Het Africa Museum in Tervuren heropent: hoe gaat België om met zijn koloniale verleden?

Het Africa Museum in Tervuren heropent: hoe gaat België om met zijn koloniale verleden?

Op zaterdag 8 december vindt de langverwachte heropening plaats van het Africa Museum in Tervuren. Er is flink verbouwd en uitgebreid, maar er is vooral gedekoloniseerd. Als achtergrond bij die vernieuwde, kritische blik op de koloniale periode, kun je hierna een stuk lezen van Guy Vanthemsche over België als koloniale mogendheid: ‘De Belgische kolonisatie was in wezen gekenmerkt door geïnstitutionaliseerd geweld, dwangarbeid, uitbuiting van de werkende bevolking en rassendiscriminatie.’ En over hoe het land daarmee omgaat: ‘De koloniale clichés zitten als het ware vastgeroest in ons geheugen.’

Door de redactie van Ons Erfdeel vzw / Beelden: © KMMA Tervuren

Na een grondige vijf jaar durende renovatie én reflectie is het Africa Museum in Tervuren bij Brussel (vroeger het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika) verdubbeld in omvang en zijn alle tentoonstellingsruimtes gerenoveerd. Maar er is natuurlijk nog meer: honderdtwintig jaar na zijn ontstaan heeft het museum zich gedekoloniseerd.

Presenteerde Tervuren vroeger kunst en volkeren uit Centraal-Afrika zonder noemenswaardige kritische noot, dan wil de vernieuwde tentoonstelling met een scherpe blik kijken naar het koloniale verleden als een immoreel systeem. Ook wil het museum de brug leggen naar het Afrika van vandaag.

Hoe dat is gebeurd en of dat is gelukt, kun je later lezen in Ons Erfdeel. Vast staat dat er hevig wordt gediscussieerd tussen mensen die betreuren dat het museum niet kritisch genoeg is en zij die vinden dat het juist te veel is gedekoloniseerd.

Als achtergrond bij de discussie, kun je hierna alvast een artikel lezen van Guy Vanthemsche over de wijze waarop België omgaat met zijn koloniale verleden (met Congo eerst als privé-eigendom van koning Leopold II en daarna als kolonie van België). Vanthemsche, professor geschiedenis en auteur van diverse boeken en studies over Congo, schreef dit stuk voor het zeer lezenswaardige themanummer van Septentrion over de Lage Landen en hun koloniale geschiedenis.

 

De clichés zitten vastgeroest in ons geheugen

Hoe België omgaat met zijn koloniale verleden


Sinds het einde van de twintigste eeuw herleeft de belangstelling voor de periode van Belgisch Congo. Een jonge, progressieve generatie is oprecht in dat koloniale verleden geïnteresseeerd, veelal omdat zij beseft dat de oorsprong van het huidige racisme niet zelden in deze periode moet worden gezocht.

Door Guy Vanthemsche

Het Belgische koloniale verleden wekt al ettelijke decennia debatten en polemieken op, die soms letterlijk de openbare ruimte in beslag nemen. Vaak zijn ze gericht op monumenten uit de koloniale tijd, die op een min of meer expliciete manier de verdediging opnemen van de Belgische activiteiten in Congo. De voorbeelden zijn legio, ik som ze hier niet allemaal op. Aan de hand van een paar algemene beschouwingen zal ik de oorsprong en reikwijdte van de malaise rond het Belgische koloniale verleden duiden. 

België is uiteraard niet het enige land dat een kolonie heeft bezeten. Er zitten dus twee dimensies aan de controverse omtrent het koloniale verleden. De eerste slaat op de kolonisering in het algemeen, de tweede op de specifiek Belgische kenmerken ervan.

Schendingen van de mensenrechten

Laten we eerst de algemene aspecten onder de loep nemen. Na een eerste expansie in de zestiende eeuw flakkerde het kolonialisme opnieuw op in de negentiende eeuw, toen de koloniale grootmachten hun overzeese bezetting als een weldaad begonnen voor te stellen. In hun ogen was kolonisering synoniem met wereldwijde verspreiding van ‘beschaving’ en ‘vooruitgang’. Mijnen en plantages, scholen en vormingscentra, dispensaria en ziekenhuizen, wegen en spoorwegen, kerken en kapellen hadden barbarij, slavernij, ellende, hongersnood, onwetendheid en bijgeloof vervangen, allemaal in functie van een beter bestaan voor de autochtone bevolkingsgroepen. Dat is grosso modo het beeld dat tijdens de koloniale tijd door de officiële kanalen werd gepropageerd.

Ettelijke decennia later heeft het historische onderzoek brandhout gemaakt van deze vergoelijkende visie. Cru gesteld moeten we de kolonisatie in de eerste plaats beschouwen als het misbruik van een bepaalde samenleving door een andere samenleving. In wezen ging het om een uitoefening van geweld en verdrukking, die inderdaad gebaseerd waren op de overheersing van een beperkte groep vreemdelingen op een grote inheemse bevolking. Die werd op een hardhandige manier onderworpen. Bovendien hield de kolonisatie ook in dat alle plaatselijke rijkdommen door de nieuwe meesters in beslag werden genomen. De winsten werden gedeeltelijk onttrokken aan de regio’s waar ze tot stand kwamen. De hele situatie leidde tot talloze schendingen van de mensenrechten, meestal op basis van raciale vooroordelen.

Zicht van de Introductiegalerij: Een Museum in beweging © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

HUMANE KOLONISERING IS EEN CONTRADICTIO IN TERMINIS

Vanzelfsprekend dienen we dit erg sombere plaatje enigszins te nuanceren. Zo hebben heel wat Europeanen zich uit idealisme aan het koloniale avontuur gewaagd. Ook hebben er in het kader van de kolonisatie wel degelijk bepaalde humanitaire acties plaatsgevonden, en ten slotte kenden niet alle koloniale periodes dezelfde graad van geweld. Toch kunnen we er niet omheen dat een ‘humane kolonisering’ eigenlijk een contradictio in terminis is, want steevast ging het om een geïnstitutionaliseerde, gewelddadige ongelijkheid tussen verschillende mensengroepen. Het is bovendien onmogelijk om al die verschillende aspecten op te splitsen of een balans op te maken van ‘goede’ en ‘slechte’ facetten en te besluiten dat de kolonisatie ‘algemeen genomen positief’ of ‘algemeen genomen negatief’ was. En om voort te borduren op het beeld dat ik hierboven heb gebruikt: beweren dat de kolonisatie ook ‘goede kanten’ bezat, is als zeggen dat een verkrachting toch een mooie baby kan voortbrengen, om zo de brutale aanranding te vergoelijken die tot de geboorte van het kind heeft geleid.

En dan rest natuurlijk de vraag of het kind dat uit een dergelijke gewelddaad is ontstaan, überhaupt zo mooi is… Want ja, er werden wegen aangelegd en kanalen uitgegraven. Er werd een einde gemaakt aan bepaalde vormen van prekoloniaal geweld en er ontstond ‘economische groei’. En ja, er kwam veralgemeend onderwijs, ziekten werden bestreden en vaccinatieprogramma’s op touw gezet. Maar door de ‘destructurering’ van de gekoloniseerde samenlevingen heeft de kolonisatie evengoed nieuwe problemen in het leven geroepen.

Zicht van de lange gang die het onthaalpaviljoen met het oude museumgebouw verbindt © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

Toch betekent dit niet dat hierdoor de aansprakelijkheid wordt opgeheven van een deel van de autochtone, niet-Europese bevolkingsgroepen: een koloniaal regime kon natuurlijk nooit van de grond komen zonder dat bepaalde inheemse bewoners en groepen er hun medewerking aan verleenden. Hetzelfde geldt trouwens voor de postkoloniale fiasco’s: zij zijn in ruime mate te wijten aan de misdaden van een bepaalde inheemse klasse die de hefbomen van de politieke en economische macht in handen kreeg en daarbij niet zelden door de voormalige kolonisator werd gesteund.

Langzamerhand begint dit besef door te sijpelen in de politieke wereld. De voorbije jaren hebben de meeste voormalige koloniale mogendheden dan ook ‘excuses’ aangeboden aan hun voormalige wingewesten of hun spijt betuigd over een of ander aspect van het koloniale verleden. Toch heeft men in België (vooralsnog?) niet die weg gekozen. Waarom? Misschien vanwege het tweede, specifiek nationale aspect, dat ik aan het begin van mijn tekst heb vermeld.

De typisch Belgische kijk: minimaliseren 

De kijk van de Belgische samenleving en overheid op het koloniale verleden wordt door een samenspel van factoren bepaald. De malaise dateert al uit de begintijd van het bewind van koning Leopold II in Congo. Het heeft immers niet lang geduurd voordat het geweld tegen de inheemse bevolking via tal van getuigenissen aan het licht werd gebracht. Slachtpartijen, verkrachtingen, ontvoeringen, opsluitingen, verminkingen, lijfstraffen, vernielde dorpen, onmenselijke arbeidsomstandigheden waren schering en inslag in het Congo van Leopold.

Installatie van Freddy Tsimba Centres fermés, rêves ouverts © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

De soevereine vorst en zijn medewerkers waren wel degelijk op de hoogte van deze schendingen, die volgens huidige maatstaven (bepaling uit 1998 van het Internationale Strafhof) als ‘misdaden tegen de menselijkheid’ zouden worden bestempeld. De misbruiken en slachtpartijen waren niet alleen een structureel gevolg van een systeem dat in het teken van een maximaal winstbejag stond, maar ook van een primitief staatsapparaat waarin wrede (witte én zwarte) agenten op het terrein vrij spel kregen.

Samen met de verspreiding van dodelijke ziekten, de volksverhuizingen, de ontregeling van landbouw en de negatieve impact ervan op de menselijke voortplanting brachten deze gewelddaden in de periode 1885-1920 een beduidende afname van de Congolese bevolking teweeg. We kunnen die terugval helaas niet precies berekenen, maar het aantal wordt geschat op meerdere honderdduizenden tot een paar miljoen mensen.

Passieve houding

Al vanaf de jaren 1890 stonden de situatie in Congo en de politiek van Leopold II zowel in het buitenland als in België hevig onder vuur. De koning en de overige bewindslieden van de Onafhankelijke Congostaat ontkenden de beschuldigingen echter uit alle macht. Ook na de overname in 1908 van de Onafhankelijke Congostaat door de Belgische overheid bleef die de misdaden van het vroegere bewind ontkennen of minimaliseren.

Hoewel de ‘oude garde’ heel goed wist wat er echt aan de hand was, werd voor Leopold II een ware personencultus op touw gezet. Als jonge koloniale mogendheid voelde België zich immers bedreigd door de kritieken op het bewind van zijn koning. En hoewel het nieuwe Belgische regime vanaf 1908 een eind had gemaakt aan de ergste gewelddaden in de Onafhankelijke Congostaat, bleef de Belgische kolonisatie in wezen gekenmerkt door geïnstitutionaliseerd geweld, dwangarbeid, uitbuiting van de werkende bevolking en rassendiscriminatie, ondanks ontegensprekelijke verwezenlijkingen op het vlak van onderwijs en gezondheid en de duidelijk verbeterde levensstandaard van een deel van de Congolese bevolking in de periode 1945-1960.

Zicht van Rituelen en Ceremonies © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

Na de onafhankelijkheid van Congo in 1960 werd het oude ontkennende of minimaliserende discours over de gruweldaden onder Leopold II nooit uitdrukkelijk herroepen. De personencultus, waarin de vorst als ‘geniaal’ werd bestempeld, heeft ervoor gezorgd dat hij met name op het paleis een bijzondere populariteit genoot, zoals men trouwens ook het door de toenmalige propaganda gesmede en geïdealiseerde beeld van Belgisch Congo bleef koesteren.

Ook het leger, dat van oudsher met het koningshuis sympathiseerde, nam deze houding aan. Voorts heerste dezelfde attitude bij een deel van de diplomatie, die op het internationale toneel decennialang alles is blijven ontkennen. Ten slotte hebben heel wat ex-kolonialen die in het Congo van de jaren 1950 hun beroep op een competente, toegewijde manier uitoefenden, op hun beurt bijgedragen tot een positief beeld van het kolonialisme, dat ze tot op heden blijven verdedigen.

Al deze (f)actoren verklaren de passieve houding van de officiële instanties jegens het Belgische koloniale verleden. De koloniale clichés zitten als het ware vastgeroest in ons geheugen.

Het immobilisme werd nog versterkt doordat de Belgische burgerlijke samenleving gedurende lange tijd nauwelijks voor enig tegengewicht heeft gezorgd. De meeste Belgen hadden aanvankelijk nauwelijks of geen belangstelling voor de kolonie. Want hoewel vele landgenoten persoonlijke of familiale banden met Congo hadden, ging het voor de meesten onder hen om een verre, amper bekende werkelijkheid. Na de onafhankelijkheid werd die psychologische afstand nog groter. Komt daarbij dat het antikolonialisme slechts een geringe rol had gespeeld in het België van vóór 1960. Al deze elementen verklaren waarom er na 1960 slechts weinig interesse voor het Belgische koloniale verleden bestond.

Moeilijk toegankelijk archief

Ook het geschiedkundige onderzoek werd lange tijd door datzelfde gebrek aan belangstelling gekenmerkt. Pas vanaf de jaren 1960 vatten een paar (uitstekende) historici als Jean Stengers en Jean-Luc Vellut interesse op voor de kwestie. Hoewel zij de puntjes wel degelijk op de i zetten, kregen ze destijds lang niet de publieke aandacht die ze verdienden. Bovendien waren de voorwaarden om het koloniale archief te raadplegen lang niet ideaal. Niet alle documenten uit de periode van Leopold II waren verdwenen, maar de koning had in 1908 wel tal van dossiers over zijn bewind in de Onafhankelijke Congostaat vernietigd.

De documentatie die vanaf 1908 werd bijgehouden door het voormalige ministerie van Koloniën, is wel intact gebleven en bevindt zich in het archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar alleen archiefstukken ouder dan vijftig jaar waren vrij toegankelijk. Wetenschappers die recentere stukken wilden raadplegen, moesten een aanvraag indienen bij een interne ‘diplomatieke commissie’ van datzelfde ministerie, die hiervoor toestemming kon verlenen, maar de erg willekeurige procedure nam vaak vele maanden in beslag.

Zicht op de xylotheek in Rijkdommen: een Paradox © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

Aangezien de verantwoordelijken van het koloniale archief dikwijls in een sfeer van ontkenning opgegroeid waren, koesterden ze in de jaren 1960 en 70 niet zelden een groet wantrouwen tegen de onderzoekers, die de vergoelijkende kijk op de kolonisatie dreigden te ondergraven en die bijgevolg geen toegang kregen tot ‘gevoelige’ documenten.

Tot overmaat van ramp was het koloniale archief slecht geïnventariseerd en waren de zeldzame middelen die de raadpleging van de dossiers mogelijk maakten evenmin vrij toegankelijk. Als we daar het erg beperkte personeelsbestand van het ‘Afrikaanse archief’ aan toevoegen, wordt het helemaal duidelijk hoe lastig het tot circa 1990 moet zijn geweest om onderzoek naar het Belgische koloniale verleden te voeren.

Congolese diaspora

Tegen het einde van de twintigste eeuw is er een ommekeer. Bij een jonge, progressieve generatie, die daarin onder andere door de Congolese diaspora werd aangemoedigd, flakkerde de belangstelling voor Belgisch Congo weer op. De toegenomen interesse had ook te maken met het besef dat de oorsprong van het huidige racisme tot de koloniale periode teruggaat.

In de jaren 1980 hadden een aantal geïsoleerde onderzoekers, met name voormalig diplomaat Jules Marchal en om antropoloog Daniel Vangroenweghe, de onder Leopold II in Congo aangerichte slachtpartijen opnieuw onder de aandacht gebracht. De Amerikaan Adam Hochschild baseerde zich in ruime mate op hun onderzoek om met zijn boek King Leopold's Ghost (1998) de aanklacht tegen het regime van Leopold II wereldwijd te verspreiden. Andere media trokken het onderwerp vervolgens naar zich toe, zodat het ineens overal aandacht kreeg.

Zicht van Uit de collectie: Weergaloze kunst © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

Tegelijkertijd zorgde het boek van Belgisch socioloog Ludo de Witte over de rol van de Belgische overheid bij de moord in 1961 op de Congolese eerste minister Patrice Lumumba ervoor dat ook de dramatische eindfase van de Belgische kolonisatie onder de loep werd genomen. Ik hoef wellicht niet te herinneren aan de parlementaire onderzoekscommissie die zich in 2000-2001 over de kwestie heeft gebogen om alsnog te achterhalen wat het daadwerkelijke aandeel van de Belgische politiek in deze misdaad is geweest.

Voorts begon een jonge generatie historici zich in dezelfde periode voor de kolonisatie te interesseren. Zij hebben intussen heel wat stukken over Belgisch Congo gepubliceerd. De voorbije twintig jaar is onze kennis over de voormalige Belgische kolonie dan ook enorm toegenomen. Ook is het archief inmiddels veel toegankelijker. De nog lopende overdracht van het Koloniale Archief naar het Algemene Rijksarchief, waar de documenten eindelijk op een systematische manier worden geïnventariseerd, moet uiteindelijk voor de optimale toegankelijkheid van dit ontzaglijke papieren erfgoed zorgen.

Geen voorwendsels meer

Natuurlijk wachten vele vragen over de Belgische koloniale geschiedenis nog altijd op een antwoord. Maar over de wezenlijke aard van het fenomeen bestaat intussen wél duidelijkheid. Er is dus geen bijkomend onderzoek nodig om ‘eindelijk de historische waarheid’ over het kolonialisme te achterhalen.

Onze politieke verantwoordelijken kunnen de lacunes in de actuele historische kennis dus niet langer als voorwendsel gebruiken om zich te onttrekken aan de plicht hun houding tegenover het koloniale verleden publiekelijk bij te stellen. Dat sommige standpunten over bepaalde omstreden kwesties voortaan wel aangenomen worden (of dat men zich kan onthouden) toont aan dat het politieke bedrijf op morele grondvesten is gebaseerd.

In de toekomst zal dit beleid ervoor zorgen dat handboeken en schoolprogramma’s worden aangepast. Ook zal het rechtstreeks wegen op de buitenlandse politiek, de voorstelling van onze identiteit en op heel wat andere aspecten die in onze samenleving op het spel staan. Om al deze redenen is de publieke herziening van onze kijk op het koloniale verleden zo belangrijk.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed