Intussen in Frankfurt: ‘Een blik gericht op de horizon - kinder- en jeugdliteratuur in de Lage Landen’

Het is de laatste dag van de Frankfurter Buchmesse 2016, met Vlaanderen en Nederland als gastland. Een van de troeven van de Nederlandstalige literatuur zijn de boeken voor kinderen en jongeren. Dat werd opnieuw duidelijk met de Deutsche Jugendliteraturpreis die auteur Edward van de Vendel, illustrator Anton Van Hertbruggen en vertaler Rolf Erdorf wonnen op de Frankfurter Buchmesse voor de Duitse vertaling van Het hondje dat Nino niet had (De Eenhoorn, zie foto). Van de Vendel komt ook voor in het laatste artikel in onze blogreeks waarin we de staat opmaken van de literatuur in de Lage Landen. Mirjam Noorduijn schetst de kinder- en jeugdliteratuur. Wat de beste boeken volgens haar “uniek maakt en onderscheidt van boeken voor volwassenen is dat ze, zoals creatieve alleskunner Joke van Leeuwen dat noemt, ‘van onder af geschreven’ zijn. Via een subversieve (kinder)blik die – en dat geldt zeker voor de verhalen van Van Leeuwen – dikwijls garant staat voor een flinke dosis absurde logica, dwingen ze je de wereld even door andere ogen, of met nieuwe ogen te aanschouwen.” En ook al staat het literaire kinderboek in deze digitale, cultureel onzekere tijden onder druk, er zijn gelukkig nog genoeg schrijvers die oog hebben voor de “grenzeloze verbeeldingskracht en de verhalen die daaruit voortkomen”.

 

Een blik gericht op de horizon

Kinder- en jeugdliteratuur in de Lage Landen

Een land aan zee is grenzeloos. Of misschien is het beter te zeggen: lijkt grenzeloos. Het open water met ver weg de ongrijpbare horizon nodigt uit tot ontdekkingsdrang en avontuur. Maar dichtbij veroorzaakt de golvende kracht van de zoute zee en de wind die altijd waait een voortdurende beroering. Onvermijdelijk gaat die gepaard met strijd om ruimte. Wat is het verstandigst? Indammen en polderen? Of het water vrij laten stromen?

Het cultuurlandschap van de Lage Landen als strijdtoneel van grenstrekkers en vrijdenkers: het is een verleidelijke metafoor voor de aan het begin van de eenentwintigste eeuw opnieuw opgelaaide strijd in kinderboekenland waar kindgerichte mensen en letterenmensen touwtrekken om het predicaat kinderboek.

Die strijd komt goedbeschouwd direct voort uit de vraag wat jeugdliteratuur eigenlijk is. Bestaat het überhaupt wel? En als het bestaat, hoe verhoudt het zich dan tot literatuur voor volwassenen? Is een kinderboek alleen voor kinderen bedoeld en moet het dus doelgroep gericht geschreven zijn en ook zo beoordeeld worden? Of is een goed kinderboek een met literaire (stijl)middelen geschreven boek dat vanuit tekst en beeld bekritiseerd dient te worden en pas geslaagd is als ook volwassenen het kunnen waarderen? Onder het motto dat opvoedkundige principes en doelgroepen het wezen van de literatuur vreemd zijn?

Eind vorige eeuw leek deze strijd te zijn beslecht in het voordeel van de letterenmensen. De kinderliteratuur was, nee, leek, volwassen geworden. Imme Dros, Wim Hofman, Joke van Leeuwen, Bart Moeyaert, Anne Provoost, Toon Tellegen, zeg maar de kinderboekenschrijvers die hun taal en fantasie in vrijheid laten stromen, werden bejubeld. En hetzelfde kan worden gezegd over illustratoren als bijvoorbeeld Kristien Aertssen, Carll Cneut, Gerda Dendooven en Klaas Verplancke, die door hun durf om buiten de lijntjes te kleuren de Vlaamse illustratiekunst groot hebben gemaakt. Tot aan de millenniumwisseling vertoefden deze – inmiddels gevestigde – taal- en beeldkunstenaars heel prettig in een grenzeloos land aan zee, waar de artistieke kwaliteit van hun werk in hoog aanzien stond. Uiteindelijk was iedereen het er wel over eens dat kinderen geen halve mensen zijn. Dat alle emoties die volwassenen kennen, emoties zijn die kinderen ook kennen. En dat kinderboeken dus geen halve boeken zijn en kinderboekenschrijvers dus geen halve schrijvers. Zij proberen, net zo goed als schrijvers voor volwassenen, op hun eigen poëtische wijze “de ruimte van het volledig leven” te verbeelden, om met Lucebert te spreken.


DE HEMEL AAN DE WERELD VASTGENAAID

Wat hun boeken uniek maakt en onderscheidt van boeken voor volwassenen is dat ze, zoals creatieve alleskunner Joke van Leeuwen dat noemt, “van onder af geschreven” zijn. Via een subversieve (kinder)blik die – en dat geldt zeker voor de verhalen van Van Leeuwen – dikwijls garant staat voor een flinke dosis absurde logica, dwingen ze je de wereld even door andere ogen, of met nieuwe ogen te aanschouwen. Sjoerd Kuyper, wiens oeuvre in Nederland in 2012 met de driejaarlijkse Theo Thijssenprijs werd bekroond, en zijn jongere veelvuldig geprezen collega Edward van de Vendel sluiten zich bij Van Leeuwens visie aan. Een goed kinderboek, zei Kuyper in 2009 in zijn Annie M.G Schmidtlezing – een van de weinige podia in de Lage Landen waar gerespecteerde kinderboekenschrijvers sinds het begin van de nieuwe eeuw zich kunnen uitspreken over de ontwikkelingen in hun vak – is “geschreven met het hart van een kind en de hand van een volwassene”. Of in Van de Vendels woorden gezegd: er “moet een kinderadem door het boek waaien” (uit de Annie M.G. Schmidtlezing, 2006). Het doel van deze kinderboekenmakers is echter hetzelfde als van schrijvers voor volwassenen: ze willen met woorden verwondering en verwarring scheppen. Grote levenszaken, zoals de dood, kunnen aldus prima aan de orde komen, zolang het kinderperspectief maar klopt en in ere wordt gehouden.

Van de Vendel zelf doet dat heel goed. In de poëziebundel Superguppie (2003) – voorzien van frisse illustraties van Fleur van der Weel gemaakt met kroontjespen en inkt –  staan kindergedichten die recht je hart ingaan, juist door hun bedrieglijke eenvoud. Merel bijvoorbeeld: ‘Er lag een merel/ neergevouwen/ dood op het station./ Ik wist niet dat dat kon./ Zoveel mensen die vertrekken,/ niemand om hem toe te dekken./ Ik wist niet dat dat kon./ Dat alles zo kon zijn./ Dat mama heel hard liep en riep:/ We missen onze trein.’ 

Een afbeelding uit Superguppie (Edward van de Vendel en Fleur van der Weel).

Maar ook Kuyper weet de gevoelswereld van een kleuter knap van binnenuit te beschrijven. Zijn beeldspraak past altijd perfect in het referentiekader van een jong kind en leidt tot knappe dialogen en bespiegelingen die in hun eenvoud veelzeggend zijn. Mooi is de scène in het door Marije Tolman fraai met dromerige kleuren geïllustreerde O rode papaver, boem pats knal! (2011), Kuypers negende en laatste boek over de ontwapenende kleuter Robin, waarin de auteur de onmetelijkheid van de wereld zoals een kind die kan ervaren, als volgt in woorden vangt: Daar (waar het dorp van Robin eindigt) “kom je in de weilanden. Die zijn zo groot – van je tenen tot aan de horizon. Op de horizon staan bomen. Ze lijken klein en dun als draadjes garen, het garen waarmee mama knopen aan Robins broek zet. Het is alsof daar de hemel aan de wereld is vastgenaaid.”

DE MASSA DICTEERT

Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw is de wereld echter in rap tempo veranderd. Het leven is onder zware druk komen te staan van web 2.0 en de nieuwe media. De hele wereld ligt aan het digitale infuus: constant online zijn we inmiddels zodanig bedwelmd dat we het ononderbroken geroeptoeter dat we dagelijks over ons heen krijgen gestort, stelselmatig verwarren met vrijheid van meningsuiting. Gevolg daarvan is dat de smaak van de massa dicteert en literatuur nauwelijks nog enige status heeft.

Vanzelfsprekend hebben die ontwikkelingen ook hun weerslag op de kinderboekenwereld in de Lage Landen. De oude garde constateert dat “het jeugdliteraire gouden eeuwtje voorgoed voorbij is” en spreekt over “een restauratieve tendens, die terug wil naar veilige tijden van weleer, toen er nog een onbetwist onderscheid bestond tussen kinderboeken en literatuur voor volwassenen”.

Helemaal ongelijk hebben die critici niet. Een kinderboek als vorm van literatuur beschouwen is tegenwoordig op voorhand al verdacht en kindonvriendelijk. De “dictatuur van de literaire norm” wordt gevreesd door onderwijzers, ouders, bibliothecarissen, recensenten en ja, zelfs door schrijvers. Uitgevers kiezen zodoende steeds minder vaak voor literaire (jeugd)boeken. Ze zijn bang dat die niet verkopen. Met bestsellers en receptmatig geschreven series vol gewhatsapp en gechat en genavelstaar waarvan de eigentijdse Hoe overleef ik-reeks van Francien Oomen een sprekend voorbeeld is, valt simpelweg meer geld te verdienen dan met literaire uitzonderingen als bijvoorbeeld De gans en zijn broer (2014) van Bart Moeyaert en Gerda Dendooven, of het tien jaar eerder uitgebrachte De Noordenwindheks van dubbeltalent Daan Remmerts de Vries. De eerste titel is een kleine bundel met mooie korte verhalen en even zo mooie illustraties over twee ganzen die allebei ook broer zijn en onbedoeld op zoek gaan naar de zin van hun bestaan. De andere titel is een verontrustend “omkeerboek” waarin twee doodzieke elfjarigen die een ziekenhuiskamer delen elkaar hun verhaal doen en ondertussen de mythe van de doodsgevaarlijke “noordenwindheks” verzinnen, tegen wie ze strijden op leven en dood.

Een illustratie uit De gans en zijn broer (Bart Moeyaert en Gerda Dendooven).

TEGEN DE STROOM IN

Maar hoewel “de ruimte van het volledig leven” door vercommercialisering en angst wordt ingedamd, zijn er nog steeds kinderboekenschrijvers en illustratoren die – in navolging van Paul Biegels fameuze kleine kapitein – “wijdbeens met hun ogen op de kim” tegen de stroom in de zee opvaren, op weg naar de horizon en het liefst daar voorbij, met in hun kielzog een nieuwe, grenzeloze generatie kinderboekenmakers.

Wat deze nieuwe grenzeloze generatie met de oude gemeen heeft, is haar visie op het schrijverschap. Ze vinden het allemaal prima om jeugdboekenschrijver genoemd te worden, maar voelen zich in eerste instantie vooral schrijver. Het is niet omdat er jeugd voor staat dat volwassenen een boek niet meer hoeven te lezen, zeggen ze. Jonge, gewaardeerde en geprezen schrijvers als Gideon Samson en Simon van der Geest geloven dat literatuur voor kinderen en volwassenen uit dezelfde bron voortkomt. Zo heeft Samson in meerdere interviews aangegeven niet bezig te zijn met zijn publiek als hij schrijft – kinderboeken schrijven is voor hem een manier om zich artistiek te uiten.

