ODE AAN EEN BASTAARD. Over de taal van de toekomst

(Abdelkader Benali) ONS ERFDEEL – 2016, NR 3, PP. 100-105

De bastaardtaal is de taal van de eenentwintigste eeuw, want wij zijn de bastaardkinderen van een verknipte, chaotische eeuw waarin het individu het zelf uit te zoeken heeft. De taal past zich aan aan wie we zijn. Waar de taal eerst moet beantwoorden aan de wetten van de grammatica, moet hij nu ook beantwoorden aan de wetten van de straat, de wetten van de migratie, de wetten van de liberalisering. De bastaard is op z’n qui-vive. Wie u hoort, is wie ik ben.

De bastaardtaal omarmt nieuwe woorden met de snelheid van het licht. Kapsalon voor een overvloedige vleesschotel met friet en kaas, terroroehoe voor het gevleugelde dier dat de buurt met zijn afschrikwekkende geluid onveilig maakt en dan is er het aanspoelstrand, de kusten waar de vluchtelingen uit Noord-Afrika aanspoelen. Elke dag is er aanvoer van nieuwe woorden op de taalafslag, als vers gevangen vis. Opgebruikte woorden worden met hetzelfde gemak weer teruggegooid in de taalzee.

Het Nederlands gaat over een snelweg waar hard wordt in- en uitgevoegd. De kwikzilveren woorden voegen via de opritten van de media en het straatrumoer in op de maatschappelijke snelweg. Aan het einde van het jaar sommen de dagbladen de nieuwe woorden op. De lijstjes zijn een herinnering aan de wereld waarin we leefden. Dit is wie we waren, wat ons bezighield, wat ons stoorde. Die woorden zijn de spiegel van waar we het afgelopen jaar in geloofden, hoe we de werkelijkheid naar onze hand zetten en wat we ervan vonden.

Het Nederlands plooit zich opvallend soepel naar onze linguïstische wens om de werkelijkheid trefzeker te benoemen; de kracht van de bastaardtaal is dat-ie nooit om woorden verlegen zit, vandaar de gewoonte om snel naar een Engels leenwoord te grijpen als het moment erom vraagt. Criticasters hebben ongelijk wanneer ze zeggen dat deze anglicismen een zwaktebod zijn. Het is geen gemakzucht, het is de krachtige, zelfverzekerde manier waarop het Nederlandse aan woordje-pik doet. De bastaardtaal kent net als de rivieren en de zeeën geen grenzen.

Onze bastaardtaal is een mengeling van uitheemse en lokale woorden, van woordjes uit het woordenboek en woorden uit een liedje, woorden uit het verre verleden en woorden uit het ultrakorte heden, woorden in de wolken gevonden, laag-bij-de-grondse woorden. De bastaardtaal is de thermometer in de bips. De bastaardtaal is een weergave van hoe het met de taal gesteld is. 

HET WISSELGELD VAN DE STRAAT

Ooit leefde de gedachte dat de bastaardtalen exotische varianten van het Nederlands zijn. Dat is waar. Ze ontstaan wanneer de formele taal in het dagelijkse verkeer tekortschiet. Het is de sluiproute naar het gevoel. Om de oorsprong van de bastaardtalen te begrijpen, moeten we naar het buitenland.

We beginnen in de voormalige koloniën. Voor de Surinamers was in de slavernijtijd het Nederlands de taal van de meester. Het spreken van de taal werd een verzetsdaad op zich. Wie Nederlands sprak, kon de machinaties van de machthebber doorzien. Aan de andere kant vermenselijkte de taal de macht, het maakte haar kwetsbaar. In de taal van de machthebber de machthebber van repliek dienen was de eerste stap naar bevrijding en emancipatie. De elite van het onafhankelijke Suriname legde er eer in om beter Nederlands te spreken dan de Nederlanders. Taal werd een prestigekwestie. De Surinaamse Nederlander Ricardo Pengel, arts aan het Radboud-hospitaal in Nijmegen, vertelde me hoe hij in Paramaribo de Nederlandse geografie leerde: “Ik kende alle plassen en rivieren en kanalen uit mijn hoofd. Toen ik bij aankomst in Nederland voor het eerst die rivieren zag, begreep ik pas wat ik in Paramaribo had geleerd.”

De Surinamers die na de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwamen, namen hun Surinaams-Nederlands mee, doorspekt met woorden en uitdrukkingen van de marrons, de voortvluchtige slaven, en de Javanen, de Chinezen en de Hindoestanen. Onder dat Nederlands liet het Sranan Tongo, het Surinaams, als een opgewonden standje van zich horen. Het wilde en kon niet vergeten worden. De taal van de Surinamers was als de moksi metti, het Surinaamse volksgerecht, waarin verschillende vlees- en groentesoorten met elkaar worden gecombineerd. Moksi metti betekent gemengd vlees. In het Surinaams-Nederlands reist men in één zin door drie culturen.

Opgroeiend in Rotterdam kreeg mijn moedertong, het Berbers, gezelschap van het dominante en formele Algemeen Beschaafd Nederlands. Op school leerden we de correcte uitspraak, alle woorden goedgekeurd door pedagogen. Thuis schakelden we over naar het Berbers, maar dat kon de gestage insluiping van het Nederlands niet voorkomen. Wat in de ene zin begon, kon in de andere zin afgemaakt worden. Wie al te correct sprak, daar werd op neergekeken. Prestige hing nauw samen met street credibility. Buiten heerste er een andere werkelijkheid. Op straat danste het rauwe, stugge Rotterdams met het Nederlands van de Surinamers. Wat seggie? Als ie val dan leggie! Ja toch?

Op straat bevrijdde het Nederlands zich van de knellende banden van de formaliteit om vrijuit zijn polyfone lied te zingen. Het mocht er domweg zijn. In de bastaardtaal gaat levendigheid voor formalisme, timing voor doordachtheid en humor voor ernst. De bastaardtaal is het wisselgeld van de straat dat waardevoller wordt naarmate het vaker van eigenaar wisselt. Zonder de bastaardtalen heeft het Algemeen Beschaafd Nederlands geen bestaansrecht, sterft het uit. De bastaard gunt zijn vader en moeder in de hunkering naar erkenning geen moment rust.

EEN TE VEROVEREN TAAL

In de straat waar de slagerij van mijn vader was gehuisvest, de West-Kruiskade, regeerden de stoere Surinaamse mannen. Ze stonden voor de winkel, koningen van de straten. Hun Nederlands klonk stoer. Ze droegen Panama-hoeden uit Venezuela op hun hoofden, gouden kettingen hingen om de halzen en dikke, zilveren ringen knelden de worstenvingers af. Hun taal was net zo zwaar beladen. Hun stemmen bromden laag als een kettingzaag die de boom velt, wanneer ze lachten dan hoorde ik de boom vallen. Wanneer ze lachten, trilden de draden boven het tramspoor. Op hete zomerse woensdagmiddagen viel er niks te doen in de winkel en luisterde ik hun gesprekken af. In het begin was het onbegrijpelijk omdat het zo ver afstond van het Nederlands dat ik gewend was, maar beetje bij beetje raakte ik eraan gewend en begon ik het zelfs te begrijpen. Wat gebeurde, was dat ik het Nederlands als een vreemde taal ging beschouwen, een taal die ik te veroveren had. En net toen ik alles meende te begrijpen, keerden ze zich van me af en verdwenen om nooit meer terug te komen waarna er andere mannen voor in de plaats kwamen en het spel van voren af aan begon. Wanneer ze wat te bespreken hadden in de clan dan gingen ze over op hun geheimtaal, dan sloot de deur zich en voelde ik me weer de buitenstaander die ik altijd was geweest. Taal kon een geheimtaal zijn. En ik begreep dat een taal die wil overleven elke keer opnieuw geboren moet worden.

De dikke w’s van de stoere mannen met gouden kettingen om hun hals hoorde ik terug in het Antwerps van mijn neefjes in Wilrijk, alsof ze een en dezelfde uitspraakschool hadden bezocht. Die dikke w werd in de journaals en het formeel verkeer onderdrukt, dan moest-ie dun zijn als een waterige soep. Mijn neefjes hielden zich niet aan grammatica, ze mixten Marokkaans en Berbers met Antwerps, een potpourri van Vlaamse ongedurigheid. Het nieuwe België. Om mij een plezier te doen, kuisten ze in mijn aanwezigheid hun taal, dan gingen ze zich netter voordoen en werden saaier. Ik vond dat maar niks, maar hoe kon ik ze overtuigen zichzelf te zijn? De mogelijkheid om zo snel van “taal” binnen een taal te switchen, daar waren ze trots op. Het gaf hun macht.

Wanneer de taal reizen gaat, neemt ze de schutkleuren van de nieuwe omgeving aan. In dat Nederlands van de tropen en het Nederlands van mijn neefjes vonden Spaanse, gewestelijke, Antwerpse, Portugese en Afrikaanse woorden moeiteloos hun plek. Het absorptievermogen van het Nederlands was een teken van zijn vitaliteit. Dat een taal zo ruimhartig kan zijn, stootte ook op weerstand: een bastaard is nog geen aangenomen kind, er wordt met schaamte over gesproken en de buitenwereld mag het niet weten.

“Jij hebt hier niks te zoeken”, blafte Oeroeg tegen zijn Nederlandse vriend in de gelijknamige novelle van Hella Haasse – deze dreiging die de vriendschap tussen Oeroeg en de ik-persoon de doodsteek geeft, wordt uitgesproken in het Nederlands, niet het Bahasa. De laatste woorden tussen twee vrienden zijn vervuld van bitterheid. Vijf woorden die de tragische overgang van Nederlands-Indië naar Indonesië, van een sentiment naar een realiteit, niet beter hadden kunnen samenvatten. Het Nederlands wordt bij Hella Haasse van vriendschapstaal de taal van de vijand. De geschiedenis trekt een ander jasje aan. De Nederlanders verdwenen, met achterlating van de plantages, de balkons en stoffige woorden. Op doorreis door Java op weg naar de achtergrond van Oeroeg in de theeplantages rond Bogor passeer ik winkeltjes waarvan de uithangborgen verwijzen naar de Hollandse bedrijvigheid van weleer. Alsof er niks is veranderd. Een apotheek is een apotik. Een garage is een bengkel (winkel) en het kerkhof, de plek waar de taal voorgoed te ruste gaat liggen, een kerkop. Het Nederlands van een oude Molukker met wie ik in gesprek raak is stoffig, vormelijk en veel te beschaafd voor het gemoedelijke gesprek dat we hebben. Zo klonk het vijftig jaar geleden, wat ik hoor is een levend fossiel.

TOCH WEER DE LIEFDE

Nooit zal ik de man vergeten die het beroemdste tangocafé van Buenos Aires runde. Hij had pretoogjes en droeg een mooie Latijnse snor zoals alleen in die streken mogelijk is. Daar was ik met mijn Argentijnse uitgever – jonge knul, staartje, zwak linkerbeen bij het voetbal – gaan zitten om bij te komen van de interviews die ik had gegeven. Boven ons hing een foto van hetzelfde tafeltje met daaraan gezeten de twee heilige monsters uit de Argentijnse literatuur: Borges en Sabato.

“Zou de eigenaar hier ook een poster van hebben?”, en ik stapte op de man achter de bar af. “Heeft u hier een poster van en, zo ja, kan ik die kopen?”, mompelde ik in het Engels, hopend op een goede afloop. “Uit welk land komt u?”, vroeg hij geamuseerd. “Nederland”, antwoordde ik en tot mijn grote verbazing ging hij over in vloeiend Nederlands. “Die foto hangt daar niet zomaar, ze hebben hier in dit café een slepende ruzie bijgelegd”, en hij overhandigde me een poster. Voor niks. Over die poster had ik niks te zeggen, wel over zijn beheersing van de taal van Maas en Waal. “Hoe kunt u zo goed Nederlands spreken?” Z’n ogen glommen. “Het is toch een wereldtaal?” Daar had hij me. Door Nederlands dit predicaat mee te geven, los van het feit of het waar was of niet, had hij van mij een provinciaal gemaakt en werd hij de echte wereldbewoner. Snel stelde hij me gerust. De eigenaar van het café vertoefde een deel van het jaar in Brabant. “Bij mijn liefje.” Kwam het toch weer door die liefde. En de tango danste verder. Hoe zou het Nederlands klinken als het door Argentijnen werd gesproken? Of door Ghanezen? Of door Russen?

DE TOEKOMST VAN ALLE TALEN

Het is een wonderlijke gewaarwording om op onverwachte plekken toegesproken te worden in de taal van thuis. In sommige Berberdorpjes in de Rif wordt gevloekt in het Nederlands en worden dirhams geteld met een zachte g. Gezeten op zachte sofa’s in de Moorse migrantenpaleizen kijkt men naar de Nederlandse wereldomroep en droomt van een patatje met, een hoosbui en een sprintje op de fiets. Over het balkon schreeuwt de ene zus tegen de andere dat ze “een fles cola en een pakje tampons moet meenemen”. Niemand kan ze verstaan. Dachten ze.

Algemeen Beschaafd Nederlands is een mythe die elke avond opnieuw wordt verteld op de nationale televisie; de rest van de wereld spreekt het liefst zo dialectisch mogelijk. Je hoort de taal niet, je proeft ze. Op een zandstrand van Al Hoceima is het een kakofonie van gewestelijke uitspraken: Brabants, Limburgs, Randstedelijk, Gents en Antwerps, het kwettert door elkaar bij dertig graden in de schaduw en als ik m’n ogen sluit en de talen van alle kanten mijn oren binnenstromen, vloeit het samen tot een taal die ik niet meer begrijp, een nieuwe taal die ergens in de toekomst zijn vaste vorm zal vinden. Zo moet het de talen door de eeuwen zijn vergaan.

Een bastaardtaal wijkt af van de officiële taal; het is het illegitieme kind voortgekomen uit een ongewenste vrijage tussen de hoffelijke dame en de straatjongen, de rechter en het hoertje. In de hiphopmuziek schreeuwt de bastaardtaal om erkenning. In een vitale, luidruchtige en onbevreesde mix van straattaal, pidgin en formele grammaticale structuren waar naar hartenlust de hand mee wordt gelicht, eist de stem van het nieuwe, het ongepolijste, het aanstormende zijn plek op. Maar het bestaansrecht van de bastaardtaal is dat ze nooit officieel zal worden; ze schuwt formele erkenning zoals de vleermuis de dag. In die toegekende status kan ze niet leven. Alle pogingen van het Standaardnederlands om de taal gelijk te schakelen zullen uitlopen op de dood van de taal. Van deze ongemakkelijke verhouding profiteren beide partijen, als twee geliefden die in hun twisten elkaar karakterologisch tot grote hoogten opstuwen.

De bastaardtaal is de uitkomst van een diepe liefde tussen de taal en de mens. Het is de toekomst van alle talen.

zoek opnieuw

Prijs (indien u een artikel uit ons archief bestelt, ontvangt u een pdf): € 3.00

leg in winkelmandje