dit gedicht te kijken om te zien hoezeer het zijn effect ontleent aan herhaling. Om te beginnen is er het visueel patroon waarbij elke nieuwe strofe steeds een regel korter is dan de vorige, hetgeen de dubbele suggestie wekt van, enerzijds, versterving en verdwijning en, anderzijds, condensatie, verdichting tot een kern. Net als het klassieke sonnet telt dit gedicht veertien regels, maar de daarin gebruikelijke volta ontbreekt. Wigman zal deze vorm, die ik graag Wigman-sonnet wil noemen, in latere bundels nog vaak gebruiken. In de tweede plaats valt de anaforische herhaling van het ‘ik’ op, maar anders dan je zou verwachten stelt de spreker zich op als afstandelijk waarnemer, die geen deel heeft aan wat hij beschrijft. Uiteraard is die distantie schijn, want de licht verbitterde toon verraadt een betrokkenheid waaraan de dichter liever niet zou toegeven. In de derde plaats is het ritme strak jambisch en verschaft het klinkerrijm het gedicht een sonore somberheid.

Het behoeft geen betoog dat deze vorm een perfect vehikel is voor de sfeer van mislukking die in het gedicht tot uitdrukking wordt gebracht. De ‘jeunesse dorée’ droomt van revolutie en stort zich in de roes van het nachtleven, maar uiteindelijk verzanden talent en energie in teleurstelling en verveling. Er is geen hoop. Dat ‘alles al gezegd’ was, wordt door het gedicht zelf geïllustreerd, dat niet alleen refereert aan de hang naar non-conformisme die we zo goed kennen uit de poëzie van Baudelaire en Rimbaud, maar bovendien begint met een citaat uit ‘Howl’ van Allen Ginsberg: ‘I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked’. Zelfs de weerzin om het feit dat er nooit echt iets verandert, blijkt alleen in andermans woorden te kunnen worden gezegd.

UITZICHTLOOS EN STOMPZINNIG

Het gedicht is typerend voor wat Wigman de afgelopen vijftien jaar heeft gedaan. In zorgvuldig gecomponeerde jambische verzen exploreert hij het ennui van een man die het leven als uitzichtloos en stompzinnig ervaart, waarmee hij een levensgevoel onder woorden brengt dat door menigeen herkend wordt. Omdat deze poëzie bovendien uitermate toegankelijk is, heeft hij van meet af aan grote populariteit genoten. Voor zijn tweede bundel, Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij een belangrijke literaire prijs, en in januari 2012 werd hij voor twee jaar aangesteld als stadsdichter van Amsterdam. Op poëziefestivals oogst zijn indringende voordracht veel bijval. Wigman is een gearriveerd dichter, hetgeen voor hem een nieuwe bron van ongemak moet zijn.Erg productief is hij niet. Er verschenen weliswaar zes bundels, maar een daarvan (De droefenis van copyrettes, 2009) is een bloemlezing uit eigen werk, terwijl De wereld bij avond (2006) integraal werd opgenomen in Mijn naam is Legioen (2012).

Het oeuvre moge thematisch en vormtechnisch consistent zijn, dat wil niet zeggen dat Wigman een eentonig dichter is. Treurige jeugdherinneringen, een moeizaam liefdesleven, de geringe troost van drank en sigaretten, eenzame nachten in verregende straten en op onpersoonlijke hotelkamers – het zou allemaal van een deprimerende lulligheid getuigen als het niet zo fraai was opgeschreven. Daar komt bij dat Wigman ook een nauwkeurig observator van het moderne stadsleven is. Hij schrijft over de lelijkheid van supermarkten en internetporno, over rancuneuze islamisten en gestoorde zwervers, over zijn dementerende moeder en over de dreigende teloorgang van het boek als cultureel fenomeen. Al geruime tijd maakt hij deel uit van een collectief van dichters die bij toerbeurt gedichten schrijven voor zogenaamde ‘eenzame uitvaarten’ van overledenen zonder familie en vrienden. Ook via die weg komen in zijn bundels teksten terecht die de vinger aan de pols van de samenleving houden.

KOKETTEREN MET SPLEEN

In de eerste twee boeken lijkt Wigman welbewust de pose van een negentiende-eeuwse poète maudit aan te nemen, die koketteert met zijn spleen, zijn drankzucht en zijn smoezelige seksleven. ‘Hij boog zich’, aldus een gedicht in de tweede bundel, ‘dieper over zijn verleden / van beroemde feesten, vreemde bedden / en verliefde telefoongesprekken’, waarna de treurnis inzet met ‘al die achteloos verrookte jaren en / bepoederde excessen’. De reflectie op het eigen bestaan levert echter weinig op:

Maar hij zag niets. Alleen het dunne licht
van een achterkamer waar niets te vieren viel
dan dat twee lichamen een naam doorgaven,
alleen twee stugge handen die verveeld
zijn laatste resten uit een oven schraapten.

Dat is voortreffelijk geformuleerde walging, maar heel geloofwaardig is het niet. De dichter zwelgt in het opblazen van zijn weerzin. Een nadeel is ook dat er weinig of niets aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Wigmans poëzie is zo expliciet dat je de meeste gedichten slechts eenmaal hoeft te lezen om ze te doorgronden, zij het dat je lang kunt blijven genieten van het raffinement van de vorm. Wat hij neerzet is soms niet meer dan een knappe incarnatie van Paul Verlaine.

De grootste perfectie heeft Wigman bereikt in Dit is mijn dag (2004). Een ronduit briljant gedicht is ‘Tot besluit’, dat aldus begint:

Ik ken de droefenis van copyrettes,
   van holle mannen met vergeelde kranten,
bebrilde moeders met verhuisberichten,

de geur van briefpapieren, bankafschriften,
   belastingformulieren, huurcontracten,
die inkt van niks die zegt dat we bestaan.

En ik zag Vinexwijken, pril en doods,
   waar mensen roemloos mensen willen lijken,
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst.

De moedeloos makende verveling komt tot leven in de woorden ‘copyrettes’ en ‘Vinexwijken’, die door de bedenkers als hip en modern waren bedoeld, maar in feite verwijzen naar, respectievelijk, intens tuttige winkels waar men fotokopieën kan maken en zielloze nieuwbouwwijken aan de periferie van grote steden. De herhaling van de woorden ‘mensen’ en ‘straat’ is in deze context buitengewoon functioneel.

De troosteloosheid zet zich voort in de tweede helft van het gedicht, die opnieuw veel herhaling laat zien:

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
  ik zelf? Vader, moeder, wereld, DNA,
daar sta je met je stralend eigen naam,

je hoofd vol snugger afgekeken hoop
   op rust, promotie, kroost en bankbiljetten.
En ik, die keffend in mijn canto’s woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.
   Licht. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.
Ik ken de droefenis van copyrettes.

Het leven is één grote kopieerinrichting, zoveel is duidelijk, waarin zelfs de meest existentiële kwesties clichés zijn geworden. Het aardige is dat Wigman hier gekozen heeft voor Dantes terzinen. De wereld is een Inferno. Wie hier binnengaat dient elke hoop te laten varen.

Bij een project als dat van Wigman ligt verstarring op de loer. Men wijdt zich niet straffeloos aan het cultiveren van peilloze neerslachtigheid. In januari 2006 verscheen nog een onevenwichtig bundeltje van tien gedichten, dat ter gelegenheid van de zogeheten Gedichtendag in een oplage van vele duizenden werd verspreid, maar daarna bleef het, op een bloemlezing na, zes jaar stil. Ik vermoed dat Wigman tegen de muren van zijn zelfgeschapen gevang was opgelopen, met een formidabel writer’s block als resultaat.

WEST-EUROPA IS EEN GEKKENHUIS

Het in 2012 uitgekomen Mijn naam is Legioen lijkt een nieuwe richting in te slaan. De poëzie is harder en compromislozer dan die van de vorige bundels. Het verdriet en de ergernis lijken geen deel meer uit te maken van een literair spel, maar worden rauw gepresenteerd, in de context van een al even vuile wereld. De titel is ontleend aan het evangelie van Marcus, waar een door boze geesten bezetene een exorcisme ondergaat. West-Europa is een gekkenhuis, maar misschien stelt het schrijven de dichter ertoe in staat zich van zijn demonen te bevrijden.

In het eerste gedicht, dat de vertrouwde gedaante van het Wigman-sonnet heeft, spreekt hij zijn geslachtsdeel aan:

Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,
gewapend glas en Seroxat. Zocht ik
een woord voor alles waar geen woord voor is,
ik geef het op. Je bent een zak, een zak
ben je dat je ook nu weer dicht. En jij,

mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?
Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,
je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe
van wie je ziedend van je zaad ontdoet.

Het gedicht was weliswaar in 2009 al een keer gepubliceerd, maar vormt een waardige opening voor de desillusies die volgen. De dichter is niet zozeer verveeld en somber, als wel boos. Dat blijkt een vruchtbare emotie te zijn.

Het gedicht ‘Oud-West’, een titel die verwijst naar een rommelige volksbuurt in Amsterdam waar veel niet-westerse immigranten wonen, draagt een motto van Rimbaud: ‘Merde à Dieu’. Het begint zo:

We leven hier met Turken, Marokkanen,
   Afghanen, Koerden, sikhs en Pakistanen
      en we zijn bang. En ik, een blanke man,

ni Dieu, ni maître, taai en zonder hoop
   op tuintjes na de dood, ik peil mijn straat
      vanaf drie hoog en zie hoe men verhit

de klok rond bidt, op vale vloeren ligt
   en naar een godshuis draaft waar men vereert
      en eeuwig collecteert.

Wordt hier de perverse devotie van laagopgeleide allochtonen vervloekt, enkele pagina’s verder blijkt de dood van de christelijke God toch ook niet de felbegeerde verlossing te hebben gebracht. Dit gedicht is gebaseerd op een bericht over een man die maandenlang dood in zijn woning had gelegen. Toen hij werd ontdekt, lag het lijk van zijn kat op zijn borst. Nadat de eerste strofe deze situatie heeft geschetst, gaat het gedicht zo verder:

Daar, in diezelfde straat, staat ook een kerk
waarin laatst camera’s zijn aangebracht.
Slaapt God? Nee, er zijn dieven onder ons

die – Alziend Oog of niet – naar zilver spieden,
kandelaars en kanselbijbels roven
en Christushoofden van de wanden slopen.

God is verdwenen, surveillance-camera’s nemen zijn werk over. Of manifesteert hij zich nu op een andere manier? Dat is wat de laatste regels van het gedicht zouden kunnen suggereren. Zeker, de mens is eenzaam en verlaten, maar troost is niet helemaal uitgesloten:

soms denk ik aan die ziel die drie hoog dood lag,
hoe daar een metgezel maar zwierf en kwijnde,

toen heel zijn vacht tegen een borst aan vlijde.

De bundel bevat ook een aantal gedichten waarin duidelijk andere figuren aan het woord zijn dan de persona van de dichter. In ‘Egmond aan Zee’ horen we de stem van een gewelddadige jongeman uit een Noord-Hollandse kustplaats:

Komt vrijdagnacht, komt bier, komt coke
en stookt de kustwind fikkies in je hoofd.

Knokkels, bloed, een ster, een mes, geschreeuw.
De hemel hier is hard en crimineel.

Elders geeft Wigman de tirades van een schizofrene man weer, compleet met spelfouten en drammerige cursiveringen. Blijkbaar is het de psychiater die wordt aangesproken:

Blinde, dove, rodmoordenaar & rover
van all wat ik bezit, ik waarschuw je.
Crisofreen & manisch, zoals jij beweert.

Maak dat manisch en crisofreen maar eens
duidelijk waar; en schrijf mij de symphtonen
eens op papier, stuk verdriet&Leugenaar.

Dat is niet erg subtiel. Veel overtuigender is het verslag van een gevangenisoproer:

Een ketel vol met katten en de hitte tikt.
Die hele zomer stoomden we in onze cel,

de zon een steekvlam en ons hoofd een hel
waar beesten van cipiers je tot een naam afbraken.

Opmerkelijk genoeg eindigt de bundel met een paar liefdesgedichten, die – voor het eerst in dit oeuvre – niet cynisch zijn, maar lijken te zijn voortgekomen uit een werkelijk ervaren hartstocht. De gedichten zijn niet heel goed en vallen enigszins uit de toon, maar doen vermoeden dat de dichter, zelfs al zou het hier om fictie gaan, nieuwe bronnen heeft aangeboord:

De maan is onder en ik denk me naar je toe
de derde dag al dat ik in je geuren denk
je had gehoopt dat ik mijn hoofd verloor en hoe –

de maan is onder, wat een vreemde zin, die heb
je vast van Sappho – ja, en nu ik echt begin:
ze dronk, mijn god, nog meer dan ik, ze spon me in

met heupen en verhalen, oogwit, lipstick, blik.

Deze liefde is, net als het decadente ennui en de ‘droefenis van copyrettes’, een verliteratuurde emotie, maar het zal Wigman geen kwaad doen als hij eens een tijdje Sappho, Occitaanse troubadours en Petrarca gaat lezen in plaats van Baudelaire en Gottfried Benn. Ik ben benieuwd naar de tweede helft van dit dichterschap.

(Piet Gerbrandy, 2014)

Foto © Bianca Sistermans