Net zoals Kaatje Vermeire, een van de grootste illustratietalenten uit Vlaanderen van dit moment, niet aan haar publiek denkt als ze tekent en zelfs nooit is vertrokken vanuit de opzet voor kinderen te illustreren, zo bekende ze. Op zoek naar wat de kern van het leven is, wil ze in vrijheid grenzen kunnen overschrijden. Kort gezegd: kunst maken.

Zoals dat ook geldt voor dichter en beeldend kunstenaar Ted van Lieshout. Toen hij in 2012 de Woutertje Pieterse Prijs voor Driedelig paard won – een intrigerend en uniek samengaan van woord, beeld en vorm en een hoogtepunt in zijn in 2009 met de Theo Thijssenprijs bekroonde oeuvre – vertelde hij onomwonden in een interview dat elk boek voor hem een kunstwerk moet zijn.

De kaft van Driedelig paard (Ted van Lieshout).

OOGSTRELEND GRENSVERKEER

Opmerkelijk genoeg winnen kunstwerken in de vorm van kinderboeken de laatste jaren gestaag terrein. Zo oogstten Vlamingen Peter Verhelst en Carll Cneut veel lof voor hun schitterende prentenboek Het geheim van de keel van de nachtegaal (2009). Dat boek is een in alle opzichten betoverende hervertelling van Hans Christian Andersens sprookje De Nachtegaal (1843), waarin schrijver voor volwassenen Verhelst en meester-tekenaar Cneut elkaar perfect in beweging en ritme volgen en als het ware dansend een nieuw verhaal met ongekende vergezichten creëren.

Een illustratie uit Het geheim van de keel van de nachtegaal (Peter Verhelst en Carll Cneut).

Maar ook Bette Westera – de nieuwe Annie M.G. Schmidt van de Lage Landen – en de door experimenteerdrift aangejaagde Sylvia Weve (van huis uit grafisch vormgeefster) stuwen elkaar de laatste jaren tot grote artistieke hoogte. In zowel de poëziebundel Aan de kant, ik ben je oma niet! (2012) – noem het “een papieren verzorgingshuis” waaruit blijkt dat oud ook ooit jong is geweest – als de taboedoorbrekende geprezen versjesbundel Dood-Gewoon (2014) tonen ze hoe vakmanschap en verbeeldingskracht in uiterst originele en fantasierijke boeken resulteren. Ethiek en esthetiek, ontroering en humor en gedurfde maatschappijkritiek gaan daarin op speelse wijze samen.

Een recent oogstrelend en artistiek hoogtepunt binnen de non-fictie is Het Raadsel van alles wat leeft (2013), een verrassend verbeeldingsrijke en tegelijkertijd heldere weergave van het evolutieverhaal van Jan-Paul Schutten en nieuw Nederlands illustratietalent Floor Riedel. 

Een pagina uit Het raadsel van alles wat leeft (Jan-Paul Schutten en Floor Riedel).

Het is overigens opvallend en vreugdevol te constateren dat binnen de jeugdliteratuur dit subgenre als literaire kunstvorm de laatste jaren tot volle wasdom is gekomen en zoveel boeken erin slagen door een subtiel spel tussen feit, beeld en verbeelding het onzichtbare voor kinderen zichtbaar te maken.

Zeker, de uitgevers van deze oogstrelende boeken verdienen een compliment. Want wie durft in deze voor de branche moeilijke tijd nog zijn nek uit te steken? Wie durft er nog poëzie voor kinderen op de markt te brengen. Of boeken met linnen ruggen, leeslinten en goud-op-snee? Dat zijn er maar weinigen. Helaas. Want juist de uitgevers die de laatste tien jaar risico’s hebben genomen, hebben aangetoond dat er wel degelijk een markt bestaat voor minder voor de hand liggende boeken en dat creativiteit, eigenzinnigheid en kwaliteit ook in onze gedigitaliseerde tijd nog steeds verkopen.

Je kunt rustig stellen dat zonder een uitgever als De Eenhoorn, de Vlaamse illustratiekunst nooit had kunnen uitgroeien tot het beste wat er momenteel gemaakt wordt in het genre. In haar boek Buiten de lijntjes gekleurd (2006) belicht jeugdliteratuurkenner en Eenhoorn-uitgever Marita Vermeulen maar liefst tweeëntwintig talenten die zich op de interessante grens van illustratie en autonome kunst begeven, daarbij refererend aan de grote meesters uit de kunstgeschiedenis.

De naïeve richting wordt vertegenwoordigd door onder meer Kristien Aertssen, Guido Van Genechten en Ingrid Godon, die zich in haar portrettenboek Ik denk (2014), met teksten van Toon Tellegen, onverwacht als een zuiver autonome kunstenaar manifesteert. De stijl van Klaas Verplancke lijkt geïnspireerd op de Vlaamse primitieven en Jheronimus Bosch. En de heerlijke kijkboeken van Tom Schamp over kleuter Otto bevatten dan weer vele knipogen naar het surrealisme.

Een illustratie uit Ik denk (Ingrid Godon).

HET ONSCHULDIGE KIND IS DOOD

Grenzeloosheid: dat is wat de nieuwe eenentwintigste-eeuwse kinderboekenmakers met elkaar gemeen hebben. In de wetenschap dat alles en iedereen tegenwoordig constant met elkaar verbonden is, beschouwen zij de hele wereld als hun speelterrein. En waarom niet? Waarom zou je muren willen bouwen? Het is zinloos. De wereld wordt er niet veiliger van. Kinderen razen nog harder over de elektronische snelweg dan volwassenen. En een rijbewijs hebben ze niet nodig. Ze rijden waar ze willen rijden. Ze stoppen waar ze willen stoppen. En ze delen wat ze willen delen, met vriend en vijand. Het onschuldige kind bestaat niet meer. Die mythe is definitief ontkracht. De volwassenenwereld is de kinderwereld, en daarmee het kinderboek, definitief binnengedrongen.

Zo schrijft Marjolijn Hof meesterlijke verhalen over kinderen die geconfronteerd worden met ingewikkelde volwassen kwesties waar ze nauwelijks invloed op hebben. Wat kan je bijvoorbeeld doen als je tien bent en vreest voor het lot van je vader die als legerarts wordt uitgezonden naar gevaarlijk oorlogsgebied? Zoals het meisje Kiek overkomt in Hofs veelgeprezen debuut Een kleine kans? Wachten tot hij veilig terugkeert? Of  het lot een handje helpen, misschien wel tegen beter weten in?

Oorlogsgeweld, huiselijk leed, incest, pesten tot de dood erop volgt, een geplande zelfmoord van een puber, homofilie: er is geen onderwerp waarover tegenwoordig niet in kinder- en of jeugdboeken wordt geschreven. Meedogenloos zijn de schrijvers, maar stilistisch sterk en groot in hun kijk op de kinderpsyche.

De meest compromisloze schrijver is Floortje Zwigtman, die eerst furore maakte met het veelzijdige en veelomvattende Wolfsroedel (2002) en daarna met haar Groene Bloem-trilogie (2005-2010): drie vuistdikke boeken over de zeventienjarige homoseksuele Adrian Mayfield die in het Victoriaanse Londen van Oscar Wilde, de beroemdste homoseksueel uit de literatuur, moet zien te overleven en op de rand van de afgrond in een existentiële strijd belandt. Geweld en bloeddorst in Wolfsroedel, afpersingpraktijken, expliciete homoseks en hoererij in haar trilogie: Zwigtman is nietsontziend. De nare kanten van het bestaan hoeven wat haar betreft niet te worden rechtgezet, omdat het een kinder- of jeugdboek is. In meerdere interviews benadrukt ze dat ze allergisch is voor mensen die nog steeds het idee hebben dat kinderen en jongeren in “een lieve wereld” wonen en dat alles aan het einde kan goed komen, met een wijze les.

