Recensie van Ik kom terug (Adriaan van Dis)

“Een roman die emotioneel is zonder pathetisch te worden, intellectueel, maar niet belerend. Het is een boek dat de taaldiscipline van een geoefend schrijver verraadt en op tragikomische wijze naar de kern van het menszijn graaft.”

Met deze woorden heeft de jury de Libris Literatuur Prijs 2015 uitgereikt aan Adriaan van Dis voor zijn moederroman Ik kom terug. Van Dis ontving 50.000 euro en een bronzen penning ontworpen door Irma Boom.

Dit boek is besproken in Ons Erfdeel 2/2015. Hieronder kun je deze recensie lezen.

 

EEN STRIJD TUSSEN ZOON EN SCHRIJVER

“IK KOM TERUG” VAN ADRIAAN VAN DIS

Er zijn de laatste jaren nogal wat Nederlandse auteurs die zich op de relatie met hun moeder hebben gestort: Tom Lanoye in Sprakeloos, Erwin Mortier in zijn Gestameld Liedboek, Tommy Wieringa in de NCRV-reeks Mijn moeder en ik, Maarten ’t Hart in het pas verschenen Magdalena en dit jaar volgt nog Arnon Grunberg. Sinds eind 2014 ligt ook Ik kom terug in de winkel, een biografie van de moeder van Adriaan van Dis door de schrijver zelf opgetekend.

Dat Van Dis zijn eigen levensverhaal in zijn romans verwerkt, is niet nieuw. Al in zijn debuut Nathan Sid en later in Indische duinen en Familieziek kon de lezer kennismaken met zijn Indische verleden, de drie gekleurde halfzussen, de strenge, getraumatiseerde vader met zijn vuisten. Negentien was de ik-verteller van dit boek toen hij het ouderlijk huis ruilde voor Parijs. Bezoeken aan zijn moeder waren zeldzaam; het contact verliep voornamelijk via schaarse telefoontjes naar het rusthuis waar ze op haar vijfentachtigste was ingetrokken. Over haar protestantse boerenjeugd in de polder, de drie en een half jaar in een jappenkamp, haar twee huwelijken en het dramatische verlies van twee echtgenoten, twee dochters en een kleinkind praatte ze nauwelijks.

Leugenland

Tot ze op een dag haar zoon opbelt. Ze wil haar geboortehuis bezoeken op haar achtennegentigste verjaardag. Hij moet haar ernaartoe brengen, de tijd dringt. Al tijdens de autorit naar haar geboortestreek komen de verhalen los, over de bietenteelt en de familiebezittingen, maar ook over de Eerste Wereldoorlog, de soldaten en de Belgische vluchtelingen, en over de watersnood van 1953.

Voor de zoon gaat een onbekende wereld open. Haar “suikerland”, haar “leugenland” geeft in flarden zijn geheimen prijs. Het verleden van zijn moeder blijkt op vele manieren oorlogsterrein te zijn geweest: een eenzaam leven met haar eerste man, die als officier wekenlang verdween naar de verste uithoeken van de Indonesische archipel, zijn terechtstelling nadat hij de kant van de vrijheidsstrijders had gekozen, de jaren in het jappenkamp met de dochters, het tweede huwelijk met een getraumatiseerde oud-militair, opnieuw het eenzame leven in Nederland. “Er zit vaak niets anders op dan je gelukkig te liegen”, verzucht de moeder. De opduikende herinneringen werpen een nieuw licht op haar afstandelijke gedrag, haar kilte en gebrek aan moederliefde, waar de zoon zijn leven lang onder heeft geleden: “Aan aanraken deed ze niet, dat was de afdeling flauwekul.” Zo komt de ik tot het besef dat uiteindelijk zijn moeder hem sterker heeft gevormd dan zijn vader. Nu ze bereid is om een en ander los te laten, gaat hij haar ondanks hun voortdurende gekibbel en geruzie steeds vaker opzoeken, met zijn aantekenboekjes in de aanslag.

Jij een verhaal, ik een pil

Het is de dubbele motivatie van de schrijver die dit boek spannend maakt. Aan de ene kant probeert de ik-verteller als zoon een schuld te delgen, namelijk zijn onwetendheid over het verleden van de moeder, dat hij steeds door dat van de vader heeft laten overschreeuwen. Als hij vraagt waarom zijn moeder dat allemaal heeft verzwegen, antwoordt zij hem: “je hebt me er nooit naar gevraagd”. Aan de andere kant treedt de ik als schrijver op en laadt daarmee een nieuw schuldgevoel op zich. Hij gaat er hem niet alleen om het raadsel moeder te ontwarren, hij zal haar als schrijver een mooier leven op papier geven en doet dit niet zonder eigenbelang. Van zijn uitgever heeft hij een voorschot ontvangen, er ligt een schrijfcontract op tafel en hij gaat nu schaamteloos zijn moeder uitpersen, als een “schrijvende gier”. Maar ook de bijna honderdjarige moeder handelt niet belangeloos. Haar levensverhaal kan hij krijgen in ruil voor zijn hulp bij het sterven: “Jij een verhaal, ik een pil”, zo zit hij vast aan een tweede contract. Je vraagt je als lezer af hoe dat interview is verlopen, tussen een zoon die jarenlang vanuit Parijs alleen een telefonische relatie heeft gehad met zijn moeder, en een moeder die haast negentig jaar lang heeft gezwegen.

De roman kreeg twee motto’s. Dat van Karen Blixen is een uitspraak over wat je de therapeutische functie van literatuur zou kunnen noemen: “All sorrows can be borne if you put them into a story or tell a story about them.” Ik kom terug is echter niet in de eerste plaats een verhaal om het leed te kunnen dragen, maar een verhaal dat tot stand is gekomen dankzij het leed. In het levensverhaal van zijn moeder heeft de auteur zijn romanstof gevonden. Wanneer Van Dis dit schrijfproces expliciet becommentarieert, wordt het boek wat flauw en voorspelbaar, bijvoorbeeld wanneer zijn moeder hem een droom vertelt over een python in de keuken, zal hij “de slang op papier laten kronkelen”. Ook de beschouwingen over de drang naar eerlijkheid en hoe dit alles dan op papier terecht moet komen – “zo moet je het ook opschrijven, zoals een mens een verhaal vertelt, soms vooruit, soms achteruit, dan is het pas echt”, raadt zijn betweterige moeder hem aan – zijn niet bijster origineel.

Bungelend appeltje
Toch is dit “moederproject”, zoals de auteur het op de laatste bladzijden noemt, geslaagd. De moeder wordt genuanceerd geportretteerd, niet alleen haar afstandelijke houding en afkeer van lichamelijk contact, ook haar felheid en haar politieke bewustheid maken er een overtuigend portret van, dat van “een bange vrouw in de schaduw van haar tierende man”. De ironische toon maakt de emoties verteerbaar. De toenadering tussen zoon en moeder leidt enerzijds tot begrip en mededogen, maar evenzeer tot wrevel en pestgedrag aan beide kanten. Bovendien merkt de verteller dat hij meer met zijn moeder gemeen heeft dan hem lief is, ook de kwaaie trekjes en de angst.

Bovenal is dit boek geslaagd door de manier waarop de verteller zichzelf ontdekt en blootgeeft door over haar te schrijven. Via de herinneringen en anekdotes gaat het verhaal evenzeer over de moeder als over hemzelf. Haar kilte is zijn hunkering naar warmte. Wanneer beiden naar het geboortehuis op zoek gaan en de moeder een gesprek voert met een nazaat van haar vaders vroegere pachters, voelt de ik zich een buitenstaander. De lezer voelt zijn afgunst: “Die man aan haar arm had haar zoon kunnen zijn, zo vertrouwd ze daar liepen.” Wanneer hijzelf even later zijn hand op haar schouder legt, “rilde ze zich los”. Zijn plek in de familiestamboom blijft die van een bungelend appeltje onderaan, een bastaard zonder nageslacht. Hij is het die haar verhalen kleurt en zo tot haar probeert door te dringen: “‘Hoor je,’ zei ik, ‘jij praat in mij en ik in jou.’” Dat komt vooral tot uiting in die verhalen die niet als een monoloog van de moeder zijn weergegeven, maar worden naverteld in een stemmenspel, waarbij het voor de lezer onduidelijk of de moeder dit nu zo aan de zoon heeft verteld, dan wel of de zoon ze reconstrueert
 en interpreteert.

Ik kom terug is een boek over strijd, van de zoon met de moeder, de moeder met haar kampherinneringen, haar huwelijken en het naderende sterven – “oud worden is ook oorlog,” zegt ze –, het gaat over de worsteling van de schrijver met het neerschrijven van dit verhaal, maar bovenal is Ik kom terug het verhaal van een strijd tussen een zoon en een schrijver.

(Lut Missinne)

ADRIAAN VAN DIS, Ik kom terug, Atlas Contact, Amsterdam, 2014, 288 p.