“DE JOODSE MESSIAS”VAN ARNON GRUNBERG EN “MEIN KAMPF” VAN JE-WEET-WEL-WIE

(Jan Konst) ONS ERFDEEL – 2016, NR 1, PP. 82–91

Toen ik De joodse messias een eerste keer las, verging het me niet anders dan de meeste van Grunbergs recensenten. Ik was geschokt door het geweld in de roman, dat plastisch en met een onverdraaglijk oog voor detail geschilderd wordt. Gruwelijke verminkingen, verkrachtingsscènes en mensen die barbaarse mishandelingen moeten ondergaan – het is een wonder dat je verder leest. Misschien heeft het wel iets te maken met de groteske context waarbinnen Grunberg al dit geweld plaatst. Slapstickachtige situaties en carnavaleske overdrijvingen lijken te onderstrepen dat de wereld van de roman aan eigen wetten gehoorzaamt. Daardoor gaat er van het beschrevene allengs een geringere dreiging uit, omdat je kennis denkt te nemen van een werkelijkheid die de onze niet kán zijn. Zo is het moeilijk voorstelbaar dat een regeringsleider in Israël een kernraket met het macabere opschrift “Groetjes van Anne Frank” op Amsterdam zou afschieten. Het feit dat dit in De joodse messias juist wel gebeurt, suggereert dat ook het geweld in de roman van een andere orde is. Het zegt, zo was althans ik geneigd te denken, weinig over de realiteit waarin wij leven, maar vooral iets over het oververhitte literaire universum van de provocateur Grunberg.

In de loop der jaren heb ik De joodse messias vaker gelezen. Steeds opnieuw zag ik me geconfronteerd met het geweldsregime waaraan ook de protagonist Xavier Radek, de kleinzoon van een voormalige SS’er en nazimisdadiger, actief bijdraagt. Ik merkte dat ik in zekere zin immuun werd voor de agressie en bruutheid, omdat er een gewenningseffect intrad. O ja, realiseer je je dan bij herlezing, nu komt de scène waarin de voeten van de Egyptenaar gefrituurd worden of het moment waarop het hoofd van Awromele (Xavier’s joodse vriend) voor een van zijn belagers een voetbal wordt. Dat de aanvankelijke schrikeffecten uitbleven, had tot gevolg dat ik meer principiële vragen ging stellen. Het was als met de artsen op de spoedafdeling die zich na verloop van tijd niet meer door de verwondingen van hun patiënten uit balans laten brengen. Zo ging ik me afvragen waarom geweld in De joodse messias zo’n structurele rol speelt en waarin het zijn oorsprong heeft.

Op zoek naar een antwoord kwam ik terecht bij het Duitse fascisme en Adolf Hitler, die de figuren van Grunberg steevast als Je-Weet-Wel-Wie aanduiden. Ik worstelde me door Mein Kampf, omdat Xavier en Awromele er een Jiddische vertaling van maken. Ik las het in 1925 gepubliceerde propagandaschrift in de uitgave van 1935. “Jubiläumsausgabe. Gesamtauflage 2 Millionen Exempare” staat er in trotse rode letters op het titelblad, als was het om te onderstrepen dat dit onheilspellende boek destijds direct ingreep in de levenswerkelijkheid van veel Duitsers. Hoe anders was de plaats die ik De joodse messias aanvankelijk wilde toekennen. Ik betrok de roman níét op onze werkelijkheid, maar zag een grotesk vertekende wereld, een in zichzelf besloten fictionele realiteit. Inmiddels denk ik dat dat kortzichtig was.

Wie De joodse messias erop naleest, stelt vast dat er meer biografische details zijn die Xavier en Je-Weet-Wel-Wie met elkaar verbinden. Daarbij sluit Grunberg nogal eens aan bij de specifieke voorstelling van zaken in Mein Kampf.

search again

Price: € 3.00

add to cart