Vijftig jaar Indische Letteren
in Ons Erfdeel (1968–2018)

door Reinier Salverda

Dit dossier Indische Letteren vormt een staalkaart van wat er tussen 1968 en 2018 in Ons Erfdeel over Indische schrijvers, schrijfsters en hun boeken is gezegd en wat daar nu nog altijd interessant, belangrijk en lezenswaard aan is.

Het dossier bevat een dertigtal teksten, en is een aanvulling op mijn artikel over de Indische Letteren in de 21ste eeuw, dat is verschenen in Ons Erfdeel 3/2018.

Een halve eeuw aan publicaties over Indische Letteren levert een rijke oogst op, met bijzondere hoogtepunten en primeurs, in een levende traditie die doorgaat op het pad dat E. du Perron ons wees: Europees én Indonesisch, romantisch én realistisch, even rijk aan verbeelding en herinneringen als scherp van kritiek, bewegend van tempo doeloe naar postkoloniaal debat.

In dit dossier is dit alles nu digitaal toegankelijk gemaakt, primair via online zoeken in het archief van Ons Erfdeel, en met verdere ondersteuning van de BNTL (Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap van het Huygens Instituut) en vooral de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

 

Het begin in 1968: José de ceulaer en han resink

Voor het eerst schenkt Ons Erfdeel aandacht aan de Indische Letteren in 1968, met een tweetal artikelen, respectievelijk van de Vlaamse acteur en schrijver José de Ceulaer en van de Indonesisch-Nederlandse dichter en historicus G.J. Resink.
Een on-Hollands begin, vrij en onbelast tegenover het Nederlandse koloniale verleden, en vier jaar vóórdat in 1972 de grote Oostindische Spiegel van Rob Nieuwenhuys verscheen.

In de negentiende eeuw was de Indische roman vóór de Max Havelaar (1860) al van start gegaan in Vlaanderen met Hendrik Conscience en zijn Batavia (1858). En nu deed De Ceulaer dus iets geljikaardigs, met een rondvraag onder schrijvers, ‘Oost-west, zuid best?’, onder wie ook Johan Fabricius, die tussen zijn honderd romans flink wat Indische werken heeft geproduceerd - zijn veelgelezen De scheepsjongens van Bontekoe (1924); en vervolgens Bali, eiland der demonen (1941/1948); Nacht over Java (1944); De kraton (1945); Halfbloed (1946); Hoe ik Indië terugvond (1947); Mijn huis staat achter de kim (1951); Gordel van smaragd (1953); Setoewo de tijger (1956); Luie stoel (1957); Schimmenspel (1958); De heilige paarden (1959); en Dipanegara, de Java-oorlog van 1825 tot 1830 (1977). Maar als populaire veelschrijver heeft Fabricius nooit een plaats gekregen in de Nederlandse literaire canon, ook niet in de Indische.

In hetzelfde jaar, 1968, verscheen van de grote Indonesisch-Nederlandse dichter en historicus in Jakarta, G.J. (Han) Resink, een kort maar krachtig stuk over wat hij noemde de ‘Nederlandse tropenbellettrie’. In Jakarta had Resink zich na het Nieuw Guinea-debacle als een Indonesische Sadi de Gorter ingezet voor herstel van de culturele betrekkingen tussen Nederland en Indonesië, en voor de daaropvolgende oprichting (in 1969) van het Erasmushuis Cultureel Centrum en de Vakgroep Nederlands van de Universitas Indonesia.

Direct na de Tweede Wereldoorlog behoorde hij – met schrijvers als A. Alberts, Maria Dermoût, H.J. Friedericy, Rob Nieuwenhuys, Tjalie Robinson en Beb Vuyk – in Jakarta tot de groep rond het door E. du Perron geïnspireerde tijdschrift Oriëntatie (1947-1953). Bekend van zijn dichtbundel Kreeft en steenbok (1963) en zijn Indonesia’s history between the myths (1968) vond Resink nu een nieuwe plek in Ons Erfdeel en van 1968 tot 1993 is hij met zijn poëzie en een tiental literaire essays – over onder andere Nijhoff en Debussy, Nijhoff en Verlaine, Multatuli – bij Ons Erfdeel betrokken gebleven. Er is in Ons Erfdeel ook het nodige te vinden over hem – naast Kees Snoeks bespreking van zijn Verzamelde gedichten [OE 2001/4] en het door mij geschreven In Memoriam [OE 1998/1], is daar met name het essay uit 1975 van Dick Hartoko – alias  Theodoor Willem Geldorp, jezuïet, schrijver en cultuurfilosoof in Yogyakarta – die in 1975 een artikel wijdde aan de Javaanse achtergronden in Resinks gedichten [OE 1975/2].