Wolfsroedel van Floortje Zwigtman.

HEMEL OF HEL OF BEIDE

Eenzelfde grenzeloze ontwikkeling is waarneembaar in de jeugdromans over de Eerste en Tweede Wereldoorlog, die onophoudelijk en veelvuldig blijven verschijnen. Deze romans draaien niet zozeer om de historische plot, maar richten zich vooral op de innerlijke groei van de jonge hoofdpersonen en de onmogelijke dilemma’s over leven en dood en verraad en trouw waarmee ze zich geconfronteerd zien. Een ijzersterk voorbeeld is Allemaal willen we de hemel (2008). In dit veelomvattende, knap geconstrueerde verhaal ontvouwt Els Beerten – tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog – de levensverhalen van vier Vlaamse jongeren die, balancerend op de grens van goed en kwaad, tot de pijnlijke conclusie komen dat de hemel die iedereen op aarde wil heel lelijk blijkt.

En er zijn meer van die sterke psychologische oorlogsverhalen over het menselijk tekort en het menselijk lijden. Indrukwekkend is ook het ten tijde van de Eerste Wereldoorlog gesitueerde De Hondeneters (2009). Hierin schildert Marita de Sterck via de ogen van een epileptische jongeman het Vlaamse platteland in oorlogstijd, waar bittere armoede, diepe honger en smerig verraad mensen in beesten verandert. Minder grimmig maar even pijnlijk om te lezen is Bajaar (2011), de intrigerende door twee oorlogen getekende Brabantse familiegeschiedenis van Martha Heesen over wachten en hopen tegen beter weten in, over “ooit” dat verandert in “nooit”. En wie denkt dat ieder verhaal over de Tweede Wereldoorlog al wel eens verteld is en iedere oorlogsroman ondertussen geschreven, kent de De hemel van Heivisj (2010) van Benny Lindelauf nog niet. Een hecht gecomponeerde roman over kiezen en niet kiezen en toch verliezen, rijk aan verhaallijnen, personages, en indringende beelden, rijk aan sprankelende dialogen, humor én tragiek: de oorlog eiste in Sittard (Limburg) procentueel gezien de meeste Joodse slachtoffers van Nederland. “Op een regenachtige middag moest ik naar de Hemel”, klinkt Lindelaufs openingszin, hoopvol. Uiteindelijk overleefde slechts één procent de hel. Misschien is De hemel van Heivisj wel de meest complete jeugdroman van de afgelopen tien jaar, die laat zien dat de jeugdliteratuur alsnog volwassen is geworden.

De hondeneters van Marita de Sterck.

SPRINGLEVEND

Hoe de strijd om de jeugdliteratuur zich ook ontwikkelt, en hoe somber enkele critici van de oude garde ook mogen zijn over de toekomst van het artistieke kinderboek in de Lage Landen, kennelijk verschijnen er elk decennium nog steeds voldoende letterlijk en figuurlijk prachtige, authentieke boeken van een hoge kwaliteit die bewijzen dat het genre springlevend is. Dat vrijdenkers krachtiger zijn dan grenstrekkers. Dat je creativiteit nooit kunt indammen. Dat “de ruimte van het volledig leven” onmetelijk en onvoorspelbaar is. Voor iedereen.

En dat we allemaal – kinderen en volwassenen – onze grenzeloze verbeeldingskracht en de verhalen die daaruit voortkomen ook in de eenentwintigste eeuw nodig hebben om de wisselvalligheden van het lot te kunnen trotseren en ons leven te kunnen leven, vrij en onverschrokken met onze blik gericht op de horizon.

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed