Peter Verhelst krijgt de Ultima Letteren voor zijn roman ‘Voor het vergeten’

Peter Verhelst krijgt de Ultima Letteren voor zijn roman ‘Voor het vergeten’

In de Brusselse AB zijn gisteravond de Ultimas – de Vlaamse Cultuurprijzen – uitgereikt. Peter Verhelst kreeg de Ultima Letteren voor zijn roman Voor het vergeten (De Bezige Bij, 2018). ‘Verhelst overstijgt met deze krachttoer zichzelf en hiermee bevestigt hij opnieuw zijn unieke plaats in de Vlaamse Letteren’, vond de Ultima-jury. ‘Verhelst maakt van verdriet kunst’, schreef Lars Bernaerts in zijn recensie voor Ons Erfdeel.

Foto © Stefaan Temmerman

Het zijn mooie woorden van de jury die Peter Verhelst de Ultima Letteren gaf:

‘Voor het vergeten’ is een oogstrelend rouwboek, een caleidoscopische roman die wisselt tussen droevig proza, bevreemdende poëzie en soms hermetische essays over hedendaagse kunst - blijkbaar kan alleen schoonheid troost bieden in het aanzien van de dood.

Ook Lars Bernaerts was enthousiast in zijn Ons Erfdeel-recensie van deze roman:

Net zoals ‘De kunst van het crashen’ (2015) voert ‘Voor het vergeten’ een schokkende autobiografische gebeurtenis op, in dit geval de dood van Peter Verhelsts moeder. Verspreid over de roman vinden we de sporen van het verdriet van de zoon en de vader, de nasleep van het plotse overlijden en de herinneringen aan de moeder. Maar de roman ontstijgt vanaf het begin de feiten en de sentimenten. (…) Verhelst maakt van verdriet kunst, (…)  als de onovertroffen verbeelding van een ingrijpende zintuiglijke en lichamelijke ervaring.

Lees Bernaerts’ recensie hier (pdf) of onder het filmpje waarin Verhelst meer vertelt over zijn roman.

 

 

 

DE KUNST VAN HET VERDRIET
Voor het vergeten van Peter Verhelst

Op het stofomslag van Peter Verhelsts roman Voor het vergeten zien we een hertengewei dat veel weg heeft van een kale boom – of omgekeerd. Wie het omslag verwijdert, ziet in de tekening meteen ook een derde beeld dat de roman centraal stelt. De boom of het gewei is nu bloedrood, zodat de vertakkingen aders lijken zoals die zich op een hart aftekenen. Sterker nog, de tekening lijkt bij nader inzien veel meer op aders dan op een gewei. In de blik van de lezer heeft zich een metamorfose voltrokken.

Het hert en de boom, het hart en de metamorfose zijn enkele van de gegevens die de roman op sublieme wijze laat samenkomen. In de eerste bladzijden schetst de verteller een scène die zich in de nacht van 17 op 18 november 2015 afspeelt: een hert raakt met zijn gewei verstrikt in de wortels van een boom. Even later volgt het hart: diezelfde nacht overlijdt de moeder van de ik-figuur aan een hartaderbreuk. Net zoals De kunst van het crashen (2015) voert Voor het vergeten een schokkende autobiografische gebeurtenis op, in dit geval de dood van Peter Verhelsts moeder. Verspreid over de roman vinden we de sporen van het verdriet van de zoon en de vader, de nasleep van het plotse overlijden en de herinneringen aan de moeder.

Gedaanteverwisselingen

Maar de roman ontstijgt vanaf het begin de feiten en de sentimenten. Hij brengt meteen de gedaanteverwisselingen die de dood uitlokt in kaart. Zoals takken in de blik van de lezer aders worden, zo transformeert de moeder in een boom bij haar overlijden: “over haar zachte borst schoof een fijne schors, haar haren werden bladeren, haar armen takken, haar voeten tot wortels verstard”. Het is het begin van een hecht verbonden reeks wonderlijke metamorfosen, surrealistische taferelen en mythische verhalen, die niet zelden openlijk ontleend zijn aan Ovidius’ Metamorfosen. Verhelst, die sinds het begin van zijn schrijverschap gefascineerd is door het idee van de gedaanteverwisseling, put uit de verzameling verhalen van Ovidius om onuitspreekbaar verdriet, leegte, afscheid en het rouwproces gestalte te geven. Zo keren het hert en de blik terug in het verhaal van Actaeon, die door Diana in een hert werd veranderd toen hij haar naakt zag baden. Orpheus, die onder andere als Meneer O in de roman optreedt, herinnert eveneens aan een fatale blik en aan de wens om de geliefde terug te halen uit de dood, die de verteller bij zijn vader herkent. De titel van Ovidius’ werk ondergaat zelf ook een verandering in de veelzeggende woordspeling metaformosen, die zowel aan metaforen als aan het chemische proces formose doet denken.

Niet alleen de verhaalkunst van Ovidius, maar ook de beeldende kunsten zijn een rode draad in Verhelsts verbeelding van verdriet. Het gemis krijgt een plek via de kunsten in beklijvende beeldspraak en verhalen, of in indringende beschouwingen over kunst. Zo echoot het moment waarop vader en zoon naar het opgebaarde lichaam kijken in de manier waarop de ik-figuur kijkt naar kunstwerken van onder anderen Luc Tuymans en Dirk Braeckman. Het marmerwitte gezicht van de gestorven moeder wordt door de ik-figuur als het ware geprojecteerd in het wit van monochrome kunstwerken van Lucio Fontana en Malevitsj. Wat vorm krijgt in het boek, is de ervaring dat verdriet iemands zintuiglijke waarneming van de wereld kan koloniseren:

Het verdriet is de röntgenstraling die de aanwezigheid van het zwarte gat verraadt. Hoewel de moeder het centrum is, zal ik met handen en voeten alles en iedereen eromheen proberen te beschrijven. Tastend, benaderend, omcirkelend. Het zwarte gat is zo sterk dat alles er onherroepelijk door wordt aangetrokken. Alles wat ik zie en hoor wil ik met de dood verbinden, zelfs een bos, een beek, een landschap.

Het wit van de monochrome doeken keert ook terug als het wit van de sneeuw waarvan de Zwitserse schrijver Robert Walser de intensiteit in literatuur vastlegt en waarin hij uiteindelijk zelf dood neerzijgt. Het wit is de kleur van de afwezigheid, de dood en van het vergeten. Zoals de titel aangeeft, gaat het boek aan het vergeten vooraf en pleit het er tegelijk voor. In het hart van de roman is een gedicht opgenomen met diezelfde titel. De Verhelstlezer herkent het uit Wij totale vlam en Koor, waarin het telkens in een licht andere versie voorkomt:

Laten we dus vergeten, maar alleen
zoals we door te praten iets uiterst traag 
kunnen laten verdwijnen

Inderdaad is de roman een netwerk van beelden en verhalen die het vergeten begeleiden en de herinnering overschrijven. “Ik herinner me de stem van mijn moeder niet meer”, zegt de verteller aan het einde. Maar die metamorfosen van het vergeten zijn dus verre van kwalijk, zoals het verhaal van het oude paar Philemon en Baucis illustreert. Na hun dood veranderen de twee in een eik en een linde en blijven ze zo verstrengeld. Ook voor de vader eindigt het boek fortuinlijk, met een nieuwe liefde.

Onovertroffen verbeelding

Voor het vergeten biedt dus loutering, maar is geen therapeutisch boek in eender welke conventionele betekenis. Het knappe web van verhalen, herinneringen, essays, verwijzingen naar de kunsten en poëtische stukken vormt daarin een tweeluik met De kunst van het crashen: ze delen de ambitie om leed, pijn en verdriet esthetisch te onderzoeken. Beide romans vertrekken bovendien vanuit een autobiografisch gegeven, dat openlijk een plaats krijgt tussen andere verhalen, essayistische passages en beschouwingen over kunst.

Meer dan De kunst van het crashen reikt Voor het vergeten de lezer een leidraad aan, bijvoorbeeld in de vorm van samenvattingen die Ovidius’ verhalen uitleggen of in passages over de aard van metaforen en van de romankunst zelf. Gelukkig blijft er ook veel onverklaard. De roman zit vol suggestiviteit die niets met vaagheid te maken heeft en alles met concrete zintuiglijkheid. Voor lezers die vinden dat ze alles moeten begrijpen is dit geen geschikte roman, tenzij ze zich ervan willen laten overtuigen dat dat volledige begrip niet alleen doodsaai maar ook een illusie is. Verhelst maakt van verdriet kunst, niet als vrijblijvende, apolitieke esthetisering, maar wel als de onovertroffen verbeelding van een ingrijpende zintuiglijke en lichamelijke ervaring.
 

Lars Bernaerts

Peter Verhelst, Voor het vergeten, De Bezige Bij, Amsterdam, 2018, 336 p.