Van groot belang is ook Resinks zwanenzang uit 1993, waarin hij  laat zien hoe er uit de literaire nalatenschap van Du Perron – naast het Hollandse deel van de Indische Letteren, dat Nieuwenhuys voor zijn rekening had genomen – nog een grotendeels onontgonnen gebied klaarligt voor onderzoek van de Nederlandse tropenliteratuur in Europees en internationaal-vergelijkend perspectief. Dat artikel, ‘Indisch-Nederlandse letterkunde, Nederlandse tropenbellettrie, Euro-Indonesische literatuur’, vind je hier.

 

Vuurwerk: Veenstra, du perron

Naast Resink was er op Indisch gebied nog een andere belangrijke figuur: J.H.W. Veenstra – vriend en biograaf van Du Perron, als essayist bekend door zijn Diogenes in de Tropen (1947), en van 1972 tot 1989 verbonden aan Ons Erfdeel. Toen in 1972 Nieuwenhuys’ Oostindische Spiegel verscheen, schreef Veenstra de beste recensie die er van dat indrukwekkende boek bestaat, een grondige en kritische bespreking door een kenner van dat Indische verleden, nog altijd zeer het lezen waard. De recensie, getiteld ‘Nederlands-Indië in de houdgreep’, verscheen in OE 1972/5 en is hier te lezen.

Onder Veenstra’s 23 bijdragen vinden we in 1985 een recensie van Nieuwenhuys’ prachtige Indische fotoboeken [OE 1983/2] – en eerder al, in 1977, over de snapshots in W.F. Hermans’ De raadselachtige Multatuli [OE 1977/3].

Naast Nieuwenhuys biedt Ons Erfdeel in de jaren zeventig een veelkleurig pakket Indische stukken, te beginnen in 1971 met de VOC-koopman Hendrik Doeff op Deshima en zijn rol in de Nederlands-Japanse betrekkingen [OE 1971/4], en daarna werk van Du Perron, W.F. Hermans, Multatuli, Beb Vuyk, Tjalie Robinson, Jan Wolkers, Maria Dermoût, Soewarsih Djojopoespito en anderen.

Voorop gaat in 1971, als patroonheilige, Du Perron, met een reeks van zijn ‘Gedichten’ (ook voorzien van een Franse vertaling door Liliane Wouters) als coda bij een stuk over ‘De vrouw bij Du Perron [OE1971/3, de gedichten zijn wegens een rechtenkwestie helaas niet beschikbaar]. Over Du Perron, en over zijn vriendschap met Nederlands grootste tropendichter, J.J. Slauerhoff, gaat de bijdrage van Veenstra uit 1984, ‘Du Perron en Slauerhoff, een vriendschap en een breuk’. En ook in de 21ste eeuw weet Du Perron nog te boeien, zie de recensie van zijn biografie uit 2005 door Philippe Noble.

In 1972 volgt een stuk van Jan de Vries, met foto erbij, over W.F. Hermans en Rob Nieuwenhuys aan het zwembad van het buitenverblijf van de Nederlandse ambassadeur bij de Poentjak ten zuiden van Jakarta [OE1972/1]. Recentelijk is deze ontmoeting gereconstrueerd door Tom Phijffer, met daarbij de originele foto’s die Jan (J.W.) de Vries daar toen genomen had, maar zonder diens tekst uit Ons Erfdeel .

Aanleiding voor die ontmoeting was Multatuli, zoals blijkt uit de stukken van Gerard Termorshuizen, destijds net als Jan de Vries docent aan de nieuwe Jakartaanse Vakgroep Nederlands. Met name zijn bijdrage uit 1972 over de Indonesische vertaling van Max Havelaar door H.B. Jassin is een prachtig stuk, getiteld ‘We long for you Max Havelaar’ [OE1972/4] – net trouwens als zijn ‘Terug naar Lebak’ van het jaar daarop [OE 1/1973].

In 1973 schreef Veenstra over het avontuurlijke leven in de Molukken van de schrijfster Beb Vuyk [OE1973/1]. Omgekeerd ging hij ook in op de politieke actualiteit in Nederland, en kwam in 1978 , naar aanleiding van de Molukse treinkapingen, met een zeer gedegen en verhelderend stuk over de Ambonese problematiek [OE1978/4].

Al even bijzonder als het stuk over Hermans en Nieuwenhuys op de Poentjak is de reportage van Termorshuizen uit 1974 over het uitstrooien in de baai van Jakarta van de as van Tjalie Robinson, voorman van de Indo-gemeenschap in Nederland [OE1974/5, met foto van Robinson]. De primeur die Ons Erfdeel hier bood, is niet onopgemerkt gebleven en vormde in 2009 de opening van Robinsons biografie door Wim Willems.

 

Contrapunt: Dermoût, haasse, djojopoespito

In 1975 organiseert de neerlandica Hanneke van Buuren een rondvraag onder schrijvende vrouwen, onder wie ook Indische zoals Beb Vuyk, Maria Dermoût, Margaretha Ferguson en Aya Zikken, en laat deze in Ons Erfdeel zelf aan het woord: ‘Niet dulden dat je me zadelt. Over vrouw en vrouwzijn in proza van vrouwelijke auteurs - 1960-1975’, OE 1975/4].

Over Maria Dermoût verschijnt in 1976 het bijzondere artikel van Dick Hartoko over zijn speurtocht op Ambon naar het huis (of wat ervan rest) uit haar roman De tienduizend dingen, die hij in het Indonesisch had vertaald ‘Op zoek naar de tuin van Kleyntjes’ [OE 1976/1]. Ook Termorshuizen heeft over haar een mooi artikel geschreven, ‘De dingen van voorbij en niet voorbij’ [OE 1990/2], zoals hij eerder al deed in 1977 over de Javaanse schrijfster Soewarsih Djojopoespito: ‘Bij de dood van Soewarsih Djojopoespito, schrijfster buiten het gareel’ [OE 1977/5]. Veel later pas, in 1998, volgt een artikel van G.F.H. Raat over het werk van Helga Ruebsamen: ‘Literatuur als levenselixir’ [OE 1998/5].

Mannen blijven dominant aanwezig. Dat geldt voor een Indische klassiek als H.J. Friedericy, over wie Alberts in 1986 een boeiend stuk heeft geschreven A. Alberts, ‘H.J. Friedericy. Bestuursambtenaar, schrijver, verteller’, [OE 1986/3]. Maar ook voor Jeroen Brouwers, aan wiens De Zondvloed Jaap Goedegebuure in 1989 een groot artikel wijdde: ‘Uitgewiste sporen’ [OE1989/1]. En die andere grote Indische schrijver, P.A. Daum, door wiens Indische feuilletons het naturalisme vanuit de koloniën doorbrak in de Nederlandse literatuur: ‘Démasqué van tempo doeloe’ [OE 1998/4].

Er zit een duidelijke gender-bias in Nieuwenhuys’ Spiegel, en dit kan mee helpen verklaren hoe en waarom het Indische werk van Hella Haasse zo lang op erkenning heeft moeten wachten. Al vroeg immers was er de grote populariteit van haar novelle Oeroeg (1949), maar haar ‘Een handvol achtergrond’ verschijnt pas in Ons Erfdeel 1985/3, in 1992/5 gevolgd door Heren van de Thee, en in 2002 haar laatste novelle Sleuteloog. In totaal verschenen er 22 stukken van en over haar in Ons Erfdeel. Zie daarvoor het recente digitale dossier over haar.

 

Onderzoek

De Indische literatuur heeft veel te danken aan het geweldige werk van onze Amerikaanse collega E.M. Beekman. Met zijn Library of the Indies (twaalf delen, 1980-1989) en met zijn standaardwerk Troubled Pleasures (1996) heeft hij de klassieken van de Indische literaire canon een wereldwijde verspreiding bezorgd, in goede Engelse vertaling, voorbeeldig ingeleid, geannoteerd en mooi uitgegeven. Net als Nieuwenhuys geeft hij niet om Haasse en Fabricius; daarentegen wel weer Nederlands grootste tropendichter, J.J. Slauerhoff, die je bij Nieuwenhuys niet vindt. Over zijn inspanningen als neerlandist in Amerika heeft Beekman in Ons Erfdeel een meeslepend stuk geschreven: ‘Een loopbaan als guerillastrijder. Neerlandistiek in de Verenigde Staten’ [OE 1986/4].

Ook voor de extramurale neerlandici werkzaam in Indonesië – Gerard Termorshuizen (15 stukken in Ons Erfdeel), Jan de Vries (3), Van der Ree (1), C.J. Stokkermans (1), H.J. Boukema (2), Kees Groeneboer (5), Kees Snoek (10) en ikzelf, Reinier Salverda (38) – was de aandacht die Ons Erfdeel aan Indische Letteren schonk een grote steun in de rug, net trouwens als de jarenlange rubriek ‘Het Nederlandstalige boek in vertaling’ – een uitstekende informatiebron, waar ik veel profijt van heb gehad voor mijn artikel over ‘Nederlandse literatuur in Indonesische vertaling: 1945-1995’, in Neerlandica Extra Muros van 1997.

Ook besteedde Ons Erfdeel aandacht aan de Nederlandse taal in Indonesië. Dat begon al in 1974 met de bijdrage van Van der Ree over het taalonderwijs Nederlands als ontwikkelingshulp in Indonesië [OE 1974/3]. In 1994 besprak de Leidse hoogleraar Indonesisch A. Teeuw de dissertatie van Kees Groeneboer, Weg tot het westen: het Nederlands voor Indië  [OE 1994/5]. De stiefmoederlijke wijze waarop het Nederlands in de koloniale geschiedenis was behandeld, werd door Groeneboer nader uitgewerkt in 2002, toen hij uitlegde hoe en waarom het Nederlands – heel anders dan de talen van de andere Europese koloniale mogendheden – nooit een wereldtaal is geworden: ‘Waarom het Nederlands geen wereldtaal is geworden’ [OE 2002/3].

Van Jan (J.W.) de Vries zijn er twee bijzonder mooie artikelen – één uit 1989 over het Nederlands als geheimtaal onder de travestieten van Jakarta [OE 1989/5]; en één over het verbasterde Indisch Nederlands in Depok, waar nu de Universitas Indonesia is gevestigd: ‘Depok. Opgang en teloorgang van een Nederlandse enclave’ [OE2008/4].

 

Postkoloniaal 

In de jaren negentig beginnen in de Indische Letteren nieuwe perspectieven op te komen. Zo ook in Ons Erfdeel. In 1996 roept Vincent Houben op tot mentale dekolonisatie, zowel in Indonesië als in Nederland – er is een mentaliteitsverandering nodig tegenover deze belangrijke ex-kolonie van Nederland: ‘Wachten op een mentale dekolonisatie. Indonesië en de Hedendaagse Nederlandse maatschappij’ [OE 1996/1]. In de ontwikkeling van Tempo doeloe naar nu – aldus Lizzy van Leeuwen in haar studie Ons Indisch Erfgoed (2008) – vormt dit artikel een belangrijk referentiepunt.

In 1997 volgt een stimulerende recensie van Peter van der Veers Modern Oriëntalisme. Essay over de Westerse beschavingsdrang [OE 40]. En in 1999 laat Kees Snoek in een uitvoerige bespreking zien hoe Rudy Kousbroeks Oostindisch kampsyndroom een scherp kritisch zijlicht werpt op het Nederlandse kolonialisme en de Indische literatuur: ‘Schaamte, spijt en verlangen. Het Indië van Rudy Kousbroek’, [OE 1999/1].

In postkoloniaal Nederland gaat het voor de Indische Letteren om doorgeven en herontdekken, om schrijven dus en lezen, maar dan wel met nieuwe ogen. Met Marion Bloem, Adriaan van Dis en Alfred Birney, na de oorlog in Nederland geboren, komt de tweede Indische generatie aan het woord in Ons Erfdeel. In het jaar 2000 wordt deze nieuwe ontwikkeling gemarkeerd door het stuk van Stéphanie Loriaux over Marion Bloem: ‘Het laat haar niet los’ [OE 2000/5].

Tegelijk is er de continuïteit van F. Springer, die door blijft schrijven en besproken wordt door Ad Zuiderent in 2002: ‘De noodzaak van een bedrieglijk echt decor. Verzameld en nieuw werk van F. Springer’, [OE 2002/3]. Wat ook blijft, is de aandacht voor de historische context rond de Indische Letteren. In 2006 schrijft Karel Steenbrink een verhelderend stuk over de islam in Indonesië en hoe de Nederlanders daarmee omgingen in de loop van de koloniale geschiedenis: ‘Machtige vreemden, onderworpen buitenlanders en lastige gasten. Historische relaties tussen de Lage Landen en de islam’ [OE 2006/2]. En in 2010 belicht Ching Lin Pang de postkoloniale bonus voor Nederland van migranten afkomstig uit de vroegere koloniën [OE 2010/2].

Nieuw is hoe de Indische Letteren tegenwoordig met heel andere ogen gelezen worden. Abdelkader Benali’s bijdrage uit 2016 over onder meer Hella Haasse’s Oeroeg is daarvan een goed voorbeeld: ‘Ode aan een bastaard’: over de taal van de toekomst’, [OE 2016/3] – naast andere: Thomas Heerma van Voss over A. Alberts [OE 2015/2]; Lut Missinne over Ik kom terug van Adriaan van Dis [OE2015/2]; en ikzelf over Mata Hari [OE 60].

Typisch Ons Erfdeel is hier, ten slotte, hoe schrijvers van nu in discussie gaan met de Indische Letteren. In 2011 richt hoofdredacteur Luc Devoldere samen met anderen het woord tot Multatuli – de ongeëvenaarde Indische schrijver aan wie in Ons Erfdeel velerlei bijdragen van allerlei aard zijn gewijd (32 stuks), en die nog altijd als geen ander de geesten in beweging brengt met zijn taal en zijn ideeën. Zie: “De hoop maakte my hier en daar welsprekend”, inleiding van Luc Devoldere tot het cahier Beste Multatuli dat bij Ons Erfdeel 3/2011 was gevoegd en in samenwerking met deBuren tot stand kwam. Met daarnaast ook teksten van Dik van der Meulen, Christiaan Weijts, David van Reybrouck, Ellen Ombre en Judith van der Wel.

 
zie ook:

Lizzy van Leeuwen, Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit, Bert Bakker, Amsterdam, 2008.

Tom Phijffer, ‘Over Hermans en Nieuwenhuys, en het ravijn dat hen scheidde’, In: Cyril van der Hoogen et al. (red.). W.F. Hermans en Multatuli. Extra Jaarboek Multatuli 2017, Verloren, Hilversum, 2018, pp. 34-59. 

Reinier Salverda, ‘Nederlandse literatuur in Indonesië: 1945-1995’,  In: Neerlandica Extra Muros 25 (1997) nr. 1, pp. 1-23.

Reinier Salverda, ‘Tegen het vergeten. De Indische Letteren in de eenentwintigste eeuw’, In: Ons Erfdeel, jrg. 61 (2018), nr. 3 , pp. 11-19.

Wim Willems, Tjalie Robinson. Biografie van een indo-schrijver, Bert Bakker, Amsterdam, 2008.

Peter van Zonneveld (red.), Oriëntatie. Literair-cultureel tijdschrift in Indonesië (1947-1953), Conserve, Schoorl, 1988.