H.L. Wesseling in Ons Erfdeel

[foto: Willem-Jan Schipper]

Op deze pagina vind je drie beschouwingen die de Nederlandse historicus H.L. Wesseling (1937-2018) voor Ons Erfdeel schreef, recensies uit het tijdschrift van drie van zijn boeken en een uitgebreid portret van Wesseling als Nederlands historicus door vakgenoot Jo Tollebeek.

In zijn necrologie voor NRC omschreef Bart Funnekotter de man als “het prototype van de Leidse historicus” die “alles met een vleugje ironie” beschreef en “liever niet oordeelde”. Hij noemde Wesseling ook “een begenadigd stilist die er op schijnbaar achteloze wijze in slaagde complexe onderwerpen helder voor het voetlicht te brengen”.

Voor de Volkskrant portretteerde Martin Sommer Wesseling als “de laatste ouderwets liberale historicus van Nederland”.

Wesseling schreef diverse stukken voor Ons Erfdeel en Septentrion. Zijn bijdragen aan Septentrion kun je via deze link lezen. Wat hij in Ons Erfdeel publiceerde, staat hieronder:

Onbekend terrein in kaart gebracht

Een uitvoerige recensie van Congo van David Van Reybrouck. Wesseling, die met Verdeel en heers een standaardwerk schreef over de kolonisering van Afrika, noemt Congo “een poging een nog onbekend terrein in kaart te brengen. Daarin is Van Reybrouck op bewonderenswaardige wijze geslaagd. Het boek heet Congo. Een geschiedenis, maar het is ook en vooral een reportage, een verslag van wat mensen hebben meegemaakt, op hartelijke wijze gekleurd door liefde en sympathie voor de mensen die hij heeft gesproken.” Lees Wesselings beschouwing hier.

Historicus van beroep, maar geen beroepshistoricus

Wesseling schrijft een “zelfportret als historicus”: een verhaal over toeval, ontmoetingen, dilletantisme en een proefschrift dat nu niet meer zou kunnen. “Ik heb veel en graag over historische onderwerpen geschreven en daarover veertig jaar met veel plezier lesgegeven”, schrijft Wesseling. “Meer valt er eigenlijk niet over te zeggen.” Toch raden we u aan zijn stuk hier te lezen.

Een vreemd land waar de mensen de dingen anders doen

In dit stuk stelt Wesseling een eenvoudige vraag: wat moeten leerlingen over de geschiedenis weten als zij de middelbare school verlaten? Zijn antwoord vind je hier.

Drie boeken van Wesseling zijn besproken in Ons Erfdeel. Door onderstaande titels aan te klikken, kun je de recensie lezen.

 

De man die nee zei. Charles de Gaulle 1890-1970 (2012)

Vader en zoon. Zoon en vader (2008)

Alles naar wens. Tien voordrachten over cultuur, geschiedenis en politiek (1998)

 

In het eerste nummer van de huidige Ons Erfdeel-jaargang publiceerde Jo Tollebeek, hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de KU Leuven, een portret van Wesseling ter gelegenheid van diens tachtigste verjaardag. Wesseling, die de synthese boven het specialisme verkiest, staat in een typisch Nederlandse, veeleer essayistische historiografische traditie, schrijft Tollebeek. Lees zijn fraaie stuk over deze grote historicus hieronder. 

[foto: Willem-Jan Schipper]

 

DE GEEST LATEN WAAIEN

Wesseling als Nederlands historicus

Henk Wesseling heeft in zijn autobiografie Zoon en vader - Vader en zoon (2008) enkele bladzijden gewijd aan de ontvangst van zijn proefschrift. Het oordeel van de Belgische historicus Jean Stengers, destijds hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles, krijgt daarbij bijzondere aandacht. Wesseling had grote waardering voor zijn in 2002 overleden collega, onder meer om zijn belezenheid en de breedheid van zijn interesse. Wie Stengers heeft gekend, weet hoe charismatisch hij inderdaad was en hoe ver zijn historische belangstelling reikte: hij schreef over het middeleeuwse jodendom en de koloniale geschiedenis, over de monarchie, het nationaal besef en de geschiedenis van de masturbatie.

