Berichten uit Jakarta – deel 2

Germanist en neerlandicus Jaap Grave verblijft drie maanden in de Indonesiche hoofdstad Jakarta, waar hij lesgeeft aan de Universitas Indonesia. Op de blog van Ons Erfdeel brengt hij verslag uit van zijn wedervaren. Dit is het tweede van drie berichten - het eerste staat hier.

Wie op zijn achttiende verjaardag naast veel andere cadeautjes ook de taak toebedeeld krijgt met onmiddellijke ingang alle eilanden te bezoeken die deel uitmaken van het land waar hij woont, gaat zich in België vermoedelijk vervelen, maar moet zich in Indonesië haasten en reppen. Als hij ook nog aan de voorwaarde moet voldoen dat hij niet meer dan één eiland per dag mag bezoeken, dan wordt hij wellicht zo nerveus dat hij peentjes gaat zweten.

Indonesië telt meer dan 17.000 eilanden.

Over nervositeit als oorzaak van zweetdruppels zal ik ooit nog weleens een verhandeling schrijven. Geloof me, in Jakarta ga je van heel andere dingen zweten.

Hoe oud ben je als je alle eilanden hebt bezocht? De studenten neerlandistiek hier hebben het niet makkelijk met die rekensom. Aantal eilanden gedeeld door aantal dagen? Hoe zat het met het schrikkeljaar? Een wijs besluit van de universiteit om hen geen wiskunde te laten studeren. Wie de reis naar de eilanden gaat maken, zal tot op hoge leeftijd – hier lager dan in West-Europa – onderweg zijn, heel veel verschillende soorten mensen bezoeken en naar meer dan zevenhonderd talen en dialecten kunnen luisteren. Hier is vrijwel iedereen twee- of zelfs veel-meer-talig.

Ondanks die verscheidenheid zijn de studenten er toch bijna allemaal van overtuigd dat zij maar één identiteit hebben: de Indonesische. En dat die onder meer bestaat uit hun naam, het nummer op hun identiteitskaart, hun religie (die daar ook op wordt vermeld), hun geboorte- en woonplaats, opleiding, sociale achtergrond en hun bloedgroep. Ja, ze kennen allemaal hun bloedgroep. Met al die eilanden, die talen en volkeren in Indonesië ligt het voor de hand dat hun identiteit fluïde is en niet past binnen een essentialistisch denkpatroon. Zijn zij wellicht representanten van een nomadische filosofie? Avant-garde, zonder het te beseffen?

Als aanhanger van fluïde identiteiten denk ik er al geruime tijd over na of het zinvol is ook dieren en planten stemrecht te geven of hen de wereld een tijdje te laten regeren. Waarom zouden mensen de enige zoogdieren zijn die mogen bepalen wat goed is voor andere zoogdieren, reptielen, insecten en planten? Waarom zouden ze de andere aardbewoners niet eens om raad vragen of de macht uit handen geven?

Mijn uitspraak leidde tot ongeloof bij de studenten. Hoofdschuddend keken zij mij aan. Het zat ze behoorlijk dwars, zag ik. Gelukkig gold hun bezwaar niet het stemrecht voor planten en dieren. Nee, het ging erom dat ik had gezegd dat mensen zoogdieren waren. Ik verwees naar de dialoog tussen meester Stoffel en juffrouw Laps uit Multatuli’s Woutertje Pieterse. Stoffel geeft op plechtige wijze nieuwe biologische inzichten door: ‘juffrouw Laps, je bent ’n zoogdier.’ Zij protesteert, vanuit een religieus standpunt, en zegt dat ze door en door ‘fatsoenlyk’ is.

De studenten hier vertegenwoordigen de positie van Juffrouw Laps. Begrijpelijk, want in de islam staan mensen boven de dieren. Eén van hen merkte bovendien op dat dieren geen identiteit hebben omdat ze niet over een naam en nummer beschikken. Een andere student wilde een uitzondering maken voor dieren in de dierentuin, die kennelijk wel van naam en nummer zijn voorzien. Ik zag dat ze bleven twijfelen aan de verstandelijke vermogens van dieren, met name op het gebied van planning en organisatie. Maar zou in het door files geteisterde Jakarta een konijn of krokodil het verkeer nu echt zoveel slechter plannen dan de huidige gouverneur?

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed