Luc Devoldere antwoordt Marc van Oostendorp: ‘Voor Nederlanders is taal zo vanzelfsprekend dat ze er vaak onverschillig mee omspringen’

Luc Devoldere antwoordt Marc van Oostendorp: ‘Voor Nederlanders is taal zo vanzelfsprekend dat ze er vaak onverschillig mee omspringen’

In een opmerkelijk artikel op Neerlandistiek.nl was Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands aan de Radboud Universiteit Nijmegen, scherp voor Vlamingen en hun omgang met taal. ‘Beste Vlaamse vrienden, houd op met klagen en steek je handen uit de mouwen!’, schreef hij. Hierna legt Luc Devoldere, hoofdredacteur van Ons Erfdeel vzw, uit waarom Vlamingen heel anders denken en voelen over taal. Het goede nieuws: de taalsituatie in Vlaanderen is rijk. Het minder goede nieuws: de standaardisering van het Nederlands in Vlaanderen is relatief zwak, niet voltooid.

 

Beste Marc,

Je zegt dat Vlamingen klagen, de Nederlanders van alles verwijten en dan de handen niet uit de mouwen steken. Als het over taal gaat.

Je hebt een punt.

Laat mij hier gewoon uitleggen waarom wij heel anders denken, en vooral “voelen”, over taal dan jullie. Het meeste weet je, maar het is niet slecht het nog even op te schrijven. Je kunt dezelfde taal spreken en toch heel andere opvattingen over taal hebben, een andere verhouding hebben met taal.

Mijn boutade daarover gaat als volgt: Vlamingen zijn zo gevoelig voor taal dat ze er vaak verkrampt van worden; voor Nederlanders is taal zo vanzelfsprekend dat ze er vaak onverschillig mee omspringen. Het is een boutade. It’s the history, stupid.

Eerst het goede nieuws: de taalsituatie in Vlaanderen is rijk, geschakeerd, complex en gecompliceerd. Bijna elke Vlaming beweegt zich ergens in het continuüm tussen dialect, tussentaal en standaardtaal. Veel Vlamingen boven de veertig komen nog uit een dialect, zoals ondergetekende. Bij diezelfde leeftijdsgroep resoneert nog het Frans als fantoomtaal mee. Ik zou dat Frans overigens niet gemist willen hebben. Als lezer én schrijver.

Kijk maar eens naar het Nederlands van Claus en Lanoye. En versta je dit gedicht van Charles Ducal? Ik denk niet dat een Nederlander zoiets kan opschrijven, laat staan bedenken. Voelen. Ik wil daarover wel eens college komen geven in Nijmegen.


Le flamand

Ik heb niet de gave mijzelf te vertalen,
deze matrijs is mijn enige vorm,
dit bange omhulsel, dit enge Vlaanderen.
Het zit om mij als de korst

om het brood, zo hopeloos dicht
dat het verplicht genoeg te hebben
aan zichzelf, zuur en droog. Ik
droom soms het slijpen van messen.

Frans, Albanees, Tamazight,
om leven te snijden in dit versteende verhaal.
Maar de korst is zo hard en zo dik
dat ik stik in mijn eigen, mijn enige taal.

 

Leve onze taalvariatie dus, leve de variëteiten. Leve de registergevoeligheid. Laat duizend bloemen bloeien.

En nu het minder goede nieuws. Omdat we pas sinds 1930 voortgezet onderwijs hebben in het Nederlands en dan pas de eerste universiteit, is de standaardisering van het Nederlands in Vlaanderen relatief zwak, niet voltooid. Toen de informalisering begon door te sijpelen in alle talen, raakte die ons streven naar standaardisering midscheeps.

De elites waren het tot circa 1980 eens over de vraag in welke richting de Vlaming moest evolueren – richting standaardtaal. Nu is die consensus verdwenen. Steeds vaker hoor je pleidooien om meer variatie toe te laten, de strenge norm te laten varen. Onlangs nog pleitte Stefan Grondelaers (Radboud Universiteit Nijmegen) voor een “de-ideologisering” van het Vlaamse denken over de standaardtaal bij de VRT. Zou hij dan zelf vrij zijn van ideologie? (Grondelaers is lid van de commissie die de Taalunie adviseerde over taalvariatie en taalvariatiebeleid, maar in zijn bijdrage in De Standaard ging hij verder dan in het advies van de Taalunie.) 

Pragmatische norm

Duidelijk is dat de culturele en academische elite niet meer als één man of vrouw achter die marsrichting staat. En ja, ik blijf militaire metaforiek gebruiken en zie de bui opnieuw hangen – aangepakt worden voor mijn machtsagenda van social climber.

Wat men nogal eens vergeet bij die oproepen tot het spelen met variëteiten en het gevoelig worden voor alle registers in verschillende situaties, is dat de meeste mensen gebaat zijn met een didactische richtlijn, een pragmatische norm, om door de bomen het bos te zien. Zeker nieuwkomers aan wie we vragen onze taal te leren.

Als het nu eens zo zou zijn dat de standaardtaalvariëteit misschien wat meer zorg nodig heeft dan andere? Als het nu eens zo zou zijn dat het aanbieden van die standaardtaal, door rolmodellen als die vrouw van bijna 64 op de openbare omroep, niet per definitie de toehoorder hoeft te fnuiken, laat staan te frustreren?

Interessante paradox

Wij klagen dus. Kijken op naar Nederland, waar we onze standaardtaal hebben gehaald, en blijven ons het kleine broertje voelen. Of hebben dat juk juist afgeschud en keren ons hooghartig naar het eigen gelijk. Het is overigens een interessante paradox, dat veel leden van de Vlaamse culturele elite niets hebben met Vlaamse natievorming en die vaak provinciaal vinden, terwijl ze in het spreken van hun taalvariëteit juist wel provinciaal zijn en zich erop beroemen alleen in die taal “authentiek” te kunnen zijn. O sancta simplicitas.

De natie is een voortdurend gesprek, zei de historicus E.H. Kossmann. Dit gesprek over taal ook. Twist met ons, twist met ons, twist niet met mate. In die taal van ons, mon cher. Voilà.

Luc Devoldere

Blijf op de hoogte

Abonneer je op de RSS-feed