EUROPESE EENWORDING EN HET VERVAL VAN DE GEVESTIGDE POLITIEKE PARTIJEN

(André Krouwel) Ons Erfdeel – 2015, nr 2, pp. 58-66

Bij de Europese verkiezingen in 2014 kreeg tot grote verrassing van velen de United Kingdom Independent Party (UKIP) de meeste stemmen en versloeg daarmee de Conservatieven en Labour. De hegemonie van de twee dominante partijen in het Verenigd Koninkrijk is niet langer onaantastbaar. Ook in Frankrijk werd de gevestigde orde verslagen en won de anti-immigratiepartij Front National (FN) van Marine Le Pen de verkiezingen. Zelfs in het stabiele Duitsland behaalde een nieuwe partij, Alternative für Deutschland (AfD), een indrukwekkend resultaat. Op links wordt de traditionele hegemonie van de sociaaldemocratie aangetast door de opkomst van radicaal-linkse partijen. Zo won in Griekenland de tegen de bezuiniging gekeerde Coalitie van Radicaal-Links (SYRIZA) met een grote overmacht, een stunt die de partij overdeed bij de nationale verkiezingen in 2015. De twee partijen die de Griekse politiek domineerden sinds de jaren zeventig – PASOK en Nieuwe Democratie – werden overtuigend verslagen. In Italië werd de Vijfsterrenbeweging (Movimento 5 Stelle) van Beppe Grillo de tweede partij. Spanje kreeg eveneens te maken met een nieuwe radicale politieke beweging, Podemos, die voortkomt uit de antibezuinigingsprotesten.

Hoewel deze uitslagen niet leidden tot hele grote machtsverschuivingen in het Europese Parlement, verloren alle drie de grote partijfamilies zetels. De christendemocratische Europese Volkspartij (EVP) bleef de grootste politieke fractie, maar de aanhang slonk van 36 procent van de stemmen in 2009 naar 29,4 procent in 2014 en 53 zetels gingen verloren. De Partij van de Europese Sociaaldemocraten (PES) hoopte als grootste uit deze verkiezingen te komen, maar verloor in 20 van de 28 lidstaten in vergelijking met het al tegenvallende resultaat in 2009. De sociaaldemocraten hielden net iets meer dan 25 procent van de stemmen over. De grootste nederlaag werd echter geleden door de liberale Partij van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa (ALDE), voorheen de derde grootste fractie in het Europees Parlement. De liberalen daalden van 11,2 procent naar 8,9 procent van de stemmen, wat een verlies van 16 zetels betekende. De liberalen werden ingehaald door de eurosceptische partijgroep Europese Conservatieven en Hervormers (ECR), die nu de derde grootste fractie is. De Groenen/Europese Vrije Alliantie verloor, net als in 2009, wederom stemmen en ging van 57 naar 50 zetels. Hoewel zeker niet in alle landen hetzelfde beeld te zien is, verloren alle pro-Europese partijgroepen aan electorale steun, terwijl de eurosceptische partijen juist meer aanhang kregen. De eurokritische linkse partijgroep Europees Unitair Links/Noords Groen Links (GUE/NGL) groeide van 4,8 tot 6,9 procent en het eurosceptische, rechtse Europa van Vrijheid en Directe Democratie (EFDD) steeg van 4,3 tot 6,4 procent.

Zowel linkse als rechtse “protestpartijen” politiseerden het maatschappelijke ongenoegen, waarbij radicaal-links zich vooral verzette tegen het bezuinigingsbeleid en de afbraak van de verzorgingsstaat, en radicaal rechts zich keerde tegen het immigratiebeleid en verdere Europese integratie. Ook in België en Nederland is de verzwakking van de grote volkspartijen zichtbaar en steeds meer (nieuwe) partijen versplinteren het politieke landschap.

zoek opnieuw

Prijs (indien u een artikel uit ons archief bestelt, ontvangt u een pdf): € 3.00

leg in winkelmandje