Daaraan beantwoordde een legendarische boekenverzameling, die in Zoon en vader - Vader en zoon met kennelijke verbazing – geheel in Wesselings stijl – wordt opgeroepen: Stengers “is geboren op nr. 89 in de rue de la Couronne / Kroonstraat in Brussel en tachtig jaar later gestorven in het huis ernaast, nr. 91. Zijn moeder woonde, toen ik hem af en toe bezocht, in zijn geboortehuis en dat kwam goed uit. Jean bezat namelijk de omvangrijkste en meest curieuze boekencollectie die ik ooit heb gezien en deze was op nog curieuzer wijs geordend. Het begon bij de trap waar de stapels links en rechts van het uitgespaarde pad lagen, vulde vrijwel de gehele eerste verdieping, ging dan door naar de tweede om, via een gat in de muur, als een verwoestende lavastroom, daarna weer af te dalen in het huis van zijn moeder.”

Daartussen zat dus ook Soldaat en krijger, het proefschrift dat Wesseling in 1969 – hij was toen eenendertig – in Leiden verdedigde. Het was een studie over de opvattingen over leger en oorlog in Frankrijk tussen 1905 en 1914. Stengers oordeelde, zo herinnerde Wesseling zich, dat het “een prachtig boek” was, “origineel en erudiet”. Veel belangrijker echter was wat hij daarop had laten volgen: “(…) maar hij zei ook dat het ondenkbaar was dat zo’n essayistisch werk in België als academisch proefschrift zou zijn aanvaard.”

Wesseling zelf verklaarde dit oordeel door te wijzen op het belang van de mediëvistiek in België, waardoor een proefschrift er al snel in de eerste plaats een bewijs van vakmanschap werd. Inderdaad voelden de Belgische historici zich ook in de late jaren 1960 allen min of meer “kinderen van Henri Pirenne”. De Gentse mediëvist van internationale faam had vóór de Oorlog een traditie geschapen die nog steeds krachtig doorleefde: de studie van het roemrijke middeleeuwse verleden vormde er het hart van en openheid ten aanzien van nieuwe themata werd er gecombineerd met een sterke nadruk op het métier, op bronnenkritiek en methodologische onderlegdheid.
Stengers zelf leek de belichaming van deze traditie te zijn. Zijn reputatie dankte hij vooral aan zijn werk op het terrein van de contemporaine en de koloniale geschiedenis, maar hij was ook altijd de “mediëvist” gebleven waartoe hij oorspronkelijk was opgeleid.

In een uit 2006 daterend opstel over zijn leermeesters (herdrukt in Van toen en nu, 2014) voerde Wesseling hem niet alleen op als een wat extravagante verschijning met een steeds verrassende mimiek, maar ook als “een historicus pur sang, de vleesgeworden historische kritiek, iemand die naar aanleiding van een enkel document een heel historisch probleem kon analyseren”. Van een dergelijke traditie kon Soldaat en krijger geen product zijn, zo besefte Wesseling: de dissertatie was “een volstrekt amateuristisch boek”, dat paste in een andere – inderdaad meer essayistische – historiografische traditie.

 

EEN SCHRIJVER EN ZIJN “PROBEERSELS”

Deze traditie werd ervaren als een typisch Nederlandse traditie, die vorm had gekregen in het werk van de drie historici die de vaderlandse geschiedschrijving na 1945 hadden beheerst: Pieter Geyl, Jan Romein en Lodewijk Rogier. Alle drie, aldus ook Wesseling, hadden zij literaire ambities gehad en grote verhalende geschiedwerken geschreven. Alle drie ook waren zij historici geweest wier interesse bovenal naar de politieke en de ideeëngeschiedenis was uitgegaan.

Met name Geyl had zich na de Oorlog inderdaad tot een essayist ontwikkeld. Hij was in die jaren niet langer de propagandist van een Groot-Nederland gebleven, die zijn visie in een breed opgezet alternatief voor de bestaande nationale geschiedenis had willen ontplooien. De naoorlogse Geyl was nog steeds de auteur van een uitgebreid oeuvre, maar dat bestond nu vooral uit een lange reeks puntige historiografische opstellen. Daarin toonde Geyl zich afkerig van de grote theorieën die Romein bleef ontwikkelen. Hij was een historist, die de “ware historische zin” in de vatbaarheid “voor het concrete, voor het bijzondere, voor het veelvormige en onsystematiseerbare” meende te moeten zoeken en die graag benadrukte dat historische kennis altijd betrekkelijk is: een onzekere wetenschap, die hij strijdbaar verdedigde, getuige de titels van bundels als Tochten en toernooien (1950) en Reacties (1952).

Wesseling las deze essays graag. In 1987, toen de honderdste verjaardag van de geboorte van Geyl werd herdacht, schreef hij voor Vrij Nederland een waarderend portret. Hij juichte er Geyls “‘laat-duizend-bloemen-bloeien’-opvatting van de geschiedenis” toe en loofde hem als “de vertegenwoordiger van een no nonsense- en common sense-benadering” van het verleden. Dat was niet alles: ook Geyls vermogen een breder publiek dan alleen zijn vakgenoten te bereiken werd geroemd.

Deze lof was geen toeval. Wesseling had vier jaar na de voltooiing van zijn proefschrift zijn promotor Bertus Schaper opgevolgd als hoogleraar Algemene Geschiedenis in Leiden – een vesting die Geyl nooit had kunnen innemen. Zijn werk bestreek sindsdien twee terreinen: de politieke geschiedenis van West-Europa en de geschiedenis van de Europese expansie. De publicaties volgden elkaar snel op. Er waren de grote monografieën, van Soldaat en krijger naar onder meer een studie over de opdeling van Afrika tussen 1880 en 1914, Verdeel en heers (1991), tot de recente geschiedenis van Frankrijk in de negentiende eeuw, Scheffer, Renan, Psichari (2017).

Maar sinds het midden van de jaren 1980 verschenen met grote regelmaat ook bundels waarin her en der verspreide opstellen werden samengebracht: Vele ideeën over Frankrijk (1987), Indië verloren, rampspoed geboren (1988) of – minder thematisch gebonden – Oorlog lost nooit iets op (1993). Ten slotte was er nog het werk, acht jaar lang, als columnist voor NRC Handelsblad dat weer tot drie nieuwe bundels leidde.

In dit omvangrijke werk toonde Wesseling zich bovenal een essayist. Hij was, zo typeerde hij zichzelf in 2004 in een korte autobiografische schets, “historicus van beroep, maar geen beroepshistoricus”. Hij hield er niet van in archieven te snuffelen, voor moeilijke handschriften had hij het geduld niet. Maar schrijven, dat was wat hij graag deed: “Wie niet schrijft moet geen historicus willen worden.” Dat schrijven moest een toegankelijk schrijven zijn. Wesseling citeerde steeds opnieuw Jacob Burckhardt: “Op het gevaar af door de wereld der pedanten als onwetenschappelijk te worden beschouwd, ben ik vastbesloten in de toekomst leesbaar te schrijven.” Wesseling hanteerde in zijn “probeersels” een eenvoudige, persoonlijke stijl, met een lichte toets en rake typeringen, vaak met portretten en steeds met goedgekozen anekdotes.

Was dit wetenschap? Wat, zo repliceerde Wesseling, is wetenschap eigenlijk? Hij verzette zich met klem tegen het onderscheid dat “academische bureaucraten” tussen “vakwetenschappelijke” publicaties en op een algemeen publiek gerichte uitgaven maakten. In de historische wetenschap was dat onderscheid in elk geval vaag. Het stond bovendien haaks op een sterke traditie in de Nederlandse geschiedschrijving: al sinds Robert Fruin en Johan Huizinga hadden Nederlandse historici in algemene tijdschriften als De Gids gepubliceerd. Het had hun een plaats en een rol in de samenleving gegeven. Had dit hen minder wetenschappelijk gemaakt? Wesseling zelf aarzelde niet zijn opstellen bij Hollands Maandblad in te sturen.

Dit alles maakte Wesseling tot een historicus die de synthese boven het specialisme verkoos, een schrijver met een “uitwaaierende belezenheid” (zoals zijn portrettist Willem Otterspeer in 2002 vaststelde) en een uitgesproken didactische aanleg. In zijn opstellen en columns sneed hij een breed scala aan onderwerpen aan – van de Franse intellectuelen tot de christelijke waarden, van het Nederlandse imperialisme tot de toekomst van de algemene ontwikkeling. Onbetwijfelbare kennis wilde hij daarbij niet bieden; hij beschouwde “zijn ideeën (…) als niet meer dan voorstellen aan de lezer” (zoals het in Zoon en vader - Vader en zoon luidde). De gedachte dat er (ook) in de geschiedwetenschap sprake zou zijn van vooruitgang, trad hij met veel scepsis tegemoet. De historiografische realiteit, zo wist hij, werd veel beter gevat in Geyls bekende, al uit 1946 daterende formule: de geschiedenis is “een discussie zonder eind”. Met Geyl deelde hij een historisme, zij het minder militant van aard: betrekkelijke kennis vereiste bescheidenheid.

AFKEER VAN DE SOCIAALECONOMISCHE “AVANT-GARDE”

Wesseling versterkte dus een Nederlandse essayistische traditie, die ver stond van de Belgische traditie die Stengers vertegenwoordigde. Maar hij wist natuurlijk dat de Nederlandse geschiedwetenschap niet samenviel met deze traditie: andere historici hadden andere historiografische idealen nagestreefd. De meest opvallende richting daarbij was de sociale en economische geschiedenis die zich na de oorlog ook in Nederland onder inspiratie van de Franse Annales van Fernand Braudel ontwikkelde. Haar voorman was Bernard Slicher van Bath, die sinds het midden van de jaren 1950 agrarische geschiedenis in Wageningen doceerde en daar een sterke en invloedrijke onderzoeksgroep wist uit te bouwen. Maar niet iedereen was met deze ontwikkelingen opgezet. Toen twee jonge historici in 1959 een manifest publiceerden waarin zij onder meer een sterker op de sociale wetenschappen georiënteerde en meer planmatige geschiedschrijving bepleitten, reageerde Geyl ontstemd.

De essayistische traditie werd dus uitgedaagd. Maar zij werd ook verdedigd, onder meer door Wesseling. Die kende de nouvelle histoire goed doordat hij in 1971-1972 een jaar in Parijs had doorgebracht en er ook vriendschap met enkele voormannen van de Annales had gesloten. Maar Parijs was voor de jonge Nederlandse historicus toch vooral de plaats geweest van de nieuwe film, de jazz en het existentialisme, en daarmee het begin van “een liefde die niet verflauwde”. De nouvelle histoire deelde niet in deze “gelukkige opwinding”.

Integendeel, Wesseling zou steeds een afkeer van de sociaaleconomische “avant-garde” en haar “modieuze idealen” blijven voelen. Over de thematiek van deze groep schreef hij veelal met lichte spot: hij had het over “de weinig avontuurlijke historie van zaaizaad, ooft en aardappels, de lotgevallen van onze veestapel, de eigenaardige effecten van het driftleven in de Achterhoek, onderwerpen die thans zo verrassend veel historici fascineren”. Over de methode van deze historici was hij meer uitgesproken: zij hield een “monomane concentratie op grafieken, kaarten en tabellen” in, een preoccupatie met prijzen, cijfers en statistieken, die “nogal kolderieke” vormen kon aannemen. In een brief aan een bevriende collega schreef hij in 1985 zijn generatiegenoot Ad van der Woude, een van de luidruchtige voormannen van de Wageningse school, “ideologische gedrevenheid” toe. Dat stoorde de heer van stand die Wesseling intussen was geworden.

Toch wist Wesseling dat de opmars van deze nouvelle histoire kon worden gestuit. Hoe sterk de oude traditie was, leidde hij onder meer af uit de dubbelgeschiedenis van België en Nederland die Ernst Kossmann in 1976 publiceerde. De in 2003 overleden Kossmann was zijn academische carrière in de vroege jaren 1950 in Leiden begonnen, had een jaar in Parijs onderzoek voor zijn dissertatie verricht, was op voorspraak van Geyl aan University College in Londen benoemd en was in 1966 ten slotte hoogleraar in Groningen geworden. Toen De Lage Landen 1780-1940 verscheen, loofde Wesseling het boek onomwonden als een meesterwerk. Nochtans had Kossmann een “tamelijk conventionele” politieke geschiedenis geschreven, “een provocatie” haast jegens de sociaaleconomische vernieuwers. Hier ging het immers niet om conjuncturen of structuren, maar om de wijze waarop de grote politieke figuren de maatschappij vorm hadden gegeven, en de motieven die daarbij een rol hadden gespeeld. “De reconstructie van de gedachtegangen van historische actoren uit het verleden”: dat was precies de historiografie die Wesseling zelf nastreefde.

DISTANTIE EN VERBAZING

Met Kossmann brak echter ook een nieuwe generatie in de Nederlandse historische wereld door. Zij maakte een einde aan het sterke politieke en levensbeschouwelijke engagement dat de generatie van Geyl, Romein en Rogier had gekenmerkt, in zijn verschillende gedaanten: een betrokkenheid in de Groot-Nederlandse (en Vlaams-nationalistische) strijd, het marxisme, de “katholieke herleving”. Met dat engagement was ook een geesteshouding gepaard gegaan die door Wesseling in een uit 1985 daterend opstel zou worden gekarakteriseerd: “De volstrekte zelfverzekerdheid van deze mensen, de complete ernst waarmee zij hun vak en zichzelf opvatten, de vanzelfsprekendheid waarmee zij hun beroep uitoefenden en vooral de belangrijke plaats die zij in het culturele en publieke leven van hun tijd innamen: publicerend, polemiserend, orerend, vermanend, prekend en met evenveel gemak de les lezend als de eerbewijzen ontvangend die het publiek hun aanbood.”

Dat was niet de wijze waarop de nieuwe generatie te werk ging. Geboren omstreeks 1920 (Geyl, Romein en Rogier waren omstreeks 1890 geboren) waren deze “twintigers” tijdgenoten van literatoren als Gerard Reve, W.F. Hermans en Harry Mulisch. De Utrechtse hoogleraar J.C. Boogman en Wesselings Leidse collega voor de vaderlandse geschiedenis Ivo Schöffer behoorden ertoe, en natuurlijk Kossmann; Wesseling zelf was vijftien jaar jonger dan die laatste. Kossmann noemde haar een “pragmatische generatie”.

De leden van deze generatie vereenzelvigden zich niet langer met een emancipatiebeweging zoals dat in de voorbije “lyrische generatie” het geval was geweest. Dat betekende niet dat zij zich afzijdig hielden bij maatschappelijke discussies. Wesseling heeft er enkele jaren geleden in een met veel warmte geschreven portret op gewezen dat zelfs een archiefvorser als (de in 1931 geboren) Arie van Deursen, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, ook altijd een medespeler in de samenleving had willen zijn. Van Deursen had als geen ander in de bronnen van de geschiedenis van de Republiek gewerkt, maar had ook niet geaarzeld om zijn stem – de stem van een belijdend gereformeerde – te laten horen in actuele kwesties. Hij was een ambachtelijke geschiedschrijver geweest én een polemisch essayist, een Dr. Jekyll én Mr. Hyde. Maar het engagement van de “lyrische generatie” was daarmee niet hernomen, zoals ook de geesteshouding een heel andere was geworden: voor zelfverzekerdheid en ernst waren twijfel en afstandelijkheid in de plaats gekomen.

De ironische wijze waarop Kossmann de nationale geschiedenis tegemoet trad, was daarvan het meest sprekende voorbeeld. De Lage Landen 1780-1940 was niet ontstaan uit het verlangen te tonen hoe België en Nederland als biologische wezens een aan hun natuur eigen en dus noodzakelijke weg door de nationale geschiedenis hadden afgelegd, zoals eerdere historici hadden gedaan, of zij nu de geschiedenis van het Nederlandse volk, de Belgische natie of – in het geval van Geyl – de Dietse stam hadden geschreven. Kossmann legde integendeel de nadruk op de toevalligheden, onbedoelde gevolgen en onvervuld gebleven mogelijkheden in zijn verhaal. Het oude nationalisme – in welke vorm ook – was daarmee verdwenen, en dat toonde zich ook in de stijl die het boek had gekregen: een elegant, maar kaal en zakelijk proza, geschreven door een auteur die met distantie en verbazing naar het nationale verleden keek.

Deze verbazing – al dan niet in gespeelde vorm – werd ook Wesselings handelsmerk. Ongetwijfeld werd zij veelvuldig ingezet als een retorisch instrument. Maar het ging ook om meer. Zoals Kossmann in de nationale geschiedenis vooral “merkwaardigheden” opvielen, zo oordeelde Wesseling dat de Europese geschiedenis veel van haar vanzelfsprekendheid had verloren. In een toespraak ter gelegenheid van de honderdvijftigste verjaardag van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap in 1995 (herdrukt in Alles naar wens, 1998) vatte hij het probleem samen: “De geschiedenis op te vatten als een pelgrimstocht der mensheid op weg naar de verwezenlijking van de Europese beschaving is niet meer aanvaardbaar.” Maar wat was het alternatief? En hoe kon men nog een consensus bereiken over wat historisch wetenswaardig was? Hoe kon men kiezen tussen Napoleon en Samori, of Jefferson en Sitting Bull? Wesseling riep een wereld zonder zekerheden op, een tragikomische wereld, die door de historicus zo niet met amusement, dan toch met afstandelijkheid moest worden gadegeslagen.

Deze afstandelijkheid werd bij Wesseling gecombineerd met een opvallende nuchterheid, en ook zakelijkheid. Zeker, Wesseling heeft de flair van een reiziger die vreemde dingen heeft gezien. Hij heeft een voorkeur voor enigszins extravagante figuren als Stengers of “Robbie” Robinson, de historicus van het imperialisme, en andere “grote geesten en excentrieke persoonlijkheden” uit de Engelse colleges. Hij spreekt met kennelijk plezier over hun escapades en de bijzonderheden van hun karakter. Maar desondanks overweegt de nuchterheid in zijn werk en optreden. Wesseling is pragmatisch. Hij is een man van de praktijk, niet van idealen en dromen, maar van duidelijke vaststellingen en haalbare oplossingen, van feiten en nuttigheden.

Deze houding weerspiegelde zich ook in de voorkeur voor een essayistische geschiedschrijving. Wesseling toonde niet alleen zeer weinig affiniteit met een geschiedbeoefening waarin allerlei theorieën in een al dan niet onleesbaar jargon werden ontvouwd. Hij liet ook geen gelegenheid voorbijgaan om zijn afkeer uit te drukken van de overspannen onderzoekscultuur die heden ten dage aan de universiteiten bestaat. Het is een cultuur waarin zielloze en beschamende onderzoeksvoorstellen worden geproduceerd (met een “probleemstelling”, een “fasering” en een “planning”, een “inbedding” en een “aansluiting”), de research tot papers leidt en de lengte van de publicatielijsten een graadmeter van kwaliteit zijn geworden. Wesseling zei zelf niet aan “onderzoek” te doen. Hij deed, net als zovele andere historici, iets veel simpelers: “Eerst”, zo luidde het in 2012 in een interview, “zoek ik, dan denk ik na, en als ik ben uitgedacht, probeer ik het zo helder mogelijk op te schrijven.” Het was door zijn eenvoud een provocatie; de nuchterheid van de uitspraak toonde de pretenties van de onderzoekscultuur. Zoeken, nadenken, schrijven: dat was het, meer niet.

EEN AVONTUUR

Met deze nuchterheid trad Wesseling, zo voelde het aan, opnieuw een vaderlandse traditie bij. Waren Nederlandse historici immers niet altijd nuchter gebleven? Schaper, aldus zijn leerling en opvolger, was een man geweest met een krachtig moreel en sociaal engagement, “een sociaaldemocraat in hart en nieren”. Maar deze bewogenheid was ook getemperd door een grote nuchterheid, “die men allicht geneigd zal zijn uit zijn Groningse achtergrond te verklaren”. Geyl had ondanks zijn romantische aanleg en zijn politieke inzet steeds een opvallende nuchterheid bewaard, zij het dat daar geen Groningse inborst bij te pas kwam: “Hij was, kortom, een zeer Hollands historicus en een zeer verstandig man.”

Bij Wesseling zelf  ging deze nuchterheid gepaard met een zucht naar vrijheid. De universitaire onderzoekscultuur ervoer hij als een keurslijf. Zij stond haaks op “de liberale sfeer” van Leiden, waar iedereen elkaar met rust liet, niemand een ander een plan opdrong en eigen onderzoekssuccessen werden gerelativeerd. Het toenemende verlangen van de overheid en van de universitaire bureaucratie om te evalueren en te inspecteren – ook in Leiden – moest dan wel worden begrepen als bemoeizucht, ook al spraken de bestuurders en ambtenaren zelf van “wetenschapsbeleid”. Wesseling plaatste er een van zijn boutades tegenover: la recherche est une aventure.

Een avontuur: Wesseling sprak quasinonchalant over zijn werk en beklemtoonde steeds opnieuw dat zijn leven als academicus een zorgeloos bestaan was. Toen hij in 1980 als fellow van het Institute for Advanced Study in Princeton werd uitgenodigd en dat ook accepteerde, vroeg Kossmann hem: “Heb je een programma dat je in Princeton gaat uitwerken of ben je van plan de geest te laten waaien waarheen hij wil?” Het antwoord kwam snel: hij zou de geest laten waaien waar die wilde, hij was nu eenmaal een essayist en kon altijd later nog de schrijver van een monumentaal boek worden. Voor Wesseling was dat geen vrijblijvende beslissing. Hij vertrok zonder plan en met niet meer dan een vage bewondering voor hen die als historicus vooral een métier beheersten. Maar hij was zich bewust van zijn talenten en vertrouwde op zijn geluk – en op de kracht van de traditie die hij als Nederlands historicus meende te kunnen uitdragen.

Deze tekst is eerder ook verschenen in ‘Een Tachtiger’, een niet voor de handel bestemde hommage die bij zijn tachtigste verjaardag aan Henk Wesseling is aangeboden door zijn uitgever Mai Spijkers (Prometheus).