‘Mij vrolijkt het’- Judith Herzberg kreeg de Prijs der Nederlandse Letteren 2018

‘Mij vrolijkt het’- Judith Herzberg kreeg de Prijs der Nederlandse Letteren 2018

Judith Herzberg heeft donderdag de Prijs der Nederlandse Letteren ontvangen uit de handen van koning Willem-Alexander. Hoofdredacteur Luc Devoldere was erbij en herlas haar gedichten. ‘Zij heeft als geen ander de zwaarte aan de dingen onttrokken.’

door Luc Devoldere / foto Erik Mattijssen

Een dichter en een koning kunnen niet altijd door één deur. Vooral als die dichter wars is van roem en eerbewijzen, en hoge eisen stelt aan monarchen en hun familie. Maar uiteindelijk stapten Judith Herzberg en Willem-Alexander wel samen de Burgerzaal binnen van het Koninklijk Paleis op de Dam, voormalig stadhuis van de fiere en eigenzinnige stadstaat Amsterdam. Over drie jaar is het de beurt aan de Belgische koning. Dan zal niet meer de Taalunie, maar het Vlaams Fonds voor de Letteren de organisatie van de hoogste literaire prijs in het taalgebied op zich nemen.

De Nederlandse Koning gaf Herzberg de Prijs der Nederlandse Letteren onder het beeld van Atlas die het zware gewicht van de wereld torst en ik bedacht dat nu net deze dichteres als geen ander de zwaarte aan de dingen heeft onttrokken, ‘lichtheid’ heeft uitgedragen, één van de deugden die Italo Calvino aan de literatuur vroeg.

Koninklijke podcast?

De uitreiking in Amsterdam was een stijlvolle hommage, luchtig aan elkaar gepraat door cabaretier  Micha Wertheim. Met op muziek gezette gedichten en theaterteksten van de laureate. Met een mooi en treffend juryrapport, geschreven en voorgelezen door de voorzitter, Marita Mathijsen. Ze had het over een dichteres die dertig gedichten over vliegen durft te maken, over hartverscheurend eenvoudige poëzie die juist daardoor complex is en schijnbaar ter plekke bedacht. Een minister zei iets en de koning ook. Willem-Alexander heeft een mooie stem. Misschien moet hij gedichten gaan inlezen die dan als podcast de wereld worden ingestuurd.

Judith Herzberg bracht zelf een kort en laconiek slotwoord. Ze las een gedicht, omdat Micha Wertheim haar dat vroeg (hij vroeg er twee; ze vond één genoeg, want anders ging het programma over tijd), dankte iedereen en stond stil bij de uitdrukking “ergens bij stilstaan”. Dat groeide uit tot een dwarse lofzang op wat poëzie is.

Zelf wil ik haar hier aan het woord laten met een opmerkelijk gedicht:

Zoals

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor,
en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,
zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt
en pas als je het hebt, weet wat het was,
zoals je soms een pakje ergens heen brengt
en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,
dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,
minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens
maar toch het meeste wachtend bent,
zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging
en je een geur te binnen schiet bij wijze van
herinnering, zoals je weet bij wie je op alert
en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,
zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.
(Uit: Zoals, 1987, 1992)

Waarover gaat het in dit gedicht? Dertien regels lang gaat het over de dichter en over de lezer (dankzij dat dubbelzinnige ‘jij’). In één kantelende regel, de veertiende en laatste, blijkt het hele gedicht over dieren te gaan, over de manier waarop  – denken wij – dieren denken.

Die regel slokt de dertien overige op. Misschien kun je het gedicht maar één keer lezen: de eerste keer. Misschien is die kanteling op het einde een eenmalige epifanie. Op het verkeerde been gezet, wandelend door kamers, zoekend, snuffelend, ruikend. En dan plots op je hond stuiten.

Niemandsland

Waarover gaat het gedicht dan uiteindelijk? Over dieren? Over mensen? Of over beide? Misschien zijn ze in het gedicht even minder alleen: de mens en het dier, bedoel ik.

Toch doet Herzberg niets meer dan gelijkenissen tussen het ‘denken’ van mensen en dieren suggereren: de onbewuste, ‘automatische’ processen bij mensen zouden wel eens kunnen lijken op de bewustzijnsprocessen van dieren. Misschien ontmoeten we elkaar wel in dat niemandsland, die schemerzone waar onze bewustheid vervaagt. Misschien. We zullen het nooit weten.

De kracht van dit gedicht ligt in de suggestie van waarheid, in de evocatie, de oproeping – niet van geesten, maar van de werkelijkheid.

Het zal al lang duidelijk zijn dat de vergelijking meer is dan een sierstuk. Ze is een retorische strategie die een scheur aanbrengt in de werkelijkheid en ons erdoor doet kruipen. We zien dan noodgedwongen anders. De vergelijking en datgene waarmee vergeleken wordt, ‘ogen’ nu anders. De vergelijking genereert nieuwe interpretaties, inzichten – en dus een soort kennis die zonder bewijsbaar te zijn toch een sterke overtuigingskracht, een groot waarheidsgehalte lijkt te bevatten.

Lees die dame.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed