Jheronimus Bosch is weer even thuis in het Noordbrabants Museum

Jheronimus Bosch is weer even thuis in het Noordbrabants Museum

Er hangt weer een origineel werk van Jheronimus Bosch in het Noordbrabants Museum: De Aanbidding der Koningen, een bijzondere bruikleen van het Metropolitan Museum of Art in New York. Op de expositie Uit de stal van Bosch zijn tegelijk een reeks kopieën en gelijkaardige afbeeldingen van de Drie Koningen te zien. In dit stuk lichten we een paar bijzonderheden ervan toe – die vierde koning, zou dat Satan kunnen zijn?

Door Frank van der Ploeg

Met Jheronimus Bosch heeft het Noordbrabants Museum een ijzersterk merk in huis – zonder dat het ook maar één werk van de meester in de collectie herbergt. Geen bezwaar, zo bleek al in 2016: veel instellingen stonden, in ruil voor kennis, conservering en restauratie, bruiklenen af voor de expositie Visioenen van een genie, die een overweldigend succes werd. Sequels konden dus niet uitblijven. De eerste daarvan heet Uit de stal van Bosch, is nog tot 10 maart te zien in ’s-Hertogenbosch. Het centrale thema is Bosch’ beroemde schilderij van de Drie Koningen en de wijze waarop zijn vele navolgers datzelfde tafereel hebben afgebeeld.

Eind 2018 bezocht ik Upton House bij Banbury, Warwickshire. In een tot privémuseum verbouwde squashzaal trof ik daar een triptiek uit de omgeving van Jheronimus Bosch. Onmiskenbaar bosschiaans was de eigenzinnige iconografie. Dat werk is nu een van de topstukken van Uit de stal van Bosch. Het is niet geschilderd door Bosch zelf, maar staat wel zo dicht bij erkend werk dat het mogelijk in zijn atelier is ontstaan.

Upton House, Banbury. Zaaloverzicht van tot privémuseum verbouwde squashzaal. De rode lijn geeft aan hoe de squashzaal functioneerde.

Daarmee raken we aan de kern van deze nieuwe expositie en de bijbehorende publicatie. Gaf het Bosch Research and Conservation Project (BRCP) voor de grote tentoonstelling Visioenen in 2016 nog richting aan het onderscheid in eigenhandig werk en dat van anderen, dan is BRCP II nu meer gericht op de atelierpraktijk. 

Eén van de vroegste werken uit het oeuvre van Bosch is opnieuw naar ’s-Hertogenbosch gekomen: De Aanbidding der Koningen (ca. 1475) uit het Metropolitan Museum of Art, New York. Een versie uit ca. 1495, een triptiek uit het Prado, is niet zelf op de tentoonstelling aanwezig, maar wordt wel vertegenwoordigd door kopieën en navolgingen. De New Yorkse Aanbidding is slechts eenmaal gekopieerd, maar van Bosch’ Prado-triptiek zijn er ruim dertig navolgingen in alle soorten en maten overgeleverd – ook het middenluik van de triptiek uit Upton House gaat erop terug.

Jheronimus Bosch, Aanbidding der Koningen, ca. 1475, olieverf op paneel. New York, The Metropolitan Museum of Art, John Stewart Kennedy Fund, 1913 New York.


Principalen, replieken en kopieën

Kopieën hadden in de vijftiende en zestien eeuw niet zo’n negatieve bijklank als nu. De meesters uit die tijd – het woord kunstenaar dateert van later – kenden hun klassieken. Via prenten en eigen tekeningen naar werk van anderen en henzelf ontstonden beeldtradities. Zeker toen er een markt opkwam voor privédevotie werden schilderijen soms zelfs al in opzet seriematig geproduceerd.

Meestal is er sprake van een ‘principaal’, de eerste conceptie. Wanneer een meester een eigenhandige kopie maakte, noemen we dat nu een repliek. En dan zijn er nog talloze vormen van kopieën binnen en buiten het atelier. Een kopie kon worden gemaakt in opdracht; vorsten verzamelden graag werk van grote meesters en wanneer een bepaald schilderij niet kon worden losgeweekt van een kerk of klooster, dan was een goede kopie een aanvaardbaar alternatief.

Jheronimus Bosch, The Adoration of the Magi, Museo del Prado, Madrid

Dat de Prado-triptiek de oerversie is van deze weergave door Bosch blijkt uit de vele ‘repentirs’ of hernemingen door de schilder. Met dank aan onder andere infraroodreflectografie (IRR)- en röntgenopnamen zie je hem als het ware zoeken. Bij de kopieën – het betreft louter het middenluik – is het niet vast te stellen hoe, waar en wanneer ze tot stand zijn gekomen. Sommige staan zeer dicht bij de ‘principaal’, maar de details zijn altijd anders. De met IRR blootgelegde ondertekeningen van kopieën naar het Prado-middenluik tonen soms een creatievere, schetsmatige benadering en soms een ‘strakkere’ praktijk die duidt op zuiver kopieerwerk.

Zonder volledig sluitende conclusies te kunnen verbinden, vergelijken de onderzoekers drie werken die mogelijk tegelijk in het atelier van Bosch zijn ontstaan: het al vermelde drieluik in Upton House (ca. 1520), een paneel in Petworth House (1510-1520) en een paneel in Philadelphia (na 1512). Verschillen en overeenkomsten met elkaar en de principaal zijn er genoeg, maar wat het meeste opvalt, is de Maria-figuur. Die is op het origineel in het Prado naar verhouding  tot de andere figuren overdreven groot, wat bij alle drie de kopieën is overgenomen. Maar waar Maria in de Upton House-triptiek onveranderd groot is gebleven, is ze op de beide andere panelen in twee stappen verkleind, wat wijst op een (simultaan?) hernieuwd inzicht.

Omgeving Jheronimus Bosch, Aanbidding der Koningen, ca. 1520, olieverf op paneel. Banbury, Upton House, The Bearstead Collection (National Trust). Foto: Frank van der Ploeg.


Drie koningen

In de tijd van Bosch leefde het fenomeen Drie Koningen sterk. Het werd gevierd in de St.-Janskerk en tijdens een processie werd als reliek een doorn uit de kroon van Christus rondgedragen. Bosch zal de processies van jongs af aan hebben bijgewoond. In de zomerse St. Jans-processie liepen de Drie Koningen mee met vergulde kronen op het hoofd en banieren in de hand. Familieleden van Bosch zorgden mede voor de aankleding van deze koningen. Aan het einde van de processie vond een mysteriespel plaats, het Driekoningenspel.

Met dit alles in het achterhoofd is het wellicht te verklaren dat Bosch in zijn eerste versie van het tafereel kiest voor, toch zijn doen, overdadig bladgoudgebruik en een toneelmatige setting, al is daar wel beeldtraditie aan te wijzen. Bosch’ gevoel voor detail en originaliteit uit zich niet alleen in de weergave van het ‘gewone’ liturgische vaatwerk waarmee de Koningen wierook en mirre meebrengen, maar ook in de nieuwe oosterse snavelkan en het kromzwaard. Ze zijn zo correct weergegeven dat hij deze (of vergelijkbare) voorwerpen wellicht met eigen ogen heeft gezien.

Verlossing uit de dood

De geschenken van de koningen (en overige zaken als aanwezigen, aankleding etc.) zijn op de vroegst bewaard gebleven Aanbidding van Bosch eenvoudig te herleiden en te duiden. Maar op de triptiek in het Prado etaleert hij een unieke iconologische structuur. Zo uniek dat er nog altijd geen sluitende verklaring voor het verbeelde is, al komen de onderzoekers ver.

Bij beide werken ligt de dood (van Christus, die daarmee de zonden op zich neemt) al op de loer. Op het paneel in New York is de doodsdreiging beperkt tot een kruis in de achtergrond en een leger dat door het landschap trekt. Zijn dat – voor de goede verstaander – de mannen van Herodes die op zoek zijn naar pasgeborenen, op weg naar wat de legende van de Kindermoord zou worden?

Nee, dan de triptiek in het Prado. Alle iconografische puzzelstukjes dragen bij tot één duiding: dankzij het offer van Christus wordt de mens verlost (uit de dood). De koningen zijn op het middenluik uitgerust met nogal buitenissige en vooral sprekende attributen, en naast het gebruikelijke trio goud, wierook en mirre voor Christus offeren ze nogal wat af. Het zijn prefiguraties van wat gaat komen.

Onder de mantelkap Van Caspar treffen we een zeldzame geschiedenis: het brandoffer van Manoach en zijn vrouw na de aankondiging van de engel dat zij na lang wachten zwanger zal worden. Het te verbranden bokje laat zich linken met een evenknie bij wat de wat dieper geknielde Melchior, de oudste van de koningen, mee heeft gebracht. Diens gouden schaal met beeldhouwwerk toont Abraham op het moment dat hij zijn zoon Isaac wil offeren. Isaac draagt zijn takkenbos op de rug zoals Christus met zijn kruis moest doen. Het verhaal is verder bekend: de engel houdt Abraham tegen: in plaats van zijn zoon is het achter het altaar staande bokje de klos. De parallel met zondebok Christus is wel duidelijk.

En dan is daar de jongste koning Balthasar, de donkere Afrikaan, gekleed in een prachtig contrasterend wit gewaad. Kijkend naar de takjes op het hoofd van zijn page is een associatie met een doornenkroon niet ver weg. Het zullen mirretakken zijn, die daarmee prijsgeven wat Balthasar zal aanbieden.

                                                      

Zijn gewaad vraagt om een nadere bestudering. In de rand waren mensvogels rond en vogels die zaden pikken uit een vrucht. Maar deze zaden rollen naar beneden om als parels de mantelrand af te biezen – een spel met dubbele illusies. In de hand heeft Balthasar een bolvormig vat met een levende vogel op het deksel. De onderzoekers sluiten uit dat het om een feniks gaat, maar waarom niet? Als de mirre verband houdt met het zalven van de dode Christus, waarom dan niet ook het symbool van de wederopstanding erbij betrekken?

                                                      

Op de bol is het verhaal van Abner en Saul te zien. Abner was een vertegenwoordiger van het huis van Saul, maar bezoekt David om ervoor te zorgen dat alle Israëlieten zich zullen scharen onder diens koningschap. Daarmee is ook dit verhaal een vooruitblik op het aanstaande koningschap van Christus. In de mantel van de page krijgen we nog een verwijzing naar de dood: een monstertje verslindt een vis (= Christus, want verwijzend naar het Griekse ichthus, de afkorting van Jezus Christus, dat ook vis betekent).

Vierde koning

En dan staat daar, op de achtergrond in de deurpost van de stal, een ‘vierde koning’. Grotendeels ontkleed, zijn rode mantel is ver opengeslagen en over zijn vrijwel blote lijf draagt hij een nauwelijks verhullend vitrageachtige tuniek. Anders dan de echte koningen draagt hij zijn hoofddeksel op het hoofd. In zijn linkerhand bewaart hij de hoed/kroon van Caspar.

Alles aan deze figuur is opvallend en mysterieus. Hij glimlacht, waar de anderen serieus in aanbidding zijn, zijn huid is lijkbleek, behalve bij zijn hoofd, hals en een klein deel van de borst. Hij heeft een ronde wond op zijn scheenbeen en een soort piercing op zijn dijbeen. Drie monstransen van glas en een montuur draagt hij bij zich: één om de wond op zijn been, één half verscholen onder zijn kleed om zijn bovenarm en één bovenop zijn hoofddeksel dat wordt gedomineerd door vervlochten dode takken als… een doornenkrans. Op één plek, beschermd door het glas van de reliekhouder, bloeit een takje. Dat moet duiden op nieuw leven. Toch?

                                                      


Maar dan blijkt het toch weer een stuk ingewikkelder. Zou je tot nu toe denken aan een vleesgeworden toespeling op de Passie die de net geboren Christus zal moeten ondergaan, toch is de figuur ook veel duisterder te duiden. Volgens de samenstellers van catalogus en expositie en een heel aantal voorgaande onderzoekers – maar zeker niet allemaal – kijken we hier naar de antichrist, Satan.

De kop van de man is nogal veranderd voor de definitieve versie tot stand kwam: een veel scherper, haakse neus en een soort hoofddoek tooide zijn hoofd. Wellicht verklaart een lager geplaatste baard waarom hij zo’n rare rozige vlek heeft op zijn verder lelieblanke lijf (dat zou te wijten kunnen zijn aan het doorschijnend worden van de verf).

In plaats van een reliekhouder droeg hij in eerste opzet een mannetje met een bol in de handen midden op het hoofd. Iemand die met de wereld speelt. Hij is alleen nog te zien op röntgenbeelden, maar vergelijkbare mannetjes decoreren een soort riem die tussen zijn benen hangt. Zonder tot in detail dit alles te kunnen duiden, zou het inderdaad goed kunnen dat we hier kijken naar Satan, die maar wat graag de boel overneemt.

Kwaad overwonnen

Troost voor de kijker is dat het kwaad overwonnen zal worden wanneer het moment daar is. De aanwezigheid van het kwaad maakt het goede beter: zwart maakt wit krachtiger,om in schildertermen te spreken.

Alles wel beschouwd kun je zeggen dat de triptiek in Upton House te omschrijven is als ‘omgeving Jheronimus Bosch’. Niet op de wat laffe manier zoals veilinghuizen dat wel eens doen, maar met recht en reden: de inventiviteit en de leeftijd van het werk wijzen op de nabijheid van het origineel. Of Bosch er zelf met een vinger heeft aangezeten is hoogst twijfelachtig, maar mogelijk heeft hij het wel gezien en er zijn zegen aan gegeven.

Deze artikels interesseren je wellicht ook:

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed