Hoe geraakt de neerlandistiek uit haar impasse?

Hoe geraakt de neerlandistiek uit haar impasse?

Sterk teruglopende studentenaantallen, verminderd maatschappelijk aanzien, afkalvende budgetten: de neerlandistiek (de studie van de landstaal en de daarin geschreven literatuur) gaat door zwaar weer. Sven Vitse legt de problemen en paradoxen bloot, en pleit voor een neerlandistiek die assertief en constructief wetenschappelijke duiding levert bij maatschappelijke kwesties. De letterkunde leent zich bijvoorbeeld uitstekend voor het oefenen van een vaardigheid die in deze tijden acuut bedreigd is: aandacht

Door Sven Vitse, docent moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht

Dit artikel is te lezen in Ons Erfdeel 1/2019

Toen ik in 1999 mijn studiekeuze maakte, kwam het vanzelfsprekende maatschappelijke aanzien van de opleiding Germaanse talen me erg goed uit. Hoewel er ook toen genoeg lieden waren die vonden dat je ingenieur of arts, of in elk geval econoom of jurist moest worden, had “de Germaanse” in Vlaanderen naar mijn aanvoelen een solide reputatie als algemeen culturele studie waarmee je vele kanten op kon, en waaraan je een bepaald soort intelligentie overhield die op de een of andere manier toch respect afdwong.

Hoe een combinatie van taal- en letterkunde in twee Germaanse talen (vaak Nederlands en Engels) precies toegesneden was op hedendaagse maatschappelijke noden, was een vraag die niet urgent gesteld werd en dus niet zo nodig beantwoord hoefde te worden. Je werd “germanist”, en meer hoefde dat blijkbaar niet te zijn.

Van een crisisstemming kan ik me weinig herinneren, ook al vielen de studenten bij bosjes af in het eerste jaar – volgens selectieprincipes waar zelden over werd nagedacht – en werden sommige gespecialiseerde colleges slechts door een handvol studenten gevolgd.

De Vrije Universiteit Brussel, waar deze zorgeloze jaren zich afspeelden, genoot van een bijzondere politieke status, als Nederlandstalige, niet-confessionele universiteit in Brussel, die haar kleinschaligheid legitimeerde. Wie dezelfde opleiding volgde in Gent of Leuven, kon dan weer zonder pardon met honderden medestudenten in een aula gepropt worden.

Legitimeren en reflecteren

Deze terugblik is niet bedoeld als nostalgietrip, noch als analyse. Hij dient louter ter illustratie, bij wijze van contrast, van de situatie waarin ik vandaag werk als docent Nederlandse letterkunde in Utrecht.

Al enige tijd zie ik mezelf genoodzaakt, en vele collega’s met mij, om een deel van mijn werktijd te besteden aan het legitimeren van mijn vak en aan reflectie op de zogeheten crisis waarin dat vakgebied zich bevindt. Dit stuk is slechts een van de talrijke producten van die collectieve oefening.

De studie van de landstaal en de daarin geschreven literatuur gaat in verscheidene plekken in Europa door zwaar weer, en ook aan Vlaamse universiteiten daalt het aantal studenten dat kiest voor een studie Nederlands. Toch wil ik hier focussen op de situatie in Nederland, omdat het bredere probleem onder invloed van lokale factoren in Nederland een eigen vorm aanneemt.

Typerend voor de Nederlandse situatie is onder meer de institutionele inbedding van het vakgebied. In Nederland word ik geïdentificeerd als “neerlandicus”, een woord dat ik vóór mijn aanstelling in Utrecht nog nooit in de mond had genomen. De opleiding Nederlandse taal en cultuur bestaat niet alleen naast opleidingen Engelse of Duitse taal en cultuur, maar ook naast opleidingen literatuurwetenschap, communicatiewetenschap en taalwetenschap.

In deze context kan de vraag naar het bestaansrecht van de neerlandistiek scherp gesteld worden. Waarom is Nederlandse letterkunde geen onderdeel van literatuurwetenschap (en dito voor Nederlandse taalkunde en communicatie)? In hoeverre vormen onze disciplines niet alleen samen een opleiding maar ook een vakgebied?

In tijden van overvloed hoefden deze vragen niet beantwoord te worden. Na een decennium consistent afnemende studenteninstroom kunnen ze niet langer genegeerd worden. Dat is vervelend en tijdrovend, maar niet noodzakelijk slecht.

Het probleem van de instroom brengt me bij de infrastructurele dimensie van de vermeende crisis. Twee op zichzelf staande ontwikkelingen vervloeien in een voor de neerlandistiek noodlottig samenspel: de instroom neemt af in een periode waarin de financiële middelen globaal verminderen en bovendien lokaal volgens steeds strakkere rekenkundige principes besteed moeten worden.

Vergelijk onderwijs met een lijnvlucht: als een lege stoel financieel nadelig is, stuur je dan een vliegtuig half gevuld de lucht in of schrap je de vlucht? Een dergelijke logica kan op relatief korte termijn een vicieus krimpscenario inluiden, met alle instabiliteit, stress en permanente herstructurering van dien.

Het klinkt paradoxaal, maar ook afnemende instroom vergroot de werkdruk – zij het op een andere manier dan overvolle werkgroepen dat doen. Aangezien relatief veel onderzoekers zijn aangesteld als docent in een opleiding steunt de financiering van het vakgebied in grote mate op het universitaire onderwijs. Door deze institutionele verankering is afnemende instroom de meest acute bedreiging voor het vakgebied. 

Veelkoppig monster

Een andere, minder acute dimensie is veeleer van symbolische aard en heeft te maken met de maatschappelijke status van het vak en de opleiding. Deze dimensie is een veelkoppig monster en het blijft lastig om het verband tussen status en studentenaantallen te interpreteren.

Een veelgehoorde hypothese in Nederland luidt dat de reputatie van het schoolvak Nederlands en de kloof tussen het schoolvak en het academische vakgebied een rem op de instroom vormen.

Relatief ondervertegenwoordigd, in elk geval in Utrecht, zijn niet alleen studenten met een migratieachtergrond maar ook mannelijke studenten. Zegt dit iets over de uitstraling van het vak?

Daarnaast is al vaker geopperd dat de afnemende status van de literatuur de legitimiteit van de letterkunde (als deelgebied van de neerlandistiek) aantast. Een interessante vraag daarbij is of – en zo ja, waarom – dit de Nederlandse letterkunde sterker treft dan de vergelijkende, deels verengelste literatuurwetenschap.

Een delicaat aspect van deze symbolische dimensie is de relatie tussen het vakgebied en de natie. Van oudsher is de studie van de landstaal en de daarin geschreven teksten verweven met het project van natievorming en het grote belang dat daarin aan taal en tekstuele cultuur werd gehecht.

Die relatie onderscheidt tot op vandaag de studie Nederlands van een vreemde talenstudie, hoewel die de historische koppeling van taal- en letterkunde delen. Dat onderscheid wordt enigszins verhuld in een onderwijssysteem zoals het Vlaamse waarin twee talen gecombineerd worden, maar springt in het Nederlandse model in het oog.

Dat laatste was wellicht niet altijd zo, zeker niet in de laatste decennia van de vorige eeuw, waarin het aantal studenten Nederlands piekte (een veelvoud van het huidige aantal). De instroom was opmerkelijk hoog in een culturele context waarin nationale identiteit niet expliciet of slechts onderhuids en in de marge van de politiek als een issue werd ervaren – misschien juist omdat ze zo vanzelfsprekend en genaturaliseerd was. Sterker nog: dit was een periode waarin het concept natie aan cultuurwetenschappelijke deconstructie (dan wel taboe) werd onderworpen.

Vandaag valt afnemende instroom samen met een spectaculaire terugkeer van de nationale kwestie in het politieke en publieke debat. In een periode waarin Nederland zich steeds meer zorgen lijkt te maken over nationale identiteit en cultuur, kiezen minder (ouders van) achttienjarigen voor een studie Nederlands.

Tezelfdertijd trekken vakgebieden als geschiedenis en internationale betrekkingen, en ook Engelstalige programma’s, volle zalen. De zorg over Nederlandse cultuur lijkt de tendens tot verengelsing veeleer te versterken dan te keren. Zo bekrachtigt zij een beleid van internationalisering dat gericht is op de instroom van buitenlandse studenten.

Aan die internationalisering zou de neerlandistiek overigens een heel eigen invulling kunnen geven: als internationaal vertakt vakgebied met Nederlands als onderwijstaal heeft zij een bijzondere positie, die zij sterker zou kunnen omarmen.

Nationalistische trom

Ondertussen wordt de verhouding tussen neerlandistiek en heroplevend nationalisme nijpend. In levensbeschouwelijk opzicht staat de neerlandistiek vandaag overwegend haaks op nationalistische overtuigingen. Zij neemt de talige en culturele diversiteit van de hedendaagse samenleving als uitgangspunt en wijst een exclusief natiebegrip af.

Pleidooien voor het vakgebied appelleren niettemin aan het belang van onderwijs en wetenschap in het Nederlands en de bestudering en het behoud van cultureel erfgoed. In het huidige klimaat is dat een penibele positie, want onbedoeld gaat dat pleidooi resoneren met nationalistisch getoonzet cultuurbehoud. Tegelijk legt de kwestie Zwarte Piet al enkele jaren bloot hoe hoog de spanning tussen de studie van Nederlandse cultuur en Nederlands nationalisme kan oplopen. 

Het achterliggende probleem lijkt me dat de politieke en publieke ruimte – in elk geval in Nederland, maar wellicht ook daarbuiten – in toenemende mate gedomineerd wordt door twee ogenschijnlijk tegenstrijdige bewegingen: neoliberale globalisering en identitair nationalisme. Ik schrijf “ogenschijnlijk” in de veronderstelling dat het tweede een neveneffect (backlash) van het eerste is. Op dit moment zijn dit echter twee goed in elkaar klikkende armen van een notenkraker waarin de neerlandistiek klemzit.

Het vakgebied gedijt niet goed in het neoliberale beleidsmodel, met de bijbehorende druk om te verengelsen en de rendementslogica in onderwijs en onderzoek (hoewel er in dit opzicht wellicht verschillen tussen de deelgebieden zijn). Het roeren van de nationalistische trom lijkt vooralsnog een weinig aantrekkelijk alternatief. De buffer van een breed, maatschappelijk verankerd sociaaldemocratisch cultuurideaal is nog slechts residueel aanwezig.

Professionele expertise

Dus? Ik aarzel om, als een volleerde neoliberaal, deze impasse een opportuniteit te noemen. In elk geval dwingt zij de neerlandistiek – allen die betrokken zijn bij instituties op het gebied van Nederlandse taal en cultuur – tot een positiebepaling.

In de huidige context van schaarste kunnen taal-, communicatie- en (historisch en modern) letterkundigen niet langer naast elkaar hun vak beoefenen. Een vernieuwde integratie van de deelgebieden dringt zich op, niet alleen om pragmatische redenen zoals verminderd cursusaanbod, maar ook vanuit een principiële overweging: wat ons bindt, is de verantwoordelijkheid ten opzichte van de diverse talige en culturele gemeenschappen waaruit de samenleving is opgebouwd. Dat betreft zowel lokale als grensoverschrijdende taal- en cultuurgemeenschappen, maar evengoed natuurlijk het landelijke niveau.   

Meer dan ooit heeft een samenleving als de Nederlandse nood aan wetenschappelijke en professionele expertise op het gebied van taalcontact, culturele interactie, taalverwerving, cultuurverspreiding, en tekstuele cultuur in heden en verleden. En net zo evident als de internationale inbedding en oriëntatie van de neerlandistiek is haar verbinding met de talige en culturele kwesties die hier spelen.

Kwesties waarin de neerlandistiek niet als arbiter of voorlichter dient op te treden – weerzin tegen de vermeende partijdigheid en morele superioriteit van cultuurkritiek speelt ons vakgebied parten – maar wel assertief en constructief wetenschappelijke duiding en analyse moet leveren.

De neerlandistiek moet bovendien specialisten opleiden die in het onderwijs, in de publieke ruimte en in het beleid de talige en culturele emancipatie van allen kunnen ondersteunen. Geïntegreerd inzicht in de talige en culturele compositie van de samenleving is voor die taak een vereiste. 

Gemeenschapsvormend potentieel

De letterkunde in het bijzonder moet zich verhouden tot de complexe rek- en strekbewegingen die het literatuurbegrip de voorbije decennia heeft ondergaan – van canoniek tot canonkritisch.

Behoudt de letterkunde de positie die ze van oudsher binnen de neerlandistiek heeft bekleed? De bacheloropleiding heet “Nederlandse taal en cultuur”, dus lijkt het legitiem om de culturele dimensie ruimer op te vatten dan de traditionele invulling van letterkunde.

In elk geval stelt zich de vraag naar afbakening: welke culturele uitingen behoren tot het onderzoeksgebied van de letterkunde en tot het curriculum van een studie Nederlandse taal en cultuur?

Hoewel ik geneigd ben letterkunde breed op te vatten als tekstuele cultuur, inclusief gesproken en gezongen teksten, geloof ik dat de aandachtige en langzame studie van integrale literaire werken vandaag meer dan ooit maatschappelijk relevant is. Het doel daarvan is niet langer om esthetische (en dus sociale) hiërarchieën aan te brengen, te bestendigen of te contesteren.

Literaire teksten zijn in de eerste plaats geschikt studiemateriaal omdat ze compacte en duurzame informatiebronnen zijn. Vorm en thematiek registreren culturele ervaringen in een geconcentreerde en relatief toegankelijke vorm.

Daarnaast lenen literaire teksten zich goed voor het oefenen van een acuut bedreigde cognitieve vaardigheid: aandacht. Misschien is dit vandaag wel de meest urgente taak van de letterkunde: basale aandachtstraining in een technologische en commerciële context die dit vermogen vernietigt.

Ten slotte is het gemeenschapsvormende potentieel van literatuur in de hedendaagse cultuur bij uitstek maatschappelijk relevant. De complexe psychische, fysieke en emotionele klachten waarmee velen vandaag worstelen, worden in de neoliberale samenleving overwegend als individuele verantwoordelijkheid beleefd. Problemen die ons collectief bedreigen, zoals sociale ongelijkheid en klimaatverandering, worden systematisch verhuld achter gemakkelijk te exploiteren identitaire conflicten.

In literaire teksten, en in de gezamenlijke lectuur en studie daarvan, kunnen deze problemen opnieuw – zij het op kleine schaal – collectief worden gemaakt en in een gemeenschappelijke context worden geplaatst.

Vanuit dit perspectief kunnen neerlandici deze culturele uitingen betekenissen geven die niet alleen door vakgenoten maar ook door hun publiek als verrijkend en verruimend worden ervaren